Een weedoende distel.
En het huis Israels zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden berooven; en zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben. Ezechiël 28 : 24.
Niet alleen onder menschen legt men het op elkanders ondergang toe, en niet enkel onder dieren wordt onderling gemoord, ook in de plantenwereld valt struik struik en boom boom aan, de woekerplant zuigt levenssap weg, en de schimmel maakt dor.
Soms _ zelfs ontvangen we bij het zien van wat er in de plantenwereld onderling worstelt, een indruk alsof ook de plant gevoel had, en alsof ze ineenkromp van pijn. En wel verre van dit gevoelvolle meeleven met de natuur ook in haar plantenwereld te onderdrukken, gaat de Heilige Schrift er ons veeleer in voor. Ook zij gewaagt van smart door een doorn, van wee door een distel aangedaan. Overdrachtelijk, het is zoo, maar in zulk een beeldspraak dan toch, dat die smart en die pijn, eerst gedacht wordt in het origineel.
Niet alsof de Schrift ons op het pad der sentimentaliteit zou willen lokken, om weekhartige gevoelstrillingen aan een afgeknakten tak te spillen, maar wel om in de natuur een door God zelf gegeven schildering van ons menschcUjk leven te doen zien, en uit die Goddelijke schildering te leeren verstaan, wat onze stompheid in het leven zelf óf niet opmerkt, óf onder het opmerken niet diep genoeg gevoelt.
Daarop richt zich schier alle beeldspraak in de Schrift. Daaruit komt aan bijna alle gelijkenissen van Jezus haar hooge bekoring toe. Daaraan ontleende ook de profetie in Israël, slag op slag, haar rijk motief en haar aangrijpende invverking.
Zoo hier.
Ezechiël verwijlt in Babyion onder de eerste ballingen, en daar openbaart Gort door hem aan het reeds gebannen deel van zijn volk het ontzettend oordeel dat te komen staat, over het Israël dat nog achterbleef, over den trouweloozen Zedekia, over Moab, over Ammon, over Tyrus en Sidon.
En als dan al die Israël eens omringende en insluitende volken gebroken en verdaan zullen zijn, dan profeteert hij, niet aan Ammon en niet aan Moab, maar aan Israël alleen een nieuwe toekomst, maar dan een toekomst niet langer gedrukt door de onbcsnedenen van rondsom.
En hierbij nu wordt het oude Israël geteekend als een teedere lelie, die van rondsom door distels en doornen omringd is, en in zijn stengels door de zware scherpe "doornpunten rusteloos gewond en bedreigd wordt.
En om nu uit te drukken, dat eens hieraan een einde komt, en dus de lelie van Israël dan op schoon en eft en erf zal groeien, heet het: „Het huis Israels - ixA geen smartenden doorn noch weedoefide distel meer hebben van allen die rondom hem zijn, en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben."
Een „smartende doorn" of „weedoende distel" beeldt rustelooze, afmattende kwelling af.
Bijl of zaag in 's menschen hand maken het kort, en vellen den boom, dat hij heit en nederzijgt, en op eenmaal voor den grond ligt. Zelfs rups en sprinkhaan maken het kort, en ontbladeren de kroon in een oogwenk. Maar niet alzoo de pimt van doorn en distel.
Onmerkbaar langzaam veeleer schuift zulk een distel haar gedoornden tak of gewapenden stengel naar de plant die ze ten slachtoffer koos. Niet dan langzaam uitgroeiend nadert ze de plant die ze gaat verdoen. Dan raakt ze eerst zachtkens aan en drukt de punt van haar prikkel in het blad of in de twijg, die ze dooden wil. Maar dien druk en dien steek houdt ze aan, bij dagen en bij nachten, en als de wind haar^ overbuigt, doet ze den prikkel nog dieper invlijmen. Ja, ze wacht de plant die ze vernielen wil op, dat ze ook zelve door zich uit te zetten op haar indringt, en in haar eigen groei arbeidt aan haar zelfvernieling.
Zoo is de „weedoende distel" het beeld niet van feilen, wilden aanval, niet van een forsch doodenden slag, niet van drieste, tierende vijandschap, maar van die sluipende, schuifelende, soms vaak onmerkbare levensverbittering, die reeds zoo menig hart brak, en zoo vaai den levensmoed heeft uitgebluscht.
Nog teekent zich in het leven van Gods kerk op aarde af, wat eens aan Israël in oude dagen was beschoren.
Ook Gods volk kent op aarde dien „smartenden doorn" die uit de wereld op haar aandringt, en die „weedoende distel" die nooit aflaat haar te kwellen.
Dit ziet niet op de dagen van wreede vervolging, als de brandstapel rookt en het zwaard van den scherprechter, gescherpt en geveegd, zijn glinster op het schavot heeft.
Dien „smartenden doorn" en die „weedoende distel" voelt Gods volk veeleer juist in dagen van stillen vrede prikken, als de dicht gerankte myrtetak te midden van de dicht bezette doornen en distels opgroeit in schijnbaar door niets gestoorde rust.
Het ziet op dagen als waarin we thans weer verkeeren.
Vrede en geen gevaar.
Maar onderwijl gaat ze door die kwelling van halfverscholen aard. Dat lachen om wat u heilig is. Dat hoonen van wat u lief is om uw God. Die ongemerkte achteruitzetting, eerst van uzelven, d^ii van uw kinderen. Die op u toegepaste 'uitsluiting. Dat u bemoeilijken door publieke gewoonte, en door de wet die de overheid maakt. Dat u in strijd brengen met uw consciëntie. Dat ingaan tegen de inspraak van uw gemoed. Dat in alles u overheerschen, en zoo telkens op het pubhek terrein u aandoen van hmder en van ergernis. Dat u telkens gevoelen doen, dat uw belijdenis van uw Heiland u in het aardsche leven niet kroont en niet omkranst, maar u telkens op offers, op terugzetting, op slagboomen die u den weg door het leven versperren, te staan komt.
En dat alles, het werkt juist als de smartende doorn, het kwelt en kwetst u juist zooals de weedoende distel doet.
Met kleine prikken, langzaam aan, schier ongemerkt, maar rusteloos, en alle dag opnieuw.
Toch is dit de pijnlijkste kwelling nog niet. Wel hard, vooral zoo. we het leven onzer kinderen er door zien knakken.
Maar toch, wie gekweld wordt, omdat zijn Heiland hem met de vleugelen zijner liefde dekte, vindt onder die vleugelen steeds zoo overvloedige vertroosting. In het dragen van die kwelling ligt iets dat ge minnen kunt. „Met hem lijden op dat we met hem verheerlijkt worden" blijft dan de vreugderoep, die altoos weer bezielt.
Veel banger, om het hopelooze, is het dragen van persoonlijke kwelling. Als het niet orn uw belijdenis, maar om uw persoon gaat; als er iemand is, die u niet zetten kan, en met wien ge toch verkeeren moet; en die altoos tegen u inwerkt en uw 'invloed poogt te breken. Of erger nog iemand in wiens hart te kwader ure nijd, bitterheid, haat tegen u heeft postgevat, en die het nu niet laten kan, om u telkens te prikken, gedurig , weer zeer te doen, u iets onliefs te zeggen, u bespottelijk ^te maken, u een vlieg af te vangen, uw bedoeling in verkeerd daglicht te stellen, anderen tegen u in te nemen, of u schade te berokkenen op uwen levensweg.
Dat is ook een „smartende doorn" en een „weedoende distel", en een distel die zooveel vlijmender wordt, juist omdat uw verzet steeds handhaving van uzelven moet zijn, en u gemeenlijk op nog dieper vlijm van nijd of bitterheid te staan komt.
Dan is er niets dat bezielt of verheft. Het is dof en toch zoo irriteerend zielsverdriet. Iets dat heel uw per.soon drukt. Dat ge 's avonds in uw gebed voor uw God brengt, en zie in den morgen, bij het ontwaken, is ditzelfde levenskruis er weer.
Kunt ge het nu ontloopen, dan is dit het best. Maar niet altoos kan, dit. Die weedoende distel kan uw man, kan uw vrouw zijn. Vreeslijke gedachte, en toch komt het voor. Die smartende doorn kan uw kind, of het kan ook voor u als kind uw eigen vader of uw moeder wezen. Soms is het een broeder, die zijn eigen broeder aldoor benauwt en kwelt. Soms ook een oudere zuster die een jongere zuster in heel het leven drukt, en als beklemt.
Helaas, dat het beleden moet, maar zelfs in Christengezinnen zijn zulke „weedoende distelen" niet onbekend.
En dan kunt ge het »iW ontloopen. Dan moet ge saamwonen. Dan moet ge op dezelfde plek in het bosch opgroeien, vlak bij die distel die eiken morgen en eiken avond met haar doornsteken kwelt.
Als dit nu buiten Gods bestel omging, dan ^uare het niet te dragen.
Maar erkende David niet reeds: De Heere heeft tot Simeï gezegd: Vloek David. En geldt het dan ook hier niet, dat God gezegd heeft: o. Distel, doe hem wee, o, Doorn, doe haar smarte!
En dat waartoe anders, dan om u in dezen smeltkroes te oefenen, te reinigen, in geloofswaardij te doen toenemen.
En wie er zoo voor staat, die kan nog lachen van heilige vreugde, als hij zich steeds meer voor die „weedoende distel" ongevoelig voelt worden.
Meer nogj die ongevoeligheid voor den prik, zoo ze geheiligd is, breekt ten slotte de punt van den prikkel af.
Dan is de „weedoende distel" ontwapend.
Vergis u hierin nooit. Niet de lelie die gestoken wordt in haar stengel, maar de distel die de lelie wee doet, is de waarlijk ellendige.
De „lehe in het midden der doornen" kan nog uitzien naar de vervulling der profetie, als eens de ure komt, dat er „geen smartende doorn meer zijn zaL" Maar wie een weedoende distel voor zijn broeder of zijn zuster is, heeft niets dan zijn nijd, zijn boos genot, zijn zelfbehagend heerschen, een Farao's-gevoel in het hart, en onder dit alles de onrustige gewaarwording van Gods heilig misnoegen.
En daarom, mocht het zijn, dat er onder wie dit lazen, een broeder of een zuster was, die bij ernstig zelfonderzoek, erkennen moest, voor iemand van zijn eigen huis of van zijn engeren kring metterdaad vaak zulk een „weedoende distel", geweest te zijn, en daarineen demonisch genot te hebben gehad, en er toe te neigen, om als de kans schoon staat, weer den doorn in de ziel van dien gedrukte te steken, sta hier dit woord dan tot, een zeer ernstige waarschuwing, en laat het ook hier worden: voor een distel een mirt.
Zulk „een weedoende distel" te zijn, voor man of vrouw, voor kind of ouders, voor broeder of zuster, of ook voor dienstboden onderling, het is de engelen Gods doen weenen en een gejuich doen opgaan onder wie uit de zalige kooren van Gods engelen zijn uitgevallen.
Het is niet God dienen, maar den Verleider der ziele.
Het is niet uit de liefde ademen, maar uit den wortel van den haat werken.
Uw Catechismus zegt het u: het is heimelijke doodslag, het is zonde tegen het 6e gebod.
En daarom, ge waant wel enkel een weedoende distel te zijn voor wie om u pijn lijdt, maar feitelijk wondt ge uzelven nóg dieper.
Voor hen zijt ge een „weedoende, " maar voor uzelven-een giftige distel.
Ge vergiftigt door uw hooghartig kwellen het levensbloed uwer eigen ziel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 30 april 1899
De Heraut | 4 Pagina's