Prob. Diaonale Conferentie in Zuid-Dolland.
Hoewel reeds uitgesteld door de Prov. Partijvergadering der Antirevol. Kiesvereen. in April te Rotterdam gehouden, heeft de jl. Woensdag 17" Mei te Delft gehouden Liaconale Conferentie, waar bijna al de Gereformeerde Diaconieën uit Zuid-Holland vertegenwoordigd waren, een uitstekend verloop gehad. Onder meer werden ook opgemerkt Ds. Van Lummel van Delft en Ds. Los van de Lier, op verzoek van den Voorzitter als adviseurs optredende.
Te half tien opende de heer S. Zwart Jr. van Rotterdam deze samenkomst na het zingen van Ps. 67 : I en Ps. 33 : 10 met gebed.
Na het lezen van Johannes 15, roept hij den aanwezigen een hartelijk welkom toe, en zet vervolgens in een kort maar kernachtig woord, het doel dezer bijeenkomst uiteen. Men was hier bijeen om te werken, niet om uit te rusten, Immers 't ambt der Diakenen houdt meer in dan gelden verzamelen voor en uitgeven aan Jezus' armen. De agenda toont ons dat reeds. Te werken, te arbeiden voor hen die Jezus in zijne plaats ons naliet, totdat het „Maranatha" gehoord zal worden, ziedaar ons aller roeping! Na mededeeling van de reden der afwezigheid van enkele Diaconieën (o. m. van Rotterdam B, Loosduinen enz.) stelt de Voorzitter de eerste vier vragen van het agendum aan de orde. Op verzoek der Regelings-commissie heeft Ds. C. Oranje van Berkel getracht in een referaat deze te beantwoorden, waarom de Voorzitter dan ook terstond aan den referent het woord verleent.
Referaat van Ds. C. Oranje.
Ds. Oranje merkt vooreerst op, dat drie van de vier vragen over de quaestie der „Classicale Diaconieën" loopan, terwijl de vierde van Delft naar een uitweg zoekt om van eene conferentie besluiten te doen uitgaan.
Aanleiding tot de bespreking der „Classicale Diaconieën had de bekende Amersfoortsche circulaire gegeven. Immers het door de Commissie der Centrale Diaconale Conferentie saamgesteld schrijven van November 1898 bedoelende het aanwijzen van een weg, die leiden kan tot ontwikkeling van het Diaconaat, spreekt van een saamkomen der Diaconieën op wettige wijze in meerdere vergaderingen.
Door het bijbrengen van artikelen uit de Dordsche Kerkenordening en een gedeelte uit het „Tractaat van de Reformatie der Kerken" van Dr. Kuyper tracht zij het doeltreffende van haar voorstel aan te toonen.
Zelfs zegt ze, in de D. K. de gedachte ingewikkeld te vinden, dat het Gereformeerd Kerkrecht een saamkomen der Diaconieën toelaat, ja zijdelings, ook naar den eisch van het Kerkverband aanbeveelt. Daartoe haalt de circulaire Art. 83 en Art. 26 der D. K. aan.
Ds. Oranje toont echter aan dat haar beroep Op het „Tractaat van de Reformatie der Kerken" niet sterk is en dat de D. K. eer het tegendeel wil van hetgeen de circulaire bedoelt In het „Tractaat" is deze quaestie niet dan zeer terloops behandeld; daar wordt ook op wemig stelligen toon gesproken, maar wordt slechts eene vraag aangestipt. En wat de D. K. betreft in Art. 83 en 26 is van heel gewone correspondentie sprake, gelijk elke administratie die kent, meest tot voorkoming van bedrog. Op tweeërlei gronden zal spreker bovendien aantoonen, dat ter ontwikkeling van het Diaconaat het in 't leven roepen van Classicale Diaconieën door ons Gereformeerd Kerkrecht niet wel toegelaten wordt.
Vooreerst gedoogt dit het karakter der meerdere vergaderingen niet, en ten andere laat de verhouding van den Kerkeraad tot de Diaconie het niet toe.
Meerdere vergaderingen toch zijn saamkomsten van Kerken. Ken conferentie b. v. is geen meerdere vergadering. Die meerdere vergaderingen nemen besluiten, , welke rechtsgeldend zijn voor al de Kerken uit Classis, Provincie of het geheele land. Juist deze bestuursïüa.ó\'i is niet verleend en kan ook niet verleend worden aan eene saamkomst van Diakenen. Eene vergade ring van Diakenen alleen of ook van Diakenen met Dienaren des Woords vormt nooit eene kerkelijke samenkomst in den zin der D. K., als deze van meerdere vergaderingen handelt.
Priinum Verum van ons Kerkrecht is: dat Kerken correspondeeren met Kerken en in eene meerdere vergadering mag niets behandeld worden, dat in eene mindere afgedaan kan worden. Immers een Kerkeraad bezit autoriteit per se, op de meerdere vergaderingen heeft men slechts afgeleide macht. Welnu, eene „Classicale Diaconie" zou ter meerdere vergadering zaken brengen, die niet op den Kerkeraad geweest waren, met voorbijgang van de Kerken zou men onkerkelijk samenkomen om dan toch over de Kerken zelve te besluiten; dat mag niet. Bovendien, in de bestaande meerdere vergaderingen komen de Diaconieën al saam. Dat zijn vergaderingen van Kerken, niet van stukken van Kerken.
Evenmin als de Predikanten een classicaal Ministerie vormen en er sprake kan zijn van een classicaal Presbyterium, zoomin mag men den term : „Classicale Diaconieën" bezigen Aan den Kerkeraad van^ Utrecht is door eene Commissie zijnerzijds gerapporteerd, dat de Kerken zeer zeker zouden kunnen saamkomen tot behandeling van zaken der barmhartigheid. Daar wordt dus ondersteld dat zij er nog niet toe samenkomen. Maar dit is verkeerd voorgesteld. Zegt, dat de Kerken er meer aan moeten doen, maar zegt niet, dat zij er nog niet toe saamkomen.
Het Utrechtsche rapport zegt ook: „Zulk saamkomen zou dan moeten geschieden door hare Dienaren en hare Diakenen". Ook dat is niet juist; die meerdere vergaderingen strekken niet om barmhartigheid te oefenen, maar om die oefening te regtcleeren. En dat nu juist behoort tot het Opzienersambt.
Spieker wijst een anderen weg aan: hij wil, dat de Diaconieën de stukken betreffende de barmhartigheid in den Kerkeraad aanhangig maken, opdat ze desgevorderd op meerdere vergaderingen behandeld worden. Dit is de weg, dien de D. K. aangeeft.
De verhouding van den Kerkeraad tot de Diaconie laat het saamkomen der Diakenen in meerdere vergaderingen niet toe. Art. 29 en 40 der D. K. beweren het tegendeel van het geen de Amersf. circulaire beoogt. Art. 29 spreekt slechts van vierderlei kerkelijke saamkomsten : den Kerkeraad, de Classikale vergaderingen, de Particuliere synode en Generale of Nationale. Art. 40 zegt wel, dat de Diakenen elke week zullen saamkomen, maar zulk een samenkomst is geen kerkelijke vergadering in den zin van de D. K. Immers deze vergadering heeft geen bestuursmacht. De autoritaire beslissing behoort bij den Kerkeraad. Hij is de eenige rechtstreeksche macht. Geen vergadering van leden der Kerk, noch ook van Diakenen kan besluiten nemen, waaraan de Kerkeraad gebonden is.
De verhouding tusschen Kerkeraad en Diaconie zij deze: de Kerkeraad beshnt, de Diaconie voert int; de Kerkeraad stelt de regelen vast waarnaar de Diaconie de barmhartigheid oefent. De Opzieners hebben regeermacht ook over de Diakenen. Een gewichtige vraag echter is: of de Kerkeraad gevormd wordt door Predikanten, Ouderlingen en Diakenen, dan wel door Predikanten en Ouderlingen alleen. „De Belijdenis" spreekt in art. 30 van P. O. en D. en ook de D. K, volgens de redactie van Emden in Art. 6. Spreker gaat de geschiedenis van dit artikel na om te komen tot deze conclusie: dat in Art. 40 beter nog zou staan: „waarbij zich des vereischt de Dienaren en Ouderlingen zullen laten vinden." In de praktijk is het wel het beste als de Kerkeraad enkele algemeene regelen vaststelt en inlichtingen vraagt omtrent de huishoudelijke bepalingen waarnaar de Diakenen de barmhartigheid oefenen. En voorts geldt natuurlijk art. 25 der D. K. dat verantwoording gedaan moet worden aan den Kerkeraad. Deze moet ook toezien, dat de uitgaven „richtig" hebben plaats gehad.
Het is uitnemend, dat de Diaconale actie worde uitgebreid, alleenlijk wachte het Diakenambt zich voor emancipatie van het Ouderlingenambt, gelijk in den weg van „Classicale Diaconieën" : en houde men vooral in 't oog, „dat iti het Geref. Kerkrecht de Kerkeraad het eenige Bestuur in de Gemeente is, en dat daardoor wordt afgesneden eene regeling van het Diaconaat binten den Kerkeraad om".
Wie het gevoelen der „Classicale Diaconieën" verwerpt, komt daardoor nog niet in botsing met Dr. Kuyper. Naast de vluchtige uitspraak in het „Tractaat", legge men, om slechts een enkel voorbeeld te noemen, de Heraut van 2 Juh 1893, waar, met betrekking tot den arbeid der ziekenverpleging, de wijze van samenwerking tusschen meerdere Diaconieën besproken wordt. Daar leest men onder meer: ... „en wel door de hand van haar Diaconie. Tevens dient deze ziekenverpleging dan plaats : e grijpen in behoorlijk verband met den Predikant en de Ouderlingen, opdat de zieken niet alleen lichamelijk, wat heidensch ware, maar ook, wat de ziel betreft verpleging erlangen. Moeite nu kan dit alleen opleveren voor wat de wijze van verpleging in eene stichting aangaat. Anders regelt de Kerkeraad deze zaak in eigen boezem en de Diaconie voert Uit.
Desnoods kunnen 2 of meer Kerkeraden in eikaars nabijheid gelegen zich combineeren. Zulk een stichting moet altoos uitgaan van den Kerkeraad ter plaatse, onder saamwerking van andere Kerken volgens door de Synode of de Classis te regelen verband". De Kerkeraad regeert dus over de uitoefening van den Diaconalen arbeid.
Ten slotte spoort spreker aan tot ernstige studie onzer beginselen ook op dit terrein. Daarom zou spreker wenschen, dat er na de Diaconale Conferentie b.v. vragen uitgeschreven werden over speciale punten van den Dienst . der barmhartigheid, met aanwijzing van een zeker crediet ter bestrijding van de onkosten bij zulke studiën noodwendig te maken. En voorts zette men onze kerkelijke vergaderingen. te beginnen bij den Kerkeraad, flink aan het werk. Met Gods hulp zal dan ook der Diakenen consciëntie kunnen ontlast worden.
Naar aanleiding van het referaat ontspon zich een onderhoudende discussie.
De heer Baart van Oudshoorn wil den regel consequent doortrekken; de Diakenen behooren niet tot den Kerkeraad en worden niet afgevaardigd naar de meerdere vergaderingen en indien wel, dan komen ze ook op Classis, Prov. Synode enz. Hij komt voorts op tegen de weinige belangstelling, die vele Kerkeraden in het werk der Diakenen betoonen. Eindelijk betreurt hij het, dat er zoo weinig bronnen zijn, zoo noodzakelijk bij de studie van het Diaconaat.
De afgevaardigde van Leiden A, zegt dat er in art. 2 der D. K. van vierderlei Diensten sprake is en in art. 25 van der Diakenen eigen ambt. De ambten, zegt hij, zijn gelijk in oorsprong en waarde maar verschillend in werking. Ze moeten zich niet in hiërarchistischen zin ontplooien.Waar op meerdere vergaderingen alleen Ouderlingen en Dienaren des Woords saamkomen, zou het voor de behandeling der Diaconale zaken gewenscht zijn, er ook Diakenen heen te zenden.
Volgens den heer Muyswinkel van Zwammerdam, ligt in de Handelingen, waar sprake is van het kiezen van Diakenen, wel degelijk de zelfstandigheid van het ambt der Diakenen opgesloten. Hij herinnert aan stelling IX van het referaat van Ds. Bootsma, verleden jaar te Leiden gehouden en met algemeene sternmen aangenomen, welke aldus luidt:
Tot het welslagen van den Diaconalen arbeid is noodig, dat de Class, vergadering bepaalden arbeid wijde aan de zaken van het Diaconaat en dat daarvoor ook Diakeneji met keur stem worden gedeputeerd.
De afgevaardigde van 's-Gravenhage ontkent, dat de Diakenen aan emancipatiezucht lijden. Hij vraagt of aan de Kerkenorde, die 300 jaar oud is, de practijk maar opgeofferd moet worden. Hij dringt er voorts op aan dat bij de overlading van werk voor de Classis, de Synode een uitweg zoeke ter behandeling en afdoening van de Diaconale zaken.
In zijn repliek zet Ds. Oranje zijn standpunt nader uiteen, en tracht de opponenten te weerleggen. Hij legt er den nadruk op, dat in kerkelijke vergaderingen nooit met de dommekracht van het cijfer mag gerekend worden; overtuiging is daar de weg om tot gemeenschappelijke actie te geraken.
Hij heeft voorts geen principieel bezwaar tegen de afvaardiging van Diakenen naar de Classis^ mits men bedenke, dat men dan krijgt een breede en een smalle Classis en de Diakenen dan hulp-ouderlingen zijn. Dat er toezicht op de Diakenen gehouden wordt, veronderstelt reeds, dat ze een eigen ambt [hebben, evenwel verschillend van dat der Ouderlingen.
Van den Koning der Kerk gaat alle actie uit, der Ouderlingen ambt is regeeren en toezicht houden, de Diakenen oefenen de barmhartigheid uit. In meerdere vergaderingen is dan ook steeds de regeermacht aan 't woord, ook over Diaconale zaken. Waar nu de conferentie bovendien een tweetal adviseurs aanstelt, betoont ze reeds onder toezicht te willen staan.
Van saamwerking der verschillende Diaconieën is spreker een groot voorstander. Onder toezicht van de Kerkeraden kan door saam werking veel goeds tot stand komen.
Te half één wordt de Morgenvergadering gesloten.
Na eene pauze van anderhalf uur heropent de Voorzitter de [vergadering. Vooreerst wordt Schiedam aangewezen 'als plaats, waar het volgend jaar D. V. de conferentie zal gehouden worden.
Daarna komt het rapport van de beide adviseurs, bevattende de conclusiën omtrent het behandelde in de morgenvergadering ter tafel.
In zijn geheel luidt deze aldus:
De Prov. Diaconale Conferentie, gehouden op Woensdag 17 Mei, te Delft,
gehoord het referaat van Ds. C. Oranje van Berkel betreffende de z.g. Classicale Diaconieën, spreekt haren dank uit aan de Commissie der Centrale Diaconale Conferentie voor het bij vernieuwing aan de orde stellen van de vraag hoe het Diakenambt tot meerdere ontwikkeling kan worden gebracht;
verklaart, dat voor die meerdere ontwikkeling niet noodig is eene wijziging onzer Kerkenorde, waardoor de z.g. Classicale Diaconieën zouden worden mogelijk gemaakt en verwacht die veeleer a. van degelijke bestudeering van het Diakenambt, waartoe de meerdere vergaderingen door zedelijken en fmancieëlen steun den weg hebben te banen;
b. van het aan de orde stellen door de Diakenen van de zaken, meer bijzonder hun dienst betreffende, op den Kerkeraad en de meerdere kerkelijke vergaderingen;
c. van het houden van goede correspondentie en het contractueel saamwerken der Diaconieën onderling ter behandeling van zaken, die de kracht van eene enkele Diaconie te boven gaan; een en ander onder toezicht der Kerkeraden.
Na ampele bespreking werden deze conclusiën aangenomen. Het voorstel' Oudshoorn-Leiden, betreffende de afvaardiging van Diakenen naar de Classis verviel, wijl de conferentie van verleden jaar zich daarover reeds had uitgesproken door de aanneming van stelling IX van het referaat van Ds. Bootsma (reeds bovengenoemd).
Vervolgens werden nog een zestal vragen beantwoord. Op die van de Diaconie van Molenaarsgraaf en Brandwijk, waarin o. m. ook gevraagd werd, of de Diaconieën, zonder verloochening van beginsel, ziclf in bijzondere gevallen in contact mogen stellen met het Burgerlijk Armbestuur, werd volgens Art. 26 der D. K. bevestigend geantwoord. Op de vraag: Of de Diaconieën aan echtelieden, die gescheiden leven, ondersteuning mogen verkenen, werd geantwoord, dat„de lijdend verklaarde" dadelijk moet geholpen worden. De behandeling der tuchtzaak verblijft aan den Kerkeraad.
Verder werd omtrent de hulp door rijkere Diaconieën aan armere te verleenen, opgemerkt, dat te dien opzichte wel een zedelijke dwang in ons Kerkrecht gevonden werd, maar dat de armere Diaconieën zich eerst tot de Classis te wenden hebben.
Ten opzichte van de hulp, die de Gemeentelijke Overheid aan de Diaconieën verleenen kan, werd geconstateerd, dat de eerste het verplicht is, indien het bewijzen van barmhartighetd betreft aan menschen, die voor de publieke veiligheid gevaar opleveren, als krankzinnigen e. a. (De Overheid bewijst hier natuurlijk geen barmhartigheid).
Over de vraag: Of weezenverpleging ambtelijk tot het werk der Diakenen behoort, werd een breedvoerige discussie gehouden.
Ten slotte werd deze op grond van het formulier ter bevestiging van Ouderlingen en Diakenen, waar het luidt: „Komt de verdrukten te hulp, bezorgt de rechte weduwen en weezen" (d. i. zij, die geen steun hebben) bevestigend beantwoord. Voorts werd door Ds. Van Lummel ten bewijze nog bijgebracht uit de Heilige Schrift: Die verlaten is, hope op den Heere, d. i. op het orgaan, waardoor de Heere hulpe biedt, hier: de Diaconie.
De saamwerking van Diaconieën kwam ten slotte nog ter sprake bij het laatste tweetal vragen, handelende over krankzinnigen verpleging. Gelijk in Zeeland en Friesland deze reeds bestaat, drong men ook in Zuid-Holland op saamwerking aan in deze belangrijke en thans zoo dikwijls aan de orde komende zaak aan. Evenwel eerst na goedkeuring onder toezicht van den plaatselijken Kerkeraad.
Te ruim half vijf sloot de Voorzitter na het zingen van Ps. 146:7 en 8 deze leerrijke bijeenkomst van Diakenen en eindigde Ds. Van Lummel met dankzegging.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juni 1899
De Heraut | 4 Pagina's