„Js Saul onder de profeten.”
En hij viel bloot neder dienzelven ganschen dag, en den ganschen nacht. Daarom zegt men: s Saul ook onder de profeten? I Sam. 19:24.
Het Oostersche leven verschilt nóg, en verschilde oudtijds nog meer, in die mate van ons Westersch bestaan, dat het inleven in wat de Heilige Schrift verhaalt, vaak een voorstellings vermogen van meer dan gewone sterkte eischt.
Saul onder de profeten, wat wil dit?
En antwoord nu niet: Dit beduidt dat hij tweemaal, eerst te Gibea na zijn zalving tot koning, en later te Najoth, toen hij David vangen wilde, zelf aan het profeteeren sloeg. Zoo toch verschuift ge de moeielijkheid slechts, en duikt deze andere vraag op: Wat is zulk profeteeren?
Toch niet, dat Saul te Gibea en te Najoth datgene deed, waartoe een Hosea, eenjeremia, een Ezechiël waren geroepen. Aan Saul zijn niet de geheimen van het Godsrijk geopenbaard, om die uit te spreken, in schrift te brengen en aan Gods kerk te openbaren.
Van wat Saul profeteerde, hoort ge dan ook niets. Geen wonder. Het had geen belang dit op te teekenen. En zeg nu niet, dat dit kwam, omdat Saul een vijand Gods was, want én ie Gibea én te Najoth voegde Saul zich bij „een vergadering van profeten", die profeteerden, en ook van wat deze spraken, verneemt ge niets.
Al zulk profeteeren was dus niet: een openbaren en voorzeggen van. verborgene dingen. Want dan zou het zijn opgeteekend. En het was ook niet: het houden van boetpredikatiën aan het volk, want er was geen volk bij tegenwoordig. En zoo kan het niet anders geweest zijn, dan een spreken in ontboezemingen, in lofverheflingen, in een geestelijk aangegrepen zijn, waarbij ieder merkte dat niet de man zelf bedacht wat hij sprak, maar dat hij sprak, omdat een geesi in hem hem tot die ontboezemingen dreef.
Het moet een toestand geweest zijn van buitenzichzelf zijn. Een ecstase. Een spreken niet enkel in opwinding en overspanning, maar zóó dat de geest van den man zelf zweeg, en een andere geest hem als instrument gebruikte.
Er staat dan ook uitdrukkelijk bij, dat „de Geest van God op hem was", en dat hij dientengevolge profeteerde.
Dit verschijnsel nu is bij ons zeldzaam. Soms spreekt ook onder ons iemand in zijn droom enkele woorden of roept iets uit waar hij later niets van v/eet. Iets van zulk spreken komt voor op een enkel sterfbed. Meer valt er van te beluisteren bij enkele waanzinnigen. En soms is het waargenomen in tijden van hooge geestelijke opwekking. Het is verwant aan de verheffing waartoe een enkel bezield dichter opklom. En misschien kan men zeggen, dat er bij vrije improvisatie soms oogenblikken waren, dat een bezield, hartstochtelijke spreker buiten zichzelf geraakte. Maar al moge dit alles er meê ver want zijn, het volle, eigenlijke profeteeren, waarvan de Schrift ons bij Saul en anderen meldt, is het niet.
Saul was te Najoth veeleer in booze stemming. Hij kwam om David gevangen te nemen. En toen greep God hem aan, en hij wierp zich op den grond, en trok zijn bovenkleed uit, en daar op den grond liggende, en geheel buiten zichzelf geraakt, lag hij uren lang te spreken.
Een spreken voor ons misschien nog het naast komend aan het ijlend spreken van een zwaar typhus-lijder, die soms uren lang, zelfs met hooge stemverheffing, ijlen kan in woorden, waarvan hij later zich niets herinnert.
Toch put dit den zin nog niet uit van het verwonderend zeggen: Saul onder de profeten! Dit zeggen bedoelt, dat men zulk profeteeren van ieder ander, maar nooit van Saul had verwacht.
Zóó te kunnen, zóó te mogen profeteeren, gold als heilig voorrecht. Honderden jonge mannen van Israël trokken zich uit het maatschappelijk leven terug en woonden bij elkaar in afgelegen oord, soms in hetzelfde huis, om deze gave van het profeteeren deelachtig te worden. Ze onderzochten er de heilige boeken en overleveringen. Ze oefenden zich in muziek en zang, om onder den invloed der tonenwereld te geraken. Ze verzonken in meditatie en contemplatie. Ze zochten hun geest voor deze gave van het profeteeren ontvankelijk te maken, zich op de ecstase voor te bereiden. De één stak den ander aan. En hun triumfen vierden ze, als ze oogenblikken kenden, waarop ze allen saarn door één hooge verrukking werden aangegrepen, en dan saam, en als uit één mond, luid proieteerend den weg konden opgaan.
Maar Saul was een heel ander slag man. Een forsche gestalte. Op-en-top soldaat. Geen man van stille overpeinzing of gevoelsverheffing, maar een brutaal wils-mensch. Juist dus het tegenovergestelde karakter van wat de jonge mannen van de profetenscholen kenmerkte.
En lag hierin het wonder — want een wonder Gods is het — dat deze heel andere man, deze roekelooze man van de daad, op het oogenblik zelf, dat hij met die verrukte jonge mannen in aanraking komt, plotseling omslaat, en als één hunner wordt, ja hen overtreft.
En daarom riep een ieder verbaasd: Hoe, Saul onder de profeten!
Zeer zeker is Sauls oordeel hierdoor zwaard.
Want wel bedoelde deze verrukking die onverhoeds Saul overviel, in de eerste plaats hem te beletten, dat hij David niet gevangennam, maar hiermede is niet genoeg gezegd. Er lag ook in een waarschuwing van Saul, nu die God, tegen wien hij streed, hem zijn macht, zijn macht zelfs over zijn eigen zielsleven toonde. Die macht kan God ons toonen in een wonder buiten ons, maar het sterkst openbaart God die macht, als Hij ons wezen aangrijpt, en toont oppermachtig over ons eigen zielsleven te kunnen beschikken.
God komt Saul hier tegen, houdt hem staande, grijpt hem diep tot in zijn eigen geestelijk wezen aan, Hij dwingt dienzelfden man die God en zijn Gezalfde vloekte, om in prijs en lof voor den God Israels los te barsten, en dit uren lang, zoo dat Saul zelf onmachtig is om het te stuiten. Moest dit dan Saul niet tot staan, niet tot inkeer, niet tot terugkeer van zijn boozen weg hebben gebracht?
En als ge ziet, hoe Saul dan toch voortvaart, om tegen den Gezalfde des Heefen te woeden, is hier dan niet de • verharding, de verstokking, de snelle rijping voor en een ontzaglijke verzwaring van het oordeel ?
In dien vlakken, strengen zin nu is er, gelijk we opmerkten, bij ons geen Saul onder de profeten meer. Onze Westersche natuur is daarop door God niet aangelegd. Bij ons staat ons zelfbewustzijn strenger onder de controle van ons ik. En al komt het voor, dat in droomuitroepen, in koorts-ijlen, in waanzin-geprevel een enkel maal vrome taal zich mengt, — in den regel is dit niet zoo. Uitroepen in droom zijn meestal onsaamhangende klanken, in het ijlen uit de kranke meest dwaasheden, in de wartaal-verrukking de waanzinnige meestal booze, zoo niet demonische gedachten.
Toch zijn er ook onder ons, zij het op zekeren afstand, verwante verschijnselen.
Een anders buiten God levend man wordt in dagen van doodelijke epidemie plotseling door „de ziekte" aangegrepen. Onder dien plotselingen indruk vv'ordt hij klein. Hij worstelt om aan zijn onheiligen levenstoon te ontkomen. Hij vraagt of er nog hope van zaligheid voor hem is. Hij vraagt om een Bijbel., Ge moet hem een Psalmvers voorlezen. Hij zegt en betuigt dingen die ge nooit van die lippen verwacht hadt. Ware hij gestorven, ge zoudt gewaagd hebben van wezenlijke bekeering. Maar zie. God richt hem weer op. Hij komt bij. Hij geneest. Hij wordt weer de oude. En zooals hij weer de oude geworden is, komt ook de oude, onheilige levenstoon terug.
'God is hem tegengekomen, maar hij heeft zich verhard, en het laatste van dezen mensch zal erger dan zijn eerste zijn.
Van de consciëntle-werking ziet ge soms iets soortgelijks.
Dan leeft iemand voor zichzelf tegen zijn consciëntie in, ja, er buitenom. Maar er gebeurt in zijn familie, bij een zijner kennissen een schandelijk iets. Of ook hij leest in de bla-den van een gruwel die plaatsgreep, van een schandaal dat de publieke opinie in onrust houdt. En nu waakt plotseling de consciëntie op. Hij toornt tegen wat geschied is. Hij spreekt als een heihge die, diep over zulk een schanddaad verontwaardigd, zulk een gruwel niet dulden kan, zijn toorn maakt hem welsprekend. En geen prediker zou het krachtiger zeggen kunnen, dan hij het doet.
En toch dat was dezelfde man, die anders, waar het hem zelf gold, zijn consciëntie bijna had toegeschroeid, en zijn ongerechtigheden doorzette, en zijn zonden aanhield, en als zijn vrouv? of zijn kind hem waarschuwden, van geen vermaan weten wilde.
Doch hier, nu het een schande van zijn kind, of een gruwel van zijn broeder, of een ergernis voor het groote publiek geldt, nu is de geest der heiligen opeens vaardig over hem geworden, en krasser dan iemand is hij het die tegen den gruwel getuigt.
God is hem daarin tegengekomen. Maar straks in eigen slingerpaden van zondige hebbelijkheden teruggekeerd, brengt hij diezelfde consciëntie, die nu zoo luid sprak, weer tot zwijgen. En zoo loopt die schoone opwelling ook bij hem, , op verharding, ook bij hem op verstokking'uit'
En ook zijn oordeel is verzwaard.
Bij enkele schrijvers, bij enkele sprekers, bij enkele zangers gedurig hetzelfde verschijnsel.
Van nauw leven voor zichzelven weten ze niet. Voor het oog der wereld houden ze zich rein van grove en groote overtredingen, maar in het kleine kan alles er bij hen meê door.
Van zelfreiniging, van hoogen levensernst, van geestelijke verheffing is in hun eigen leven geen sprake.
Maar nu nemen, ze de pen in de hand om te schrijven, of ze tokkelen de lier voor hun lied, of ze staan als boetpredikers op den kansel, en in schrift, in lied, in woord toornen ze tegen de zonde, spreken of zingen ze van heilige verontwaardiging, er gaat één roep van hen uit voor wat lieflijk is en welluidt, voor wat heilig en verteederend is.
Schrijft, zingt, spreekt zoo dk man 2 vraagt een ieder, die hem van nabij kent. Saul onder de profeten.
En nu, als zulk een niet óók zichzelven predikt of toezingt, en toch toont het zoo goed te weten, en zoo bezield te kunnen zeggen, is dan ook hier geen verharding, geen verstokking, tenzij hij zich bekeert?
Zoo hoort men ouders tegen hun kinderen, onderwijzers tegen hun leerlingen, vrouwen tegen haar dienstboden toornen. Uitnemend, maar als zij aldus toonen de wet Gods te kennen, en vergeten die op hun eigen verleden en eigen leven toe te passen, moet dan ook hier geen verharding volgen ?
Nog dit.
Er zijn kinderen uit vrome geslachten, die de vroomheid hunner ouders aflegden en nu omdolen op paden van ongeloof en afval.
Toch merkt men in gesprekken, bij twist, als ze tegen een vrome iets 'hebben, niet zelden, dat zulk een plaagt met de taal der heilige bestraffing, om zijn tegenstander dieper te treffen. Een blijk dat ze de waarheid kennen. Een teeken dat ze het geweten hebben. Een bewijs dat ze de kracht er nog van gevoelen.
En als ze dan toch volharden in eigen ongele of, leidt dat volharden dan ook bij hen niet to t verharding ?
En is dan ook hier niet waar, wat van Saul zeker is, dat hun oordeel er door wordt verzwaard !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 11 juni 1899
De Heraut | 4 Pagina's