Uit de Pers.
De quaestie der dusgenaamde Doopleden is op de Classis van Leeuwarden nogmaals door Ds. Pera van Hallum behandeld.
Mede in antwoord op desbetreffende vragen, geven we hier dit referaat, gelijk het opgenomen is in de Fritsche Kerkhodt.
De vraag, mij ter beantwoording gegeven, luidt: sHoe moet gehandeld met «doopleden", die niet komen tot het doen van belijdenis? '' De vraag werd gedaan naar aanleiding van het advies door de Professoren Bavinck en Rutgers opgesteld en bij de Synode te Middelburg ingediend. Ik heb begrepen dat er bij den indiener van de vraag, of bij sommigen van zijn Kerkeraad, bezwaar bestond tegen genoemd advies (2e conclusie.) Het spijt me daarom dat de beantwoording van de vraag niet aan den indiener zelf is opgedragen. Er zou dan allicht meer van terecht gekomen zijn dan nu. Immers, ik ben het geheel met de Professoren eens. IVIaar nu kan ik dan ook over deze zaak niets nieuws leveren. Andere gronden dan zij, ter verdediging van hun gevoelen, aangevoerd hebben, ken ik niet Ze degelijker ontwikkelen, kan ik evenmin. Kortom, hun werk verbeteren, hoe zou ik er aan kunnen denken? Ik zal dan ook weinig anders doen, dan hun advies in hoofdzaak weergeven.
Ter zake. Gedoopte kinderen zijn leden, onvolwassen leden, van de gemeente. Die doop verplicht hen, waar zij opgegroeid zijn, tot belijdenis. Geen gedoopte mag zeggen: mijn doop verplicht mij tot niets, wijl hij mij buiten mijn weten en voorkennis is toegediend. In andere zaken redeneert men dan ook zoo niet. Heeft onze vader, vóór onze geboorte en dus buiten ons weten, geld en goed vergaderd, dan verstaan wij later wel de kunst ons recht op zijne erfenis te doen gelden. Ook stemmen we toe dat uit onze geboorte in dit land, alweer buiten onze voorkennis geschied, b.v. de plicht voortvloeit om later onzen aardschen koning te dienen. Welnu, zoo heeft ook God bepaald, dat wij uit dii ouders, in die kerk geboren zouden worden en waar onze ouders, naar Gods bevel, ons lieten doopen, bmdt die doop ons en volgt daaruit dus voor ons de plicht om, waar wij tot jaren des onderscheids zijn gekomen, het openlijk te belijden, dat wij den God onzes doops willen dienen. De doop \verd ons toegediend in de veronderstelling dat de vader ook met ons een eeuwig verbond der genade opricht, dat de Zoon ook ons wascht in Zijn bloed en dat de H. Geest ook ons tot lidmaten van Christus heiligt. Doch de waarheid van dit alles moet, waar wij opgroeien, blijken in onze bekeering, blijken daarin dat wij onzen God willen dienen in een nieuwe gehoorzaamheid. En blijkt dat nieten wordt dat niet beleden, dan hebben wij geen grond meer zulke personen als leden der gemeente te beschouwen. De grond toch, v/aarop zij in den kinderstaat als leden erkend werden, kan dan niet meer gelden. Toen werden zij als leden van de geïnstitueerde kerk erkend, in de onderstelling dat zij leden van Christus waren. Maar komt dat nu bij volwassen jaren niet aan het licht, openbaart zich veeleer het tegenovergestelde, dan hebben wij te vreezen dat onze onderstelling onjuist is geweest.
Wie geen belijdenis doet, verloochent zijn doop en is ongehoorzaam aan het woord des Heeren. Hij moet dan ook als een ongehoorzame behandeld worden. Men zegge niet dat het toch Uter wel blijken kan, dat hij waarlijk een uitverkorene is. Dat kan als iemand afgesneden is van de gemeente, in dien afgesnedene later ook nog wel blijken. Maar daarmee heeft de Kerk niet te rekenen. Daarop mag zij met de uitoefening van de tucht niet wachten. De Kerk moet rekenen met het tegenwoordige en derhalve als de Kerk geen grond meer heeft om te gelooven dat hare leden waarlijk leden zijn, mag zij ze ook niet meer als leden erkennen. Komt later een uitgeworpen gedoopte tot bekeering, hij zal natuurlijk met blijdschap tot het doen van belijdenis worden toegelaten, gelijk ook een afgesnedene met open armen weer ontvangen wordt als hij waarachtige beterschap belooft en bewijst. Maar zoolang dat niet geschiedt, mag de Kerk hem niet erkennen. Het is zeer wel mogelijk, dat volwassen gedoopten toch nog leden der Kerk willen blijven, maar dan willen zij dat op voorwaarde dat de Kerk hen vrijstelle van de verplichting tot belijdenis en avondmaalsviering. En daarvan mag immers de Kerk niet vrijstellen. Integendeel, moet de Kerk toonen dat, zoo men slechts leden blijven wil op voorwaarde, dat het bevel des Heeren op zij gezet worde, men als leden niet meer geduld kan worden.
Elk zal toestemmen dat op volwassen doopleden die ergerlijk leven voor het oog der wereld, de kerkel. tucht moet toegepast. Maar moet deze dan ook niet toegepast op hen die voortdurend ongehoorzaam zijn aan het bevel des Heeren? Of is dit laatste een mindere zonde dan het eerste en behoeft de Kerk alleen te straffen wat in het oog der wereld verwerpelijk is?
Feit is het dat men, voor zoover mij bekend is, in schier alle Kerken de zoogenaamde doopleden maar heeft laten loopen. Men heeft ze, hier meer daar minder, soms vermaand om belijdenis te doen, maar kwamen ze daartoe niet, dan heeft men ze ongemoeid gelaten en ze sdooplid" laten blijven tot 70, Sojarigen ouderdom alsof hun positie een regelmatige was. Men heeft ze dooplid laten leven en sterven. Die handeling nu is, naar we gelooven, onverantwoordelijk. De volwassen doopleden moeten voelen dat hun positie onhoudbaar en in strijd met Gods wil is.
Men heeft gevraagd of men zulke doopleden die om ernstige, zij het dan ook ongegronde, bezwaren, zoogenaamde gemoedsbezwaren, tot het doen van belijdenis niet komen, toch niet anders behandelen moet, dan dezulken die zich onverschillig toonen en ergerlijk leven. We gelooven: ja, maar — alleen in zooverre dat men jegens de eersten lankmoediger is en ze langer draagt. Toch moet er aan die lankmoedigheid een einde komen. Of men dan op die wijze soms geen personen zal uitwerpen, waarin de Heere wel degelijk wat goeds gewrocht had? Het is zeer wel mogelijk, doch voor dezulken zal die uitwerping niet schadelijk zijn. Integendeel zal zij een middel kunnen wezen om hen van hun ongeloof en van hunne schuldige nalatigheid te overtuigen en daarmee te doen breken. In één woord: de tucht zal voor hen een probatum remedie zijn. Terwijl nu, waar men de sdoopleden" maar doopleden laat, deze den indruk krijgen dat hun kerkelijke positie nog wel te verdedigen is, zal bij uitoefening der tucht menig oog opengaan voor het zondige van dien toestand. Ook de vrees voor die sgemoedsbezwaarden" behoeft en mag dus volstrekt van de tucht niet terughouden, moet er veeleer toe aansporen.
Eindelijk, de kerk als instituut berust juist op de belijdenis en verbintenis harer leden. Neem dezen grondslag weg en de kerk wordt een nietbelijdend, zedelijk genootschap waarin de menschelijke wil regeert. En hiertegen moet de kerk waken. Daarom mag de tucht over bedoelde doopleden niet uitblijven. Wel behoudt de doop beteekïnis ook voor de uitgeworpen leden. Hier dient herinnerd hoe Augustinus den doop vergeleek bij het stigma militare 't welk den Romeinschen krijgsman werd ingebrand. Dit teeken behield ook de deserteur, maar het was voor hem een aanklacht. Doch keerde hij tijdig terug, dan ontving hij het niet opnieuw. Zoo ook de doop met betrekking tot de gebannen leden. De doop houdt voor hen beteekenis ; is voor hen een aanklacht en blijft voor hen een aansporing tot bekeering en in den weg der bekeering een verzegeling van Gods verbondsbeloften. Maar die doop alleen is voor dé kerk als instituut, geen grond hen voortdurend als leden te erkennen. Eerst bij hunne te hopen bekeering, verkrijgt die doop weer zijne beteekenis voor de kerk. Zoolang die bekeering niet plaats grijpt, moet de kerk ze buiten sluiten en buiten houden.
Dat dit ook de beschouwing geweest is van de oude Ger. kerken, toonen de Profs, in hun advies uitvoerig aan. Hier behoef ik dus alleen naar dat advies te verwijzen. Wel vond men in ons land niet de formeele excommunicatie welke inde vluchtelingenkerk te Londen, onder leiding van a Lasco, werd uitgeoefend, maar ook hier verden gedoopte kinderen die niet tot belijdenis kwamen geacht hun lidmaatschap te hebben verloren. En waarom dan ook niet de formeele uitwerping? De Profs, geven hiervoor een 4tal redenen op, waarvan ieder zal moeten zeggen dat zij weinig afdoende zijn. Daarom gelooven we. met de Profs, dat de Geref. kerken in hoofdzaak tot de gewoonte van de Londensche Gemeente moeten terugkeeren. Met ernst en liefde en aanhoudend moeten onze gedoopte kinderen, zoodra zij tot hun verstand gekomen zijn, er op gewezen worden hoe zij verplicht zijn den God huns doops openlijk te belijden en hoezeer zij zich schuldig maken door dit niet te doen.
Met nadruk moet hun herinnerd dat onze God besl stheid wil, geen halfheid. Er moet gekozen tusschen God en de wereld en die keuze moet geopenbaard. Koud of heet. Al wat lauw is, is walgelijk. Onze God spuwt het uit. Onzen doopleden moet duidelijk gezegd dat niet-belijden ook een verloochenen is en dat men geen verloochenaars van den Koning der Gem., bij de gemeente mag laten. En baat dit alles op den duur niet, dan zal men ook op deze leden ten slotte de uiterste remedie moeten toepassen en dit ook formeel moeten doen.
En vraagt men ten slotte of de kerk dan op die_ wijze niet vele «belijdende leden" zal verkrijgen die het alleen geworden zijn om aan de een suur te ontkomen, 'dan antwoorden wij dat dit mogelijk is maar — dat dit ons nooit van onzen plicht ontslaan kan en dat wij dit aan onzen God mogen overlaten. Wij hebben als leden te erkennen hen die de waarheid belijden en beleven. Over hunne harten oordeelt God. En geen bezwaar, van welken aard ook, mag ons ooit den duidelijken wil Gods op zij doen zetten. Erkennen moet elk het: God wil dat de gedoopte kinderen der gemeente, waar zij daarvoor de jaren bereikten, openlijk hun doop bevestigen; maar dan moet het ook evenzeer Gods wil zijn hen, zoo zij dat niet doen, te vermanen, te bestraffen en ten slotte uit te werpen. Tot het doen van dit laatste stellen de Profs., als uiterste termijn, het 30e jaar. Zeer juist, dunkt me. Lankmoedigheid moet in deze gewichtige zaak geoefend, maar deze wordt m.i. op die wijze ook .voldoende betracht. Ik hoop daarom zeer dat de Gen. Synode, ook al is het misschien nog niet wenschelijk dat zij, deze zaak aangaande, bindende bepalingen voor de kerken maken, er toch met ernst en nadruk op wijzen dat het den weg, in het advies aangewezen, op moet.
Dit strookt in de conclusies met de conclusies van het bekende Rapport Rutgers-Bavinck.
We zien dan ook niet, hoe men tot andere conclusies komen zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1899
De Heraut | 4 Pagina's