Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

INGEZONDEN STUKKEN.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

INGEZONDEN STUKKEN.

14 minuten leestijd

(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie).

UIT EN OVER INDIË.

Hooggeachte Redacteur!

In No. 1091 van dit uw blad werd onder de rubriek de Pers een brief uit Hollands Kerkblad overgenomen, die om meer dan één reden mijn aandacht trok. Vooreerst om zijn inhoud, en ten tweede om de opmerking der Redactie, dat hij een helderen bhk gaf op de toestanden in Indië.

Veel van wat in bedoelden brief wordt gezegd is, helaas! maar al te waar. Op godsdienstig en kerkelijk gebied is 't hier, in Indië treurig gesteld. Van een opgewekt, geestelijk leven, vindt men, waar men ook komt en wien men ook ontmoet, schier nergens een spoor.

Bij verreweg de meesten is het een leven enkel voor zich zelf; een leven voor de wereld; een leven voor het genot; een leven om vooruit te komen, om promotie te maken, om geld te vergaderen; een leven in één woord, waarin geen plaats is voor de bede, dat de naam onzes Gods geheiligd worde en zijn koninkrijk kome.

Het gebed zelve is trouwens uit het hart en van de lippen van niet weinigen geweken. Men heeft er geen behoefte meer aan. Men acht er zich boven verheven. Hoogst zelden treft men nog-een bidder aan, maar schier allerwegen ontmoet men er, die uit gewoonte den Naam des Heeren ijdel gebruiken.

Ook met den huiselijken godsdienst is het droevig gesteld. In tal van gezinnen wordt daaraan niet eenmaal meer gedacht. Zij gaan aan tafel en staan er van op, zonder ooit den Bijbel eens op te slaan of in dankzegging het hart tot den Vader der lichten te verheffen.

't Zou dan ook verregaande onkunde met de Indische toestanden verraden, indien iemand uit het feit, dat h'er overal op 6 September een druk bezochte bidstond is gehouden, wou afleiden, dat de geest, die in de koloniën den toon aangeeft, een gansch andere en veel betere is dan die in Nederland voorzit Wie iets van de Oost afweet, en eenig belang stelt in kerk en zending, viK^tAsxéxtgeetiszins zoo is.

Maar 't - was goed, dat de Indische briefschrijver daaraan nog eens opzettelijk herinnerde, en als onwaar de voorstelling afwees, als zouden de Europeanen alhier over het algemeen genomen, menschen zijn, die óók in het gewone, dagelijksche leven met God rekenen en van een behoefte doen blijken, dm een zegen van den Koning der koningen over onze geliefde Vorstin af te smeeken.

Dit neemt echter niet weg, dat ik mij gaarne vergund zag, een enkel woord in t midden te brengen togen hetgeen bedoelde briefschrijver mededeelt, niet enkel over dien bidstond zelven, maar ook over de Indische kerk en \\a.vepredikanten, wijl

hij naar mijn overtuiging, een op een en ander doet vallen. ver van zuiver licht

De bidstond, dus beweert hij, was meer een politieke dan een godsdienstige handeling.

Ik voor mij heb dat er niet in gezien en zie er dat nog niet in.

De iveiisch der Regeering was, dat «op den 6den September 1898, des voormiddags te 9 uur in de kerken te Batavia en zooveel mogelijk elders in Nederlandsch-Indië, door de verschillende Christelijke gemeenten, een bidstond gehouden wierd ter gelegenheid van de plechtige inhuldiging van Hare Majesteit de Koningin."

En aan dien wensch is door al de Europeesche en inlandsche Christen-gemeenten voldaan, geheel vrijwillig zonder ' eenige pressie van hoogerhand, óók door de Vrije Gemeenten der Zending, zelfs op mijn standplaats ook door de gemeente van Us. Adriaanse.

Door welke ovei'wegingen die verschillende gemeenten zijn geleid, om aan den wensch der Regeering te voldoen, is natuurlijk door niemand uit te maken. Dat weet God alleen.

Maar zeer zeker is, dat die bidstond gansch _OÏ^// politiek karakter gedragen heeft, indien — wat de briefschrijver wil — dat politieke hierin moet worden gezocht, dat ieder ambtenaar van zijn chef een officieus bevel zou hebben ontvangen, om naar den bidstond te gaan.

Want ik weet stellig, dat dit niet geschied is.

Het zou trouwens, ware zulk een bevel gegeven, op de meeste hoofdplaatsen voor de ambtenaren een nog al lastige vraag zijn geworden, - waar zij dan den bidstond hadden bij te wonen, daar gelijktijdig in alle kerken gebeden werd.

Moesten ze, indien de vertegenwoordiger der Regeering er Roomsch was, dan allen naar de Roomsche kerk, de predikant, als ambtenaar voor Protestantsche zaken, aan 't hoofd zijner gemeente voorop?

Of, indien die vertegenwoordiger er Protestantsch was, moesten dan allen, de pastoor met zijn kudde incluis, naar het kerkgebouw der Protestanten ?

De Indische briefschrijver schijnt in zijn ver beelding het laatste te hebben waargenomen, want hij schrijft: »Des morgens moesten dan ook feitelijk alle ambtenaren naar den éommee, oolc al ivareii se Jioomsch, of Jood, of wat ook."

Dat het biduur, eenmaal vastgesteld, ook officieel door de Regeering werd erkend, sprak, dunkt me, van zelf. Dat kon, dat mocht zij niet nalaten. Zij zou in strijd met haar eigen wensch hebben gehandeld, had zij het niet gedaan; ware zij zelve niet voorgegaan ; had zij het houden van openbare feestelijkheden tijdens den bidstond niet verboden.

En te laken is zeker evenmin, dat zelfs de verschillende particuliere feestcommissies met het biduur rekening hielden, en op de programma's die ze rondzonden, dat uur aanwezen, als officieel erkend en vastgesteld.

Zie, wie de Indische maatschappij kende, wist van te voren, dat de deelneming aan den bidstond algemeen zou wezen, en dat op plaatsen, waar geen pastoor maar wel een dominee was, verscheidene Roomschen bij den dominee ter kerk zouden komen.

Op hoogtijden en bij hiiitengatjone gelegenheden zijn hier vaak de anders zeer leege kerken vrij goed bezet.

Zoo herinner ik mij o. a. een geval, waarbij een predikant, kort nadat op zijn standplaats de ramp bekend was geworden, die ons leger op Lombok had getroffen, geheel uit eigen beweging, een circulaire liet rondgaan, waarin hij bekend stelde, dat den volgenden Zondagmorgen een bidstond zou worden gehouden, oiri Gods genadigen zegen over onze - wapenen af te smeeken.

En wat was van die circulaire het gevolg? Dat er meê gespot, dat er om gelachen werd ? Niemand , die het, althans in 't openbaar, dorst. Maar wel waren dien Zondagmorgen schier alle ingezetenen, met alle civiele en militaire autoriteiten, aanwezig.

Voor de inrichting der Indische Protestantsche kerk is, met de Heilige Schrift in handen, geen enkel woord ten goede te spreken. Hierover kan, dunkt mij, geen verschil bestaan tusschen hen, die haar uitsluitend naar Gods Woord, willen beoordeelen.

Die inrichting is op verre na niet zooals zij behoort te wezen. Hervorming is noodig, dringend noodig.

Wanneer echter de briefschrijver in Hollands Ke7-kblad zegt, dat zij een instituut is, »in dienst van de politiek en om politieke doeleinden door Staatsgeld op de been gehouden, " dan vergist hij zich zeer, dan zegt hij wat hij, daartoe uitgenoodigd, met den besten wil niet zou kunnen bewijzen,

't Is zoo, de predikanten worden door den Staat betaald, en, gelijk de briefschrijver herinnert, goed ook. Maar de pastoors worden ook door den Staat betaald, en i: ; oed ook.

Is nu daarom de Roomsche kerk ook een politiek instituut? Indien niet; waarom dan de Roomsche kerk niet, en de Protestantsche wel?

't Is zoo: de predikanten worden door de Overheid ))geplaatst en verplaatst, " mits hieraan toegevoegd worde: »maar niet tegen hun wil en op voordracht van het Kerkbestuur, dat rekening heeft te houden met den wensch der gemeente, door haren Kerkeraad of een voldoend aantal gemeenteleden kenbaar gemaakt."

Bij de Roomschen gaat dit wel iets, maar niet veel anders toe. Daar geschiedt de plaatsing en verplaatsing door den Bisschop, maar geen pastoor wordt ergens officieel erkend, zoolang de Regeering het betrokken Hoofd van Gewestelijk Bestuur niet heeft verzocht, hen als pastoor van zijn Gewest te erkennen.

Maar is nu daarom de Roomsche kerk ook een politiek instituut? Indien niet; waarom dan de Roomsche kerk niet, en de Protestantsche wel?

Om politieke doeleinden zou de Protestantsche kerk met Staatsgeld op de been worden gehouden!

En het bewijs ? Geen minder dan dit, dat de Regeering het noodig zou oordeelen ter wille van haar prestige, om elk jaar, op den verjaardag van de Koningin, eenmaal kerk te houden in Djocja, waar de Sultan woont en in Solo, waar de Soesoehoenan resideert.

Haast zou ik van deze bewijsvoering wel willen zeggen, dat zij nu bepaald te zwak is, om ook maar één oogenblik op eigen beenen te staan.

Want gesteld al eens, dat het, ter wille van haar prestige, der Regeering wenschelijk voorkwam, om eens in 't jaar te Djocja en te Solo een wereldschplechtigen kerkgang te houden, is 't dan aannemelijk, dat zij om dien éénen kerkgang een zoo uitgebreide en dure inrichting als de Protestantsche kerk is, zou willen onderhouden?

De briefschrijver in Hollands Kerkblad dwaalt ook in vele zaken, die de Indische kerk zelve betreffen.

Dat zij in 't geheel geen belijdenis zou hebben, is niet juist. Wel is hare belijdenis uiterst primitief, v zeer onvolledig en onontwikkeld; maar zij heeft er m toch eene, daar harer »de godsdienstleer is van het t Evangelie, overeenkomstig met het grondbeginsel t van het Protestantismus".

Tucht, het moet erkend, wordt er, helaas! niet dan hoogst zelden geoefend; maar naar de voorschriften kan zij niet alleen, maar moet zij uitgeoefend worden, zoowel over de leer als over het leven. Alleen is, wat de leer aangaat, voorgeschreven : «Beschuldigingen tegen de leer van eenen predikant zullen niet kunnen aangenomen worden, tenzij dezelve gestaafd worden door duidelijke bewijzen, dat hij de leer van het Evangelie heeft wedersproken of bestreden."

Dat de zoogenaamde kerkeraadsleden, de ouderlingen en diakenen, niet in hun ambt zouden worden bevestigd, is mede een uitspraak, waartegen op goede gronden nog al iets kan ingebracht worden.

In vele gemeenten is 't regel, dat de kerkeraad bij het ontstaan van een vacature, zichzelven aanvult, den gekozene bekend stelt, en hem daarna in de openbare samenkomst bevestigt.

Zelfs is mij een predikant bekend, die, op zijn standplaats een kerkeraad, fonneerende, heel de gemeente aan de verkiezing liet deelneinen, maar onder deze beperkende bepaling, dat alleen zij tot lid van den kerkeraad verkiesbaar waren, die instemden met de Apostolische Geloofbelijdenis en als voorstanders van den openbaren godsdienst bekend stonden.

Wel schreef toen het Jcerkbestuur, met deze ver­ kiezing in kennis gesteld, dat zij vernietigd en een nieuwe verkiezing uitgeschreven moest worden, met weglating der bepaling, die de instemming met de Apostolische Geloofsbelijdenis vroeg, maar het gaf aan dit zijn schrijven geen verder gevolg, toen die predikant in een nog al breede memorie zijn doen had gemotiveerd en daarin o. a. ook dit had verklaard :

«Liet ik toch thans de voorwaarde van instemming met de Apostolische Geloofbelijdenis weg, zoo zou die weglating niet veel minder zijn dan een opzettelijke verklaring, door mij afgelegd, dat wie gansch geen geloof meer had of zich tegen het gemeenschappelijk geloof der Christenheid stelde, toch wel opziener eener christelijke gemeente kon zijn, en, werd zoo iemand gekozen, ook als zoodanig door mij in het ambt bevestigd zou worden.

En zulk een verklaring ntaj( ik niet afleggen.

Bij de gedachte dat ik mij daartoe, met het oog op wat dan ook, zou laten vinden, overvalt mij onwillekeurig een huivering, aangezien ik dan waarlijk niet weten zou, hoe ik ten jongsten dage zonder verschrikken voor den rechterstoel van onzen Heer, die ons kocht tot Zijn dienst, zou kunnen verschijnen, daar ik immers welbewust van Hem afvallen en tegen zijn waarheid partij kiezen zou, verbond ik mij, om desnoods het bestuur eener Christelijke gemeente-met heilwensch in handen te leggen van mannen, die volstrekt geen geheim er van maken, dat zij heel het Evangelie des vredes verwerpen en mitsdien ook al de waarheden in de bekende geloofsleuze der christenheid beleden.»

Ver van gunstig is voorts wat de briefschrijver in Hollands Kerkblad getuigt aangaande de predikanten, die zeggen rechtzinnig te zijn.

Naar zijn brief te oordeelen, schijnen zij zoo wat in alles met de wereld meê te doen. Daarom worden ook zij door hem ingesloten, als het heet: «Alles trok des morgens naar de kerk en des avonds naar het bal, de dominee met vrouw even goed als ieder ander. De predikant, modern of orthodox, moest naar dat gala-bal, moest deelnemen aan die danspartij."

Zooals het daar gezegd wordt heeft het allen schijn, alsof voor het bal de avond van den 6den September was afgezonderd. Maar dit is 't geval tiiet geweest. Op de meeste hoofdplaatsen is het, evenals te Poerworedjo, op den - gisten Aiignstus gegeven.

Doch dit daargelaten, zoo-zou ik toch niet gaarne willen tegenspreken, dat zelfs rechtzinnige predikanten wel eens komen, waar gedanst wordt. Want 't is zoo: daar komen ze soms wèl.

Wie echter meent hen hierover hard te moeten vallen, of sterker nog, te moeten veroordeelen, die bedenke wel, dat in Indië altijd en öj'^r^/gedanst wordt, dat wil zeggen: er kan hier geen feestje van eenig aanbelang zijn, of voor de liefhebbers wordt ook de gelegenheid tot dansen ontsloten.

Staat nu iemand in geen de minste relatie tot de Indische maatschappij; heeft hij er geen kennissen, geen vrienden, geen bloedverwanten; bemoeit hij zich met niemand en laat hij zich met niemand in; is hij in één woord, voor zijn omgeving, en zijn omgeving voor hem als dood — dan 't spreekt van zelf, gaat alles buiten hem om; dan behoeft hij nooit eenige familie zijn deelneming in vreugde of smart te betuigen.

Maar wie hier onder en met zijn landgenooten meeleeft; wie zich onder hen voelt geplaatst om, kon 't, hen terug te voeren tot den dienst en e vreeze van Gods Naam; wie in dat gevoel anraking zoekt en tracht te behouden met iedere amilie, nog eenigszins toegenegen, en daarbij van oordeel is, dat het eerste en voornaamste iet is, het verbod van den dans in te scherpen, aar het inplanten van den trek naar Gods Woord n van den lust tot Zijn dienst, — die vindt voor ijn geweten soms overwegingen, welke hem vrijeid geven, om daar te verschijnen en korter of f langer te verblijven, waar óok wordt gedanst. Want daar verschijnend, hoeft men daarom nog iet meê te doen, wanneer er gedanst wordt. Inteendeel, bij zulk een gelegenheid stelt gewoonlijk e gastheer zoo goed als heel zijn huis en heel zijn uin ter beschikking van het bezoek, zoodat zij unnen gaan waar zij willen en plaats nemen, aar zij verkiezen, om zittend, staande of wandeend een gesprek aan te knoopen met wie 't meeste '

un lijken. 't Is dus niet, zooals de briefschrijver meent, dat elfs rechtzinnige predikanten den moed missen, m weg te blijven. Want wanneer 't aankomt op durven, » en er zegt dan iemand tot mij: «je urft niet, » dan roept hij terstond, enkel door dat eggen, iets in mij wakker, gereed om hem te antoorden: «nu, ge zult zien, of ik niet durf.»

Oók, ja vooral in Indië dient men met ondercheiding te werk te gaan,

Zoo werd, bij voorbeeld, eenige jaren geleden, een predikant, orthodox van naam, in een gemeente geplaatst, waar men gewoon was telken jare, na afloop der Mohammedaansche vasten, m plechtigen optocht naar den Sultan te gnan, om hem met die gebeurtenis te feliciteeren.

En wat deed die predikant bij de eerste de beste gelegenheid, dat dit weer zou geschieden?

Hij ging een paar dagen van te voren naar den resident, om dien meê te deelen, dat hij, als hristen-leeraar bezwaar had den optocht meê te t aken en aan de felicitatie mee te doen.

Eenigen tijd later ging hij echter zonder eenig ezwaar, in plechtigen optocht meê, daar het toen e doen was, om den Sultan met een blijde geeurtenis in zijn familie te feliciteeren, schoon hij ist, dat ook zelfs daar voor de liefhebbers geleenheid zou bestaan, om te dansen.

De waarheid aangaande de Indische predikanten, ie zeggen rechtzinnig te zijn, is niet, wat de briefschrijver te hunnen aanzien wil doen gelooven.

Integendeel; in Indië waar schier alles danst, is meer dan één predikant, die jiooit deel aan een dans­partij neemt.

In Indië, waar schier iedereen doet aan het kaartspel, is meer dan één predikant die 7woit de kaarten in handen heeft.

In Indie, waar al wat 't slechts even kan, lid ordt van de Sociëteit, is meer dan één prediant, die zich opzettelijk buiten het lidmaatschap houdt.

Wou men namen, gemakkelijk zou 't mij vallen, p staanden voet een zes-a zevental namen van redikanten te noemen, die ik persoonlijk ken en an wie ik dit met zekerheid weet.

Poerworedjo, 23 December '98.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1899

De Heraut | 4 Pagina's

INGEZONDEN STUKKEN.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1899

De Heraut | 4 Pagina's