Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

8 minuten leestijd

LVI.

Na de Schuldbelijdenis moet volgen de Absolutie, d. w. z. aan de vergadering der geloovigen moet in den Naam des Heeren de vergeving harer zonden worden betuigd en aangekondigd, en aan de ongeloovigen, die in de vergadering der geloovigen zich mengden, moet worden aangezegd dat hun zonde (met ingesloten hun erfschuld) voor hun persoonlijke rekening blijft liggen, en dat deswege hun stellig en gewisselijk de eeuwige verdoemenis te wachten staat, tenzij ze door zich te bekeeren, het zegel van hun vrijspraak van God zelven ontvangen mochten.

Niet allen die met de Reformatie der i6de eeuw medegingen, stonden ten deze in geheel gelijke overtuiging, en met name de Lutherschen bleven ook op dit punt nader bij Romes practijk staan.

Toch wane men niet, dat het daarom aan de Gereformeerde kerken gelukt is, ten deze in het goede spoor te blijven. Feitelijk is in onze kerken alle Absolutie weggevallen, en zoowel publiek als privaat de belijdenis van zonde, geheel ongeregeld, aan de willekeur van den prediker of van de geloovigen overgelaten.

De overtuiging verkreeg allengs de overhand, dat de belijdenis en de vergeving van onze zonde een zaak is, die alleen God en onze eigen consciëntie aangaat, en dat het geen mensch toekomt, zich hierbij tusschen God en ons hart te schuiven.

Met het uitspreken van zulk een algemeené overtuiging is intusschen ook voor ons. Gereformeerden, de zaak niet afgedaan. De vraag is veeleer, of deze overtuiging metterdaad uit de Heihge Schrift verkregen of in strijd met de Heilige Schrift bij ons opgekomen is.

Dat de Roomsche kerk ook op dit punt de menschelijke tusschenkomst veel te zwaar heeft doen drukken, dat ze de macht die hierdoor in menschenhanden werd gelegd te eenzijdig in de geestelijken geconcentreerd heeft, dat ze in verband hiermede Biecht en Absolutie te zeer veruitwendigd, en daardoor tot misbruik er van aanleiding heeft gegeven, en dat ook de Luthersche kerk ten deze zich zoo weinig zuiver hield, dat in de practijk zelfs de „Beichtgrosche" insloop, moge waar zijn, toch volgt hieruit nog volstrekt niet, dat wij. Gereformeerden, om aan het gevaar van zulk een veruitwendiging en zulk misbruik te ontgaan, deswege al wat op Biecht of Absolutie gelijkt, te verwerpen hebben.

Hiertoe zouden we dan alleen gerechtigd zijn, indien het bleek dat de Heilige Schrift ons hiertoe het recht gaf, er den plicht toe oplegde.

Doch let nu op deze uitspraken:

Jacobus 5 : i6: Belijdt malkanderen de misdaden en bidt voor malkanderen opdat gij gezond wordt; een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel.

Handelingen 19 : 18 En velen dergenen die geloofden kwamen, belijdende en verkondigende hunne daden.

Mattheüs 3 : 5 en 6: oen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het geheele land rondom den Jordaan; en werden van hem gedoopt in den Jordaan, belijdende hunne zonden.

Leviticus 5 : S • Het zal dan geschieden, als hij aan een van die schuldig is, dat hij belijden zal, waarin hij gezondigd heeft.

Numeri 5 : 6 en Ja. Spreek tot de kinderen Israels: anneer een man of vrouw iets van eenige menschelijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen den Heere, zoo is diezelve ziel schuldig. En zij zullen hunne zonde, welke zij gedaan hebben, belijden.

Mattheüs 16 : 19: n ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.

En Johannes 20 : 21, 22, 23: ezus dan zeide wederom tot hen: rede zij ulieden. Gelijkerwijs mij de Vader gezonden heeft, zende ik ook ulieden. En als hij dit gezegd had, blies hij op hen, en zeide tot hen: ntvangt den Heiligen Geest. Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden.

Dat naast deze nog andere uitspraken van de Heilige Schrift staan, en andere voorbeelden van „mannen Gods" in de Heilige Schrift voorkomen, die betrekking hebben op belijdenis van zonden rechtstreeks en onmiddellijk voor God den Heere, behoeft wel nauwelijks herinnering, maar reeds uit de aangehaalde plaatsen blijkt dan toch, dat er in de Heilige Schrift ook gehandeld wordt van belijdenis van zonden voor menschen, en van een vergiffenis van zonden die door mènsclien ons verklaard wordt.

Het staat vast: i''. dat onder delsraëlietische bedeeling het belijden van de zonden waarmede men zich verschuldigd had, plicht was, en dat er offeranden geboden waren om de gebondenheid aan deze schuld los te maken. 2". dat zij die door Johannes gedoopt zijn, hem vooraf hun zonden beleden. 3"^. Dat de Apostelen belijdenis van zonden aannamen en aanbevalen. En 4". dat Jezus én te Caesarea Philippi én kort voor zijn hemelvaart aan zijne apostelen de „macht der sleutelen" heeft gegeven, en dat deze „macht der sleutelen" doelde op het vergeven en kwijtschelden, of op het houden en vastleggen van iemands zonden.

Zegt dus iemand, dat elke tusschenkomst van menschen in het stuk der Schuldbelijdenis en der Schuldvergiffenis onheilig en verwerpelijk is, zoo gaat zulk een tegen de Heilige schrift, tegen Jezus en tegen zijn Apostelen in.

Onze vaderen hebben in de dagen der Reformatie die stelling dan ook nimmer verkondigd. Het onderling onder broederen belijden van elkanders zonden hebben ze niet ontraden, maar krachtens het apostolisch getuigenis aangeraden. En de macht van „de sleutelen des hemelrijks" hebben onze kerken officieel in den Heidelbergschen Catechismus aldus omschreven, dat er tweeërlei uitoefening van deze macht is: i". in de openbare vergadering der geloovigen door het verkondigen der absolutie, en 2*'. door de uitoefening van hét recht van ban en weeropneming van hen die zich grovelijk kwamen te misgaan. Het eerste geschiedt, naar luid van Antwoord 84, „alzoo, als, volgens het bevel van Christus, aan de geloovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zoo dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk alle hunne zonden van God, om der verdiensten van Christus' wille, vergeven zijn ; daarentegen allen ongeloovigen, en die zich niet van harte bekeeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zoolang als zij zich niet bekeeren; naar welk getuigenis des Evangelies God zal oordeelen, beide in dit en in het toekomende leven".

En het tweede grijpt alzoo plaats naar luid van Antwoord 85, „als achtervolgende het bevel van Christus, degenen, die onder den Christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij, ettelijke malen broederlijk vermaand zijnde, van hunne dwalingen of hun schandelijk leven niet willen aflaten, der gemeente, of dengenen die van de gemeente daartoe verordineerd zijn, aangebracht worden, en, zoo zij aan de vermaning zich niet storen, van henlieden door het verbieden der Sacramenten uit de Christelijke gemeente, en van God zelven uit het Rijk van Christus gesloten worden; en wederom als lidmaten van Christu3 en van zijne gemeente aangenomen, zoo wanneer zij waarachtige betering beloven en bewijzen".

Hiermede nu in overeenstemming hebben onze Gereformeerde vaderen, die om des geloofs wille in het midden der i6e eeuw in vrijwillige baüngschap gingen en naar Engeland overstaken, te Londen, te Norwich, te Maidstone en elders. Gereformeerde kerken gesticht, en voor deze kerken eene Liturgie vastgesteld, die door Johannes a Lasco beschreven is, en waarin we omtrent dit punt op blz. & 6 van het Tweede deel in a Lasco's werken lezen: „Na geëindigd gebed van schuldbelijdenis verklaart de Dienaar des V/oords aan de geheele gemeente de vergeving en absolutie van haar zonden, en kondigt haar die in deze woorden aan: Ons is de zekere en ongetwijfelde belofte gegeven, krachtens Gods eeuwigen en onveranderlijken wil, dat aan een iegelijk die oprechtelijk berouw heeft, en die, onder erkenning van zijn zonden en onder aanklacht van zichzelven, Gods genade in den naam van Christus onzen Heere inroept, alle hun zonden geheellijk vergeven zijn, ja dat hun zonden zoo zekerlijk zijn weggedaan, dat God hun zonden nimmer gedenkt. En dat daartegenover staat het schrikkelijk oordeel van God als Rechter, - dat zij aller, die de duisternis liever hebben dan het licht, en de hun aangeboden genade in Christus geringschatten en minachten, de eeuwige verdoemenis over zich halen".

„Aan alle diegenen, in uwe vergadering, die zoo gezind zijt, dat gij, achtervolgeode de gedane schuldbelijdenis uzelven beschaamd en berouwvol voor Gods aangezicht stelt, uzelven beschuldigend de toevlucht tot onzen Vader in de hemelen neemt, om de vergiffenis uwer zonden te verwerven, en niet wijfelt of om Christus' wille en om de verdiensten van zijn kruisdood worden alle zonden u om niet en ten volle vergeven; en almede in uw hart den zin hebt, om voortaan, door Gods genade, den ouden mensch in u te dooden met zijn begeerlijkheden, opdat ge naar de mate uwer zwakke kracht in nieuwigheid des levens wandelen moogt, — aan alle dezen, die alzoo gezind zijt, verkondig ik, op grond van de belofte Christi, dat al uwe zonden in den hemel daarboven door God onzen Vader geheellij k en volstrektelijk vergeven zijn om der wille van-Christus onzen Heere en onzen Heiland, die te prijzen is in der eeuwigheid. Amen."

„Aan hen daarentegen, die zich in hun zonden alzoo behagen, dat ze niet zichzelven wegens hun zonden, maar God wegens zijne gestrengheid aanklagen, en onderwijl zichzelven verontschuldigen, of ook aan hen, die wel eenigszins door hun zonden ontrust, nochtans de weldaad der vergeving om het sterven van Christus verachten, en zich andere middelen ter zaligheid zoeken; — aan deze allen verkondig ik uit den Woorde Gods, dat hunne zonden in den hemel gehouden en gebonden blijven, tot dit hun berouwt, en zij zich bekeeren."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 juni 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 juni 1899

De Heraut | 4 Pagina's