Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ineengroelïng.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ineengroelïng.

10 minuten leestijd

X.

Houden we alzoo vast aan den regel, i". dat op Gereformeerd terrein de organisch-Cmversitair e, en niet de institutair-Seminaristische opleiding, steeds in beginsel gekozen werd, en dat wij hierbij hebben te volharden; 20, dat het nochtans voor de kerken gewenscht is, steeds een institutaire inrichting te bezitten, die (verviel de Universitaire opleiding in ongeloof) uit den nood kon helpen; en 3". dat het over en weer gewenscht is, tusschen het organische en het institutaire leven der kerken, voor zooveel deze zaak aangaat, een contractueelen band te leggen, dan komen we vanzelf voor de vraag te staan: Hoe dit laatste mag en kan.

Vooraf echter een kort woord over het hierbij weglaten van: de eenheid van opleiding.

De eenheid van opleiding voegden we opzettelijk niet als vierden hoofdregel aan deze drie toe, omdat we in haar volstrekt geen normalen eisch zien, en haar bij groo-\fx kerkverband zelfs even ondenkbaar als ongewenscht zouden vinden.

„Eenheid van opleiding, " gelijk ze in het thans aanhangig geding ter sprake kwam en werd aanbevolen, bedoelt, dat voortaan alle wetenschappelijk te vormen predikanten die in de toekomst onze kerken zullen dienen, aan dezelfde School zullen studeeren, dezelfde colleges zullen volgen, door dezelfde mannen geëxamineerd en gediplomeerd zullen worden, en dat de hoogleeraren die hen vormen, dit doen zullen in zooveel doenlijk identieken geest.

Onzerzijds nu beschouwen we dit volstrekt niet als liet ideaal. Onze vaderen hadden te zorgen voor 1600 a i/oopredikantsplaatsen, en hadden daarvoor tal van Theologische faculteiten, in Leiden, Utrecht, Groningen, Franeker enz., en al weten we nu zeer wel, dat het optreden van deze vele faculteiten verband hield met het politiek provincialisme, toch staat evenzeer vast, dat tegenover deze pluriformiteit nooit een kerkgeroep om eenheid is opgegaan, en dat, ook toen die provincialistische politiek dood ging, wel naar besnoeiing van het overtollige, maar niet naar numerieke eenheid is gestreefd.

Onze kerken zijn thans minder in aantal, en minder in aantal zijn in steden als Amsterdam het aantal dusgenaamde „predikantsplaatsen". Dit getal neemt wel gaandeweg toe, en moet nog veel sterker klimmen, maar voorshands is het nog altoos een duizendtal minder dan destijds.

Voor 6 a 700 predikantsplaatsen gaan minder jonge mannen studeeren. Indien geregeld een dertigtal telken jare aankomen, blijft er in de naaste toekomst 'voor de kerken keuze te over, de Zending inbegrepen. Op vijf jaren studie gerekend geeft dit een totaal van omstreeks 150 studenten, en daar van deze een 30 afgaan voor propaedeutische studiën, blijven er slechts 120 voorde Theologische lessen, wat zeer wel in één lokaal te bergen is.

En ook al kon men terugkeeren tot de tivee propaedeutische jaren, wat ons steeds gewenscht blijft voorkomen, toch zou dit het getal voor de theologische colleges niet doen klimmen. Feitelijk is dit getal zelfs nog kleiner, daar eene o. i. verkeerde u.santie de eigenlijk theologische lessen slechts drie jaren doet volgen, zoodat de 120 op 90 slinken.

Zes jaren gymnasiale opleiding, twee propaedeutische jaren, en viei* theologische komt ons voor, ook bijaldien men niet doctoreert, voor degelijke en wetenschappelijke vorming noodzakelijk te zijn.

Wat kan, is ook hier een andere vraag. Maar wie op den omvang en de diepte let van de vraagstukken die een degelijk en gefundeerd theoloog thans door te denken heeft, en daarbij let op het niet overgroote bevattingsvermogen van de middelsoort-studenten, zal moeilijk kunnen staande houden, dat minder toereikend is.

Het aantal studenten intusschen zou, zelfs bijaldien het daartoe als regel kwam, niet roepen om meer dan ééne School.

Hierbij komt, dat onze vaderen voor hun Theologische faculteiten geen financieele zorgen kenden, terwijl wij over niet anders beschikken dan over hetgeen het kerkelijk leven afzondert. En eindelijk, dat, wijl de wetenschappelijke weerontwaking van het Gereformeerde, leven nog van zeer jonge dagteekening is, niet dan zeer enkele mannen beschikbaar zijn, die in vollen zin gewapend in het veld staan, om als viagistri Theologiae op te treden. En toch, al levert het getal studenten tegen het openen van slechts ééne School geen bezwaar op, en al maakt gebrek aan geld en Theologisch goud het openen van slechts ééne School zelfs raadzaam, toch ligt niet daarin de eigenlijke drijfkracht, die voor velen op dit oogenblik de eenheid van School als een gewenscht goed begeerlijk maakt.

Die drijfveer ligt niet in het wezen der opleiding als zoodanig, maar in iets dat er uit onze jongste historie bijkomt.

De tweeheid van School, waarmee we thans tobben, typificeert de onderscheidenheid van historische strooming, wier uitvloeiing in eenzelfde bedding voor de krachtige ontwikkeling van het Gereformeerde leven in deze landen juist zoo onmisbaar is.

Kon men thans deze eenheid maar verkrijgen, en zag men na het vierde eener eeuw, als de nawerking der historische tweeheid was uitgesleten in, dat het toch raad - zaam ware twee Theologi.sche faculteiten te openen, mits de middelen het gedoogden, en er geen verschil van beginsel bij in het spel was, dan zou niemand er een been in zien.

Wat thans een ieder bezweren wil is een „overgeorven kwaad". We staan in den lande met wel krachtige, maar toch altoos betrekkelijk kleine kerken van Gereformeerden, tegenover een overgroote meerderheid, die anti-Calvinistisch in hart en nieren is. Om sterk te staan, is het daarom eisch, dat we ophouden onze krachten iri kleingeestige disputen te verspelen. Met name plaatselijk moet er een eind komen aan dat pogen van A om er B of van B om er A onder te houden. Het moet heel het land door ééne homogene kracht worden, die, in den Naam des Heeren, en ter redding van ons volk, ons volk weer met den rijkdom der Gereformeerde beginselen zegent.

Aldus is de „eisch van eenheid" die zich thans zoo luide hooren doet, een puur incidenteele, een louter opportunistische, doch die als zoodanig niets met het beginsel der opleiding te maken heeft.

Was er voor driemaal meer predikantsplaatsen te zorgen, er zouden vanzelf meerdere Scholen moeten zijn, gelijk dan ook in het buitenland, bij grooter omvang van kerkelijk leven, aan geen eenheid gedacht wordt. Vloeiden de middelen ruim, en waren er tal van geboren en welgewapende hoogleeraren beschikbaar, het zou een lust zijn, in meerdere plaatsen van het land een Universitair centrum tè laten werken. En wat bovenal niet vergeten worde, ook op Gereformeerd terrein moet er altoos zulk een speelruimte van vrije ontwikkeling blijven, dat de ééne zelfde belij­ denis en de ééne zelfde waarheid in velerlei schakeering bloeie, en daardoor tot rijker wetenschappelijke ontwikkeling kome.

Men bega dus niet de fout, om wat incidenteele eisch van het oogenblik is, maar in het minst niet uit ons beginsel voortvloeit, als absoluut ideaal voor te stelten. Eenvormigheid is nooit de levensregel van het Gereformeerde wezen geweest. Juist in den rijkdom van het geschakeerde ligt de energie voor de toekomst. En dat op dit oogenblik de uniformiteit toelacht is alleen omdat we een verkeerde tweeheid hebben, een tweeheid die het dichten belet van de scheur, die er nog steeds, als gevolg van het verleden, in onzen kerkelijken muur gaapt.

Eenheid niet ons ideaal, maar wegwerking voor het oogenblik van een ongezonde, ziekelijke tweeheid, moet daarom onze leuze zijn, maar dan moet ook Prof. Bavincks voorstel niet uit dat sterrenbeeld van het incidenteele worden uitgenomen.

Misschien had hij dit incidenteele karakter van zijn bedoelen duidelijker op den voorgrond kunnen stellen, maar wie zijn vroeger geschrift over dit onderwerp kent, en zich herinnert wat zijn slotwoord op de Synode te Dordrecht was, kan en mag zijn huidig voorstel, dunkt ons, niet anders dan in deze associatio idearum opvatten.

Hij denkt er niet aan om te zeggen:

„Als het nu was, zooals ik het voorstel, dan waren we er." Integendeel dan stonden we voor een oogenblik juist zooals we op den duur niet kunnen en niet mogen staan blijven. Zijn eenige toeleg, zoo we hem wel begrijpen, is om den wagen uit het valsche spoor te lichten, waarin we nu rijden, of wilt ge om de valsche duïteit waarin we ons nu bewegen, door een heroïek middel teniet^le doen, ten einde juist daardoor voor de toekomst, een ontwikkeling in normaal-Gereformeerde richting mogelijk te maken.

Wat hij uitdrukkelijk verklaart, dat hij thans niet anders dan een compromis beoogt, geeft ons recht tot deze onderstelling. Of wie zou het mogelijk achten, dat een man als Dr. Bavinck duurzaam het Gereformeerde leven door een altoos pnprincipieel compromis zou willen laten beheer.schen.''

Doch juist daarom mag bij de beoordee-Hng van zijn voorstel die eenheid van vorming niet als leidend beginsel, niet als norma van beoordeeling komen te gelden. Integendeel, die eenheidsidee heeft hier dan niet te oordeelen, maar moet beoordeeld worden, en aan de beginselen die bij de opleidingsquaestie uit hun aard leidende zijn, moet gevraagd, of deze door compromis te knutselen eenheid, zij het ook slechts voor een tijd, aannemelijk is. Of ze mag en kan aanvaard worden.''

Practische ongelijkheden of wenschelijkheden kan men dan nog voorshands geheel buiten spel laten. Waar het een geding geldt dat voor de toekomst van onze kerken, en daardoor voor de toekomst van ons land, in zoo hooge mate belangrijk is, moet geen per.soonlijk offer te zwaar vallen.

Maar wel moet met ernst de vraag overwogen, of de tijdelijke afwijking van de beginselen die Prof. Bavinck bij wijze van compromis, en alzoo voor een tijd, in overweging geeft, plaats zou kunnen grijpen, zonder voor de toekomst den terugkeer naar het zuivere spoor af te snijden, en alzoo onze zaken voorgoed te bederven.

Over deze vraag nu is zeer zeker verschil van gevoelen mogelijk, en het voegt ons met volkomen oprechtheid aan te nemen, dat ook de geachte voorsteller zich deze vraag gesteld heeft, en in goeden gemoede gewaand heeft haar in geruststellenden zin voor zichzelven te kunnen beantwoorden. Misschien heeft hij zelfs gedacht: Vergis ik me .hierin, dan zal de critiek wel niet uitblijven.

Maar juist daarom is het dan ook plicht en roeping, dat zoowel door de voorstanders van de Seminaristische opleiding, als door de voorstanders van de Universitaire opleiding kalme, maar tegelijk zeer ernstige overweging van deze vraag plaats hebbe.

Niemand is, waar het eene zoo alles beheerschende vraag geldt, verantwoord om meê te gaan, of tegen te staan, anders dan op grond van welgewikte, tot helderheid gebrachte overtuiging.

Met het oog hierop nu trekt het de aandacht, dat de voorstanders van de Seminaristische opleiding (d. z. zij die duvsver uit beginsel tegen Universitaire opleiding gekant waren) en die andeis nimmer aarzelden, alarm te slaan, als iets tegen hun gevoelen inging, ditmaal zoogoed als niets van zich hooren deden, of waar ze spraken, van algeheele gerustheid blijk gaven. En dat omgekeerd, de voorstanders der Universitaire opleiding, met alle waardeering van hetgeen met dit compromis bedoeld werd, terstond en allerwegen van hooggaande ongerustheid blijk gaven. Zelfs Ds. Sikkel, die er vergelijkender wijs nog het verst meê meeging, eindigde toch ook zijnerzijds met de pertinente verklaring, dat het, gelijk het daar ligt, niet is aan te nemen.

Dit nu moet, dunkt ons, zelfs Prof. Bavinck tot nadenken stemmen.

Bij een wezenlijk goed compromis moet de uitkomst altoos zijn, dat er beiderzijds, d. i. van weerskanten geklaagd wordt: „Gij eischt te veel van óns", en dat er evenzoo aan beide kanten mannen opstaan, die erkennen : „Het offer is groot, maar het kan en mag om het schoone doel."

Hier daarentegen is voldaanheid bij de ééne richting, en klimmende ongerustheid bij de andere.

En een ultra-geluid als van Veritas doet het algemeene van dit verschijnsel allerminst teniet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Ineengroelïng.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1899

De Heraut | 4 Pagina's