Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ineengroeiïng.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ineengroeiïng.

10 minuten leestijd

VI.

Reeds in ons voorlaatste artikel wezen we op één tegenargument, waarop we ons voorbehielden terug te komen, en waaraan ook naar onze overtuiging waarde moet worden toegekend.

Dit tegenargument schuilt in het woord opleiding.

Al is het toch volkomen juist, dat de wetenschap op zichzelve recht van bestaan heeft, toch is het onbetwistbaar, dat de dorst naar wetenschap op zichzelve nooit krachtig "genoeg zou gebleken zijn, om de verschilende landen van Europa en Amerika als met een net van Universiteiten te over vlechten.

Verreweg de meeste Universiteiten danken dan ook zoo haar ontstaan als haar instandhouding aan de behoefte aan opleiding.

Het volk, de maatschappij, de staat heeft predikers, heeft dokters, heeft rechters enz. van noode, en het is alleszins gewenscht, dat deze „herders der volken, " deze voorgangers en leidslieden, deze met het hoogste gezag bekleede personen, classiek en wetenschappelijk zijn opgeleid.

Het is daarom zeer wel denkbaar, en het komt telkens voor, dat er hoogleeraren worden aangesteld in vakken, waarin zoogoed als niemand college loopt, hoogleeraren die dan ook zoogoed als nimmer college geven, en zich bepalen tot hun wetenschappelijke onderzoekingen. Maar dit doet niets af aan het onbetwistbaar feit, dat het in aller schatting bij een professor hoort dat hij college houdt, dat college houden de opleiding dient, en dat voor de hoofdvakken de opleiding voor kerk, staat en maatschappij misschien evenzeer als de kweeking en beoefening der zvetenschap het doel is, waarvoor de Faculteiten optreden.

Ook in onze Wet op het Hooger Onderwijs 'is zoowel de beoefening der wetenschap als de opleiding van jonge mannen als het bestaansdoel der Universiteit aanvaard.

Bij scholen die van de geïnstitueerde kerken uitgingen trad dit doel der opleiding zelfs zoozeer op den voorgrond, dat ons niet ééne geïnstitueerde kerk bekend is, die ooit met een ander doel dan dat der opleiding van aanstaande Dienaren des Woords een Theologische school in het leven riep.

Was bij de Universiteit de opleiding tweede bestaansreden, bij de kerkelijke school was ze steeds eenige en ttitsluitende reden van bestaan.

Ook de Gereformeerde kerken van Nederland hebben met geen ander doel de School van Kampen in het leven geroepen. En zoowel de bepaling omtrent de „eigen inrichting", als die omtrent de „vrije studie" ging zoo geheel en al buiten alle wetenschappelijke bemoeiing om, dat ze met niet anders dan met „de opleiding" in verband werd gebracht.

Het is niemand ooit in den zin gekomen, om de wetenschappelijke beoefening der Theologie als zoodanig van de geïnstitueerde kerken te doen uitgaan, al erkende men steeds griffer dat voor goede opleiding dege wetenschappelijke vorming onmisbaar was.

De Universiteit is de respublica scientiarum, en werpt in de opleraing van jonge mannen voor allerlei betrekkingen een harer edelste vruchten af. De School van een geïnstitueerde kerk daarentegen doelt uitsluitend op de opleiding van Dienaren des Woords en gebruikt als middel daartoe de wetenschap.

Natuurlijk geeft dit noch aan de Universiteit noch aan de School der geïnstitueerde kerk volstrekten waarborg. Het kan voorkomen, en kwam voor, dat de practische opleiding aan de Universiteit de eischen der wetenschap in de schaduw stelde, en omgekeerd dat aan zulk een School van een geïnstitueerde kerk de beoefening der wetenschap de practische opleiding in den hoek drong. Doch dat lag dan aan de personen der hoogleeraren, en was in strijd met de idee die beide soort inrichtingen beheerscht.

Let men daarentegen niet op uitzonderingen, maar neemt men eenerzijds de Universiteiten van alle landen en alle eeuwen, en anderzijds de scholen, die van oudsher door geïnstitueerde kerken in Azië en Eur ropa, en zoo ook later in Amerika zijn opgericht, dan lijdt het geen tegenspraak, dat de wetenschappelijke ontwikkeling der Theologie, zoowel als van andere weten.schappen ons van de Universiteiten is toegekomen, en dat daarentegen de Scholen der kerken practisch aangelegd waren, en alleen doelden op de vorming en opleiding van aanstaande kerkelijke voorgangers.

Dit lag ook in den aard der zaak.

Zelfs ten opzichte van de lagere scholen hebben onze Gereformeerde kerken nog in 1893 uitgesproken, dat de geïnstitueerde kerken wel zullen doen, met deze over te laten aan dat particulier initiatief, dat uit de kerk als organisme opkomt.

Niet natuurlijk alsof niet ook de kerk als in.stituut bij de lagere school zeer ernstig belang heeft, maar omdat men inzag, dat het de roepingen verwart, indien men, buiten onverbiddelijke noodzakelijkheid, de geïnstitueerde kerken datgene doen laat, waarvoor ze geen eigen orgaan in haar ambt bezit.

In de kerk als organisme heerschen en werken wetten des levens voor de onderscheidene levensuitingen. Zoo ook voor de lagere school in verband met de huiselijke opvoeding en de eischen der paedagogie. En nu kan ook de geïnstitueerde kerk deze eischen wel stipt eerbiedigen, maar toch ligt het gevaar voor de hand, dat ze deze ei.schen aan die van haar eigen instituut ondergeschikt zal maken. En dit mag niet.

Zoolang de institutaiie kerk door het orgaan van haar eigen ambt werkt, blijft ze op eigen terrein en doet wat het hare is. Gaat ze daarentegen doen wat buiten haar ambt ligt, dan beheerscht ze een terrein, waarvoor ze als institutaire kerk de gaven en talenten mist. Ze moet die gaven en talenten dan elders zoeken, en loopt steeds gevaar bij dit zoeken mis te tasten.

Dit gold óók de Gymna.siale opleiding.

Ook deze Hgt buiten het kerkelijk ambt en komt, waar ze Christelijk zijn zal, niet uit de kerk als instituut, maar uit de kerk als organisme op.

Zij die, vooral in een vroeger periode, nochtans oordeelden, dat ook de institutaire kerk les moest geven in meetkunde en natuurkunde, in Latijn en Grieksch en zooveel meer, deden dit dan ook niet, als waanden ze dat dit uit het ambt volgde, maar deels overmits de bestaande Gymnasia en Latijnsche scholen te heiden.sch waren, om voor aanstaande dienaren des Woords bruikbaar te zijn. Deels ook omdat ze reeds het Gymnasiaal onderwijs in nader verband met de Theologische opleiding meenden te moeten brengen. En eindelijk omdat men liefst eerst op later leeftijd iemand voor den Dienst des Woords zag kiezen, en er op een leeftijd van omstreeks tv/intig jaren een andere klassieke vorming noodig was, dan op een leeftijd van twaalf jaar.

Deze opinie had dan weer een theologischen achtergrond van spiritualistischen aard. Men achtte dat niemand oprechten lust uit heilige aandrift, in het ambt van leeraar kon hebben, tenzij hij bekeerd was. Uitzonderingen nu daargelaten, was van bekeering veelal geen sprake dan op een leeftijd van achttien, twintig jaren. Althans van jonge knapen van elf, twaalf jaar kon dit niet als regel worden aangenomen. Die bekeering dacht man zich bij voorkeur buiten verband met het verleden. Het gaf dus geen ^ zin, ja, het was spotten met het heilige, om '; van zulke knapen te zeggen, dat ze „dominee moesten worden" en hun opleiding daarvoor , al vast hadden te beginnen. Veel beter was het daarom te wachten tot later leeftijd.; ; Kwam er dan bekeering, en verklaarde een \ jongman alsdan in heilige opgewektheid, dat i> God hem roeping voor het ambt in de ziel had gegeven, dan kon er heilige ernst in de opleiding zijn, en de kerk haar „gemaakte" predikers van weleer vervangen • door „echte profetenzonen, van God zelfi geroepen en verwekt".

Zeker zouden dezulken dan veelszins achter-1 lijk blijven in het Latijn en Grieksch. Maar ; | wat nood.' Aan dat Latijn en Grieksch had de kerk, had de gemeente toch zooveel niet. En althans mocht nooit ter wille vaiip dat Latijn en Grieksch, het geestelijke, het ^' vrome element aan de gemeente onthouden worden.

Uit dien hoofde concludeerden deze mannen, eerst elders, en in navolging van het buitenland ook hier, dat de opleiding der predikanten een afzonderlijke voorbereidende School ook voor de talen vorderde, ! en dat deze School, als in den regel alleen bezocht door jonge mannen van 18 en 20 jaar, onmogelijk zes jaren aan de gymnasiale opleiding kon geven, en daarom trachten moest het op een eenvoudiger .schaal, en dan in drie jaren, af te doen.

Dat men eerst in het buitenland eJ' straks ook hier, aan de pas beginnenden reeds den titel van „student" gaf, was dan ook volkomen billijk en consequent.

Een jongen van 12 jaar student te noemen, is onzin. Dat zou ook niemand in de gedachte zijn gekomen. Maar hier had me» te doen met een heel ander slag leerlingen. Ze waren geen knapeii maar mannin-Meest ertislige mannen. Mannen die er niet aan dachten, om ontspanning of uitspanning aan de School te zoeken, maaf die slechts één doel kenden, om God en het Evangel'' te dienen, en dafirvoor zoo spoedig mogelijk gereed te komen. Soms reeds aa» het einde van het eerste jaar, zond men ze in de vacaturen, zoo in Engeland als in Amerika, vooral bij de Baptisten, als pf^' dikers uit.

Dit alles sloot als een legkaart ineeji Het was het beginsel van de methode i' de Contemporay Review (Mei 1898) doo' Heath zoo juist geschetst in zijn opstel ovc' het verval van het Evangelisme, of ^^' wij het Methodisme' noemen.

Allengs echter ging er reactie én tege' dit beginsel én tegen die methode, beid'' malen van de Gereformeerde weêropwa king uit.

Men begon het onvoldoende en ongenoegzame van dit individueele standpunt in te zien, en weer oog te krijgen voor het organisch leven der kerk. Het instituut was wel de ambtelijke uiting van het leven der kerk, maar daarom nog volstrekt niet al haar leven.

Er was gerekend buiten den samenhang waarin het Verbond der genade het geestelijke met het natuurlijke leven plaatst.

De kinderdoop werd weer in zijn allesbeheerschende beteekenis doorzien.

Dat de wedergeboorte in enger zin als absolute daad Gods niet hetzelfde is als de bekeering, waartoe de wedergeborene zelf met God medewerkt, begon weer erkend te worden.

En in toepassing op dit bepaalde punt der Gymnasiale opleiding werd steeds helderder ingezien, dat deze haar eigen levenswet, haar eigen paedagogie, en zoo ook haar eigen normalen leeftijd heeft, en dat de kerk als instituut zichzelve schade berokkent, indien ze, tegen deze wet en tegen deze eischen in, zich op eigen voet met minder poogt te behelpen.

Te eerder werd dit toegegeven, toen inmiddels uit de kerk als organisme een ander soort Gymnasia was opgekomen, waaruit de heidensche geest geweken was, en waarop de heerschappij van Gods Woord weer erkend werd.

De kerk als organisme nam toen over, wat de kerk als instituut vruchteloos gepoogd had te geven, en ten slotte werd tweeërlei toegestemd: i°. dat de aanstaande Dienaren een volledige Gymnasiale opleiding van 12—18 jaar moesten hebben, en 21. dat deze Gymnasiale opleiding niet kon en mocht uitgaan van de kerk als instituut, zoodra bleek dat ze kon opkomen uit de kerk als organisme.

Te Middelburg in 1896 werd de eerste conclusie getrokken. Prof. Bavinck stelt nu reeds voor om tot de tweede conclusie over te gaan. En wat een aanmerkelijke schrede voorwaarts is, ook waar er tegen de eerste conclusie nog zekere oppositie stand hield, van oppositie tegen de veel verder strekkende tweede conclusie is dusver nog niets vernomen.

Na afsnijding van de Gymnasiale quaestie, waarmee het Methodisme in den wortel overwonnen is, concentreert zich thans het vraagstuk uitsluitend op de Theologische opleiding.

Doch hierover een volgend maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Ineengroeiïng.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1899

De Heraut | 4 Pagina's