Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ineengroeiing.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ineengroeiing.

12 minuten leestijd

Amsterdam, i Juni 1899.

XIII.

Nog eer we uit hebben gesproken, worden we in de rede gevallen door een tweede vlugschrift van Dr. Bavinck, dat neerkomt op het poneeren van vier stellingen; kortelij k hierop neerkomende, i". dat het het recht der kerken is om zelve te zorgen voor de opleiding harer Dienaren; 2". Dat het het recht der kerken is om, zoo ze kunnen een school te stichten en die tegelijk tot een school van theologische wetenschap te maken; 3". 'Dat het het recht der kerken is, om met een bestaande faculteit der theologie, van wie ook uitgaande, al dan niet in contract te treden, en 4". Dat liet het recht der kerken is, om als ze contract aangaan, alsdan voor zich de benoeming van de theologische hoogleeraren te bedingen.

Is er iemand, die hieraan twijfelt.'' die dit tegenspreekt? die dit betwist?

De kerken zijn zelfstandige lichamen. Ze verbinden zich foederaal. En noch de Overheid noch eenige andere macht op aarde heeft iets over haar te zeggen. Haar kerkenordening stellen ze zelve op. Wie ter wereld zou dan het recht van zulke kerken kunnen betwisten, om een eigen School te stichten ? Zelfs als ze een Universiteit, een Hoogere Burgerschool, een Polytechnische school wilden stichten, ze zouden het rechtens kunnen doen. Dus ook: wie het meerdere doen kan, kan het mindere doen. — Evenzoo staat het met het recht om zulk een School wetenschappelijk in te richten. Ze kunnen het onwetenschappelijk, half wetenschappelijk, heel wetenschappelijk doen naar be-Heven. Zij zijn vrij. —Niet anders is het gelegen met het contractsluiten. Ze kunnen dit doen en ze kunnen dit laten. — En ook wat het vierde punt aangaat, kunnen ze bij het onderhandelen over zoodanig contract alle denkbare eischen stellen. Ook bij die onderhandelingen, is er geen macht op aarde die ze bindt.

Formeel is dit alles nooit door iemand tegengesproken, en we zouden den man willen zien, die in aÜstracto iets hiervan, op of buiten Synode, tegensprak.

Maar daaruit, dat ik het recht heb dit alles te doen, volgt nog allerminst dat ik het moet doen, zelfs niet dat ik het mag doen. Het eerste kan door de omstandigheden belet, het laatste door hooger ^^^? «i-^/ verboden worden.

Indien bleek, dat het gebruik maken van zulk een recht, in al deze deelen, er toe leiden zou, dat in de kerken het vuur van twist en tweedracht, dat pas eenigszins bezworen is, tengevolge hiervan weer laaie zou uitslaan, indien zulk een rechtsgebruik gevaar liep op scheuring der kerken uit te loopen, daardoor de kracht van het Gereformeerde element in ons volksleven te breken, en alzoo alles te vernietigen wat dusver, in jarenlangen strijd, gewonnen is, dan zou hierin een omstandigheid gegeven zijn, die het gebruik maken van al zulk recht zeker niet geraden zou doen zijn.

En ook, bijaldien bleek, dat het gebruik maken van al deze rechten, voet zou geven aan invloeden en beginselen, die bij nauwkeurig onderzoek in strijd bleken te zijn met de beginselen waaruit onze kerken als Gereformeerde kerken léven moeten, dan zou, zoolang onze Gereformeerde kerken in de overtuiging staan, dat deze hare beginselen naar den Woorde Gods zijn, voor haar al zulk gebruik van deze rechten zelfs rechtstreeks ongeoorloofd zijn.

Deze beide stellingen geeft natuurlijk een ieder, en wel in de eerste plaats Dr. Bavinck toe.

Hij wenscht de aanneming van zijn Voorstel alleen, zoo dit tot eenheid, tot opbouwing der kerken, en tot sterking van het Gereformeerde element in ons volksleven kan strekken. Niet, zoo het leiden zou tot veel grootere verdeeldheid, tot scheuring der kerken, en tot verwatering van onze beginselen in het volksleven.

En ook hij wenscht geen gebruikmaking van al zulke rechten, zoo zulks tot strijd met onze, op Gods Woord rustende beginselen zou leiden, maar alleen zoo ze blijken onze beginselen zuiverder te doen uitkomen en te sterken.

Maar daaruit volgt dan ook, dat het geding niet over het recht der kerken loopt, maar én over de gevolgen van zulk een maatregel, én over de beginselen die den strijd beheerschen zouden.

Juist op dit punt echter sloop een bedenkelijke vergissing in.

Dr. Bavinclc zegt, en terecht, dat het recht der kerken niet gebroken wordt, omdat een Vereeniging zegt: Om des beginsels wille kan ik niet met u mede. Noch ook indien zekere 'personen zeggen : Wij staan voor een non possumus.

Hij had dit, met het oog op de personen wien het hier geldt, misschien iets broederlijker kunnen uitdrukken, maar in hoofdzaak geven we ook dit volkomen toe. Noch wat een Vereeniging verklaart haar beginsel te zijn, noch wat eenige personen zeggen dat voor hen afstuit op een non possnmus, kan ooit formeel het recht der kerken te niet doen.

Dit is zoo duidelijk, dat zelfs het uitspreken ervan overtollig was.

Alleen maar op dezen major slaat de minor niet. Of om het voor al onze lezers verstaanbaar uit te drukken : Dit geval is hier niet aanwezig.

Er is niet sprake van een Vereeniging of van eenige personen die buiten de kerken staan, maar er is sprake van de helft der kerken zelve. Er is sprake van twee kerkelijke stroomingen, die in 1892 in één bedding zijn uitgevloeid, met numeriek ongeveer gelijke kracht.

Indien dit voorstel op de Groninger Synode in stemming komt, dan zal het verzet daartegen uitgaan niet van enkele personen buiten de kerken, of van een Vereeniging, maar van de helft der kerken zelven die op de Synode gelijk zeggenschap en gelijke verantwoordelijkheid hebben, als de andere helft.

Welke van die twee helften op de meerderheid zal kunnen rekenen, zal bepaald worden door een indeeling van Classes en Provinciën, die met dit geschil als zoodanig niets te maken hééft.

En de vraag zal dan alzoo komen te staan: Als de helft der kerken van een kerkverband om des beginsels wille verklaart, in zulk een maatregel niet te kunnen noch te mogen berusten, of alsdan de andere helft van diezelfde kerkengroep het zedelijk recht heeft haar opzet met stemmenmeerderheid door te zetten.

Of ook als de helft der kerken verklaart, zich met een non possumus tegen zulk een besluit te moeten overstellen, of de andere helft dan het zedelijk recht heeft te zeggen: Daar stoor ik mij niet aan.

Zóó staat de quaestie.

Het is een geschil in den boezem der kerken zelve, en niet van de kerken tegenover derden.

Dit geschil loopt ten principieele over diep ingrijpende vraagstukken. Over het abstracte dualisme tusschen natuur en genade. Over het bestaan enkel van particuliere genade, of ook van gemeene gratie. Over de van God bestelde arbeidsverdeeling tusschen kerk en maatschappij. Over separatisme of catholiciteit. Over den band van de wetenschap der theologie met de wetenschap. Over den aard en het wezen eener Universiteit. Over Seminaristische of Universitaire studie.

Ten opzichte van alle deze onderling samenhangende, uiterst gewichtige vraagstukken bestaan er in onze kerken tweeërlei stroomingen. De ééne strooming neigt meer tot de ééne, de andere meer tot de andere reeks van gedachten. En deze splitsing in den boezem der kerken hangt historisch samen met ons verschillend verleden, al naar gelang onze actie in het teeken van 1834 of van 1886 stond.

, Zulk een, geschil, ... dat én met een lang verleden én met een principieele overtuiging samenhangt, kon niet op eenmaal tot definitieve oplossing worden gebracht. De kerken hebben daarom in 1892 een compromis gesloten, en gezegd: We weten zeer wel van elkander dat we over deze diepliggende vraagstukken niet alle hetzelfde denken noch oordeelen. Evenwel dit hebben we, dat we allen saam bedoelen den triomf der Gereformeerde beginselen en der Gereformeerde belijdenis. Dit over en weer van elkander wetende en vertrouwende, zullen we dan het onderzoek van deze beginselen voortzetten, en de uitkomst zal leeren, of zich allengs zulk een eenheid van overtuiging vormt, dat we deze gedeeldheid te boven komen.

Doch zoover zijn we nog niet.

Op verre na nog niet.

En daarom nu mist elke Synode het zedelijk recht om thans reeds den knoop door te hakken, en óf te zeggen: „De Seminarische opleiding wordt afgeschaft, " óf om te zeggen: „De Seminarische opleiding zal voortaan de eenig bestaande zijn."

Wat voorshands alleen mogelijk is, is óf beide soorten van opleiding los naast .elkander te laten voortbestaan, óf tusschen beide zulk een band te leggen, dat beide wel op haar eigen wortel blijven groeien, maar practisch, d. i. in de takken, ineengroeien.

Wat alzoo voor de voorstanders van het Voorstel-Bavinck te bewijzen valt is, dat dit Voorstel noch de ééne noch de andere opleiding te niet doet, maar beide laat staan d op eigen wortel, en ze alleen practisch ver­ d bindt.

Wordt dit bewijs geleverd, dan zal het G voorstel mutatis mutandis, aannemelijk zijn. a Blijft dat bewijs uit, dan /l'rtw het niet door­ v gaan, hetzij dan in zulk een gewijzigden z vorm, dat aan het gestelde beding worde s voldaan.

Zooals het Voorstel daar ligt, geeft het u principieel alles gewonnen aan de ééne dier w beide stroomingen in den boezem onzer m kerken, en wordt even principeel aan de m andere der beide stroomingen van diezelfde kerken, alles ontnomen.

Of de Vrije Universiteit voor andere faculteiten iets winnen of verliezen zou, en hoe het met de Gymnasiale opleiding loopt, doet hier niets ter zake, en komt zelfs niet in het geding.

De strijd loopt alleen over de twee richtingen in den boezem zelven van onze kerken, gelijk het verschil van opleiding voor de beide richtingen geconcentreerd ligt in het geding tusschen de Seminaristische of de Universitaire studie van de aanstaande Dienaren des Woords. En op dit punt, het eenige wat de zaak beslist, wordt door het Voorstel aan de ééne richting alles toegegeven, aan de andere alles betwist.

Niet in bijzaken, dit geven we aanstonds toe. In kleinigheden, die tot het beginsel niets af noch toedoen, bevat het Voorstel allerlei aannemelijks.

Maar natuurlijk zullen de ernstige mannen, de mannen van beginsel, noch ter eene, noch ter andere zijde, aan zulke kleinigheden blijven hangen. Hun gaat het om het beginsel en om het beginsel alleen.

Zij vragen zich af: Wordt dan datgene wat wij vastelijk gelooven en belijden ten deze naar eisch van Gods Woord te zijn, op die wijs voor altoos afgesneden, of blijft het zijn vrijen loop hebben?

En bleek nu het eerste het geval, dan natuurlijk bleef aan de kerken, die alzoo oordeelen, geen keuze. Ze zouden dan in nooit op te geven verzet moeten komen.

En 'vcy dat geval nu, zouden die kerken die in Synode-Generaal nochtans dit plan doorzett'en, een toestand in het leven roepen, die er toe leidde, dat in den boezem der kerken, dat op kerkelijk terrein, dat binnen het kerkelijk erf, de ééne groep kerken al verkreeg wat ze ooit in zake de beginselen verlangd had, en dat de andere even sterke groep kerken geheel en al uit het bezit van haar beginselrechtöwte^^ werd.

Het is uit dien hoofde, dat dit Voorstel, gelijk het daar ligt, nooit tot eenheid leiden kan, en zet men het door, een twist en tweespalt in het leven zal roepen, die de toekomst én van onze kerken én van de Gereformeerde beginselen in het volksleven, veel ernstiger bedreigt, dan de toestand, dien ze verbeteren wil.

We zeggen daarom niet, dat de verandering die het aannemelijk kan maken, zoo groot zou behoeven te zijn, maar juist de weg om tot zulk een verandering te geraken, is door de wijze, waarop dit Voorstel aan de orde is gesteld, zoo buitenmate bemoeilijkt.

Gemeld werd alleen, niet aan Directeuren of Curatoren of Hoogleeraren der Vrije Universiteit, maar aan de heeren Rutgers en Kuyper in privé, dat er een brochure gedrukt gereed lag, en dat deze binnen een week de wereld inging, en dat de schrijver gaarne weten wilde, of dit Voorstel op den steun dezer beide heeren rekenen kon. En zulks wel onder de mededeeling, dat Curatoren en Hoogleeraren der Theologische School de brochure wel kenden en ze hadden goedgekeurd. Hierop nu kon dezerzijds niet anders geantwoord worden, gelijk dan ook geantwoord is, dan dat beide heeren zich ten deze geen oordeel veroorloven mochten zonder althans liun ambtgenooien' er in te hebben gekend.

Een zoo gewichtig Voorstel moest eigenlijk nooit anders ter Synode komen, dan in een rapport van expresselijk voor zulk een materie benoemde Deputaten. Dan kon vooraf het voor en tegen door mannen van beide stichtingen overwogen zijn geworden, en gaf het rapport de punten voor en tegen aan.

En waar dit nu niet het geval was, en men wenschte de Synode-Generaal in goeden zin te verrassen, daar had het, juist wijl het Voorstel een compromis bedoelde, niet van één persoon moeten uitgaan, maar in het licht moeten gezonden z: ijn door vier of zes mannen, van wie ieder wist dat ze niet tot ééne zelfde richting behoorden; en alzoo het resultaat moeten zijn van gemeen, onderling, broederlijk overleg.

Juist de volslagen ontstentenis van al zulk voorafgaand overleg, alvorens de eerste brochure ter perse ging, is dan ook de oorzaak van de bittere ongelegenheid waarin thans de kerken verkeeren, en van den wilden loop dien de discussie er over in de pers nam.

Hier en daar werd het reeds een spelen met vuur.

Van de verdere bespreking er over, die in ons plan lag, en die naar onze bedoeling had moeten uitloopen op het aan de hand doen van wijzigingsvoorstellen, zien we dan ook, nu de dupliek thans reeds kwam, af.

En zien we wel, dan zal de beste wijsheid voor de Synode hierin gelegen zijn, dat ze zich onbekwaam verklare, om nu reeds over dit Voorstel een beslissing te nemen, en het stelle in handen van Depu­ g taten, ter fine van consideratie en advies, desnoods uit te brengeu op een afzonderlijk daarvoor saam te roepen Synode in het volgend jaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juni 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Ineengroeiing.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juni 1899

De Heraut | 4 Pagina's