Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

7 minuten leestijd

LIII.

De invloed der Engelsche Non-Conformisten op onze Nederlandsche kerken, en met name op de strikt Gereformeerde kringen, is van meetaf zeer sterk geweest, iets wat vooral daaraan te danken is, dat men in Engeland en Schotland meer dan hier het practische terrein bestudeerde en in populairder stijl schreef

Voetius, in wiens tijd juist de overgang van het knielend op het staande bidden plaats greep, leert ons dan ook de zonderlinge tegenstrijdigheid kennen, dat men van overgeestelijke zijde in zijn dagen tegen het knielen in verzet kwam, en tegelijk in andere plaatsen, waar de Roomschgezinden nog in de meerderheid waren, op het knielen van den kansel aandrong, om eiken schijn te mijden, alsof wij in onze bedehuizen minder eerbiedig waren dan zij.

Voetius, die zelf verhaalt, hoe het knielen te Dordrecht, tijdens de Synode, nog als gemeen gebruik in alle kerken gold, en die het evenzoo te Utrecht nog in zwang vond, neemt het dan ook tegen de overgeestelijken op, en verdedigt het 7ieder/i; iülen, niet om het als wet voor te schrijven, maar i". omdat het door de mannen Gods in Oud en Nieuw Testament geoefend werd; 2". omdat de leeraren der kerk het van oude tijden af aanbevalen, 30. omdat het in de kerken van de eerste tijden af plaats greep, en alle eeuwen door stand hield, 4". omdat het te zijnen tijde nog. in de meeste buitenlandsche kerken der Reformatie in eere werd gehouden, 5". omdat het ook hier te lande in de dagen der martelaren als regel gold, en 6". omdat het in het algemeen niet afkeuringswaardig kan zijn, dat men bij zijn verootmoediging voor het aangezicht Gods ook met het lichaam een nederige, ootmoedige houding aanneemt.

Slechts kwam hij er tegen op, dat men in het knielen zelf religie ging zoeken, en dat men ingang schonk aan den waan, alsof een gebed zonder knielen geen gebed zijn kon.

Men moet zich den gang van zaken ten deze practisch voorstellen.

In onze groote oude kerkgebouwen in de steden der onderscheidene provinciën werd oudtijds onder de Roomsche hiërarchie, begraven, gelijk dit gebruik ook daarna nog eeuwen stand hield. Dit noodzaakte om het geheele middenschip - der kerk na afloop van den dienst vrij te maken. Er waren toen nog geen banken voor de overheid, of voor den kerkeraad, of voor aanzienlijke gemeenteleden aangebracht. Banken v/aren er alleen in het koor, in het ruim der kerk enkel losse stoelen, en deze losse stoelen werden na den dienst dan opgenomen, en zijwaarts op een hoop gezet.

Bij een volgenden dienst haalde dan een ieder, gelijk dit in vele Roomsche kerken nog geschiedt, een stoel van den hoop weg, en plaatste dien naar goedvinden, met het dubbel doel om dezen stoel als bidstoel en als zitstoel te gebruiken.

Die beweeglijkheid werd bovendien bevorderd door de onderscheiden plaats die men bij de Mis en bij het Sermoen innam. Onder de Mis drong alles naar voren, naar het koor, en zette men zijn stoel zóó, dat men het altaar in het gezicht had. Onder het Sermoen daarentegen verzamelde men zich in het groote schip om den kansel, met den voorkant van zijn stoel naar den prediker gericht.

Deze stoelen waren en zijn dan nog zóó ingericht, dat de leuning hooger, de zitting iets lager is dan bij een gewonen stoel, en dat bovenop de leuning een plat vlak is aangebracht, waarop men, geknield op de zitting, leunen kan.

Toen nu deze kerkgebouwen aan den Gereformeerden kerkeraad overgingen, sloot men het koor af, omdat de altaardienst verviel, maar overigens bleef men de oude gewoonte volgen. Men gebruikte de voorhanden bidstoelen. Die stoelen werden na afloop van den dienst zijwaarts op een hoop gezet, om de kerkruimte vrij te houden voor de begrafenissen. En ging de dienst weer aan, dan haalde een ieder die binnenkwam een stoel van den hoop, en plaatste dien op een hem gelegen plaats voor den kansel. Die stoelen zette men niet vlak op elkaar, maar met zoodanige tusschenruimte dat men ze als stoelen om op te knielen gebruiken kon. Men stond dan op, keerde zijn stoel om, met de leuning naar den kansel, knielde er op, en bad. Soms zelfs zonden aanzienlijke dames haar dienstboden vooruit, om een stoel klaar te zetten, en, als dan de dame kwam, stond de meid op. Een gebruik waar de kerkeraden tegen geijverd hebben.

Zoo nu hield het een eeuw lang ongeveer na het uitbreken van de Reformatie stand, doch allengs kwam er verandering.

De edelachtbare heeren magistraten wilden ofilcieel in de kerk als vertegenwoordigers van de Confessioneele Overheid erkend zijn, en deswege banken hebben. Die banken werden dan ook meest vlak tegenover den kansel om de pilaren aangebracht, en hooger geplaatst dan de stoelen, om de hoogheid van hen, die er in plaats namen, af te beelden.

Tegenover de Overheid wilden toen ook de kerkelijke ambtsdragers soortgelijke geprivilegeerde zetels hebben, en zoo bouwde men rondom den kansel het dusgenaamde doophek, met banken voor de predikanten, ouderlingen en diakenen, terwijl de kerkmeesters, als meest door de stedelijke Overheid benoemd, zich veelal een bank links of rechts van de Overheidsbank zagen aangewezen.

De Nieuwe kerk op den Dam, die meer algemeen bekend is, geeft ons nóg zulk een inrichting te aanschouwen; alleen met dit verschil, dat de Overheidsbanken, die destijds altoos sterk bezet waren, nu meest ledig staan, en daarom als de dienst aangaat door dubbeltjes-menschen worden bezet.

Die vaste banken nu van kerkeraad en Overheid heten het knielen niet toe. Er was geen plaats voor. Ze waren er niet op ingericht. In die banken nam men toen de gewoonte van het opstaan aan. En dat voorbeeld heeft toen vanzelf ook op de stoelbezetters gewerkt, zoodat ook zij al meer het knielen nalieten, en het opstaan onder het bidden navolgden. Hier kwam bij, dat de toeneming der bevolking, en daardoor het gebrek aan plaatsruimte in de kerken, noodzaakte de stoelen zoo dicht naast elkaar te plaatsen, dat het omkeeren der stoelen onder het bidden, al minder mogelijk, althans moeielijk en lastig werd, vooral voor de vrouw. Voetius vermeldt dan ook, dat in zijn dagen reeds vele vrouwen onder het gebed opstonden, en staande baden.

Zoo heeft de invloed der Non-Conformisten uit Engeland, met practische ongelegenheid saamgewerkt, om het nederknielen onder het bidden in onbruik te doen komen. En toen nu de oude stoelen allengs door nieuwe stoelen moesten vervangen worden, hebben kerkmeesters ten slotte een ander soort stoelen aangebracht, die wel voor het zitten, maar niet meer voor het knielen waren ingericht.

Ook, zegt Voetius, werkte het stovenstelsel hiertoe mede. Gelijk nog in sommige groote kerken, waagde men er de gemeente aan, om bij de felste koude in geheel onverwarnnde gebouwen twee uren lang te zitten. Wat ziekte en sterfgevallen dit na zich gesleept heeft, is niet te berekenen. Dit bracht de gewoonte in zwang, dat de vrouw de stoof met koperen heng-!; el meebracht, en dat de dame deze hengselstoof door haar dienstbode liet klaar zetten. En nu sprak het wel vanzelf, dat dit stovengebruik het omkeeren van den stoel nogmaals bemoeilijkte.

Een tijdlang leidde dit tot groote verwarring. De één knielde nog, een tweede stond op, een derde bleef zitten. Enkele predikanten drongen van den kansel nog op het nederknielen aan, anderen pleitten voor het staande bidden.

Van lieverlede kreeg toen de ééne gewoonte over de andere de overhand, en toen ten slotte uit Engeland de meening indrong, dat knielen eigenlijk een Roomsch overblijfsel was, raakte ten slotte alle knielen in onbruik. Men dorst het de één voor den ander niet meer te doen. Reeds Voetius moest het tegen allerlei aanval verdedigen.

En wat het staan of zitten aanbelangt, vond toen allengs de onderscheiding ingang, dat de mannen moesten opstaan, maar de vrouwen moesten blijven zitten, iets waarvoor Voetius zegt, geen enkele geldende reden te kunnen bedenken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 april 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 april 1899

De Heraut | 4 Pagina's