Het aloude Nederlandsche Volkslied.
II.
Het Wilhelmus, het Nederlandsche volkslied bij uitnemendheid — aldus betoogden we in ons vorig artikel.
En toch, ook na de herstelling van het oude vrijheidsHed in de laatste 25 jaren, mag niet ontkend, dat het nog betrekkelijk weinig in Nederlandsche kringen gezongen wordt, en dan nog dikwijls slecht, zoodat zelfs vreemdelingen van ons getuigd hebben, dat wij ons eigen volkslied niet goed kunnen zingen.
Waar ligt dat aan.?
Zeker niet aan de woorden, waardoor het juist als Nederlandsch volkslied door geen ander lied kan overtroffen of vervangen worden. Het verplaatst geheel in den worstelstrijd, waardoor de Nederlandsche natie haar karakter kreeg; het geeft van het begin tot het eind getuigenis van den nauwen band tusschen Nederland en Oranje; het belijdt zoo beslist mogelijk de Souvereiniteit Gods, waaraan vorst en volk onderworpen zijn; het buigt diep voor de volstrekte autoriteit van Gods Woord; het laat duidelijk uitkomen, hoe de vreeze Gods, de eerbied voor de overheid en de liefde voor de vrijheid elkander niet uitsluiten, maar juist aanvullen en versterken.
Is de inhoud alzoo geen bezwaar, maar veeleer voor een Nederlandsch volkslied bij uitnemendheid geschikt, evenmin zou de melodie, ivaarop Marnix van St. Aldegonde het Wilhelmus oorspronkelijk gedicht heeft, een belemmering zijn voor grootere populariteit. Marnix was een te goed dichter en de plaats, die de Wilhelmus-raelodie in onze geschiedenis inneemt, is van te hooge beteekenis, dan dat aan zulk een bezwaar ook maar een oogenblik zou kunnen gedacht worden.
Het is dikwijls niet mogelijk alle oorzaken na te gaan, die tot een of ander eenigszins abnormaal verschijnsel aanleiding gegeven hebben. Maar zeker is er grond voor de bewering, dat het in het vergeetboek raken van de oorspronkelijke melodie en het gebrek aan eenstemmigheid bij de keuze uit de voorhanden melodieën zeer veel tot het niet goed zingen van het Wilhelmus heeft bijgedragen.
Het opsporen en vaststellen van de oorspronkelijke melodie houdt in de laatste jaren vele kundige mannen bezig, die zich op het gebied van de historie onzer muziek een goeden naam verwierven. En het kan zeker den Herant-\& zers niet onverschillig zijn te weten, tot welk resultaat deze heeren bij hun studiën gekomen zijn. Hunne opstellen zien het licht in tijdschriften, die gewoonlijk niet onder de oogen onzer lezers komen, terwijl toch juist het Gereformeerd publiek er belang bij heeft, te weten welke verdienstelijke arbeid er van een anderen kant voor ons Wiihelmuslied verricht wordt.
Het zijn vooral de heeren Dr. A. D. Loman, Florimond van Duyse en J. W. Enschedé, die zich ten opzichte van de Wilhelmus-melodie verdienstelijk hebben gemaakt.
Voor wij overgaan tot enkele mededeelingen omtrent de resultaten van hunne onderzoekingen, wenschen wij eerst, mede aan de hand van hunne artikelen, een kort overzicht te geven van de historie der Wilhelmus-melodie en van den stand der quaestie in 't algemeen.
Op 't oogenblik zijn, allerlei variaties nu daargelaten, onder ons volk bekend twee melodieën, de „nieuwe" en de „oude". De „nieuwe" is bijna twee eeuwen in gebruik geweest, heet ook wel de „Prinsenmarsch" (naar Willem V) en geldt nog altijd bij onze regeering als de officieele melodie.
De geleerden zijn het er over eens, dat deze melodie niet de oorspronkelijke is. Zij is ook niet opzettelijk door iemand uitgedacht, maar het resultaat van een veelvuldige transformatie in den loop der eeuwen.
Ook de geschiedenis der muziek hangt samen met de geschiedenis van de ontwikkeling van een volksleven. Schuld aan die moderniseering van de oude melodie droeg het verval van den volksgeest in de 18e eeuw. De heer Enschedé wijst hierop in een uitvoerige studie, die onder den titel „de melodie van het Wilhelmus" in 1894 in het tijdschrift Otid-Holland het licht zag (blz. 172—190 en 201—233).
Dit verschijnsel, het langzamer zingen der melodie en het aanvullen der daardoor ontstane ruimte tusschen de noten met andere, doet zich bij het Wilhelmus alleen niet voor. Andere liederen uit de i6e eeuw herkomstig moesten in den pruikentijd een deel van hun karakter en van hun glans inboeten; de hervormde psalmmelodieën moesten in die dagen verminkt worden. Ook bij hen werd het tempo allengskens langzamer en werden door den organist tusschen de noten allerlei zoogenaamde aggrementen ingeschoven. Maar mocht bij hen de oude wijs, zij het nietgansch ongeschonden, uit den strijd met het Italiaans-'che element te voorschijn treden, het oude Wilhelmus ging er in ten onder niet alleen, maar werd er zoozeer door overmand, dat geheel onkenbaar daardoor de oude zang aan het einde der i8e eeuw voor ons staat" (t. a. p. blz. 213).
Deze melodie was tot omstreeks 1870 de eenig bekende (enkele kenners van oude muziek nu daargelaten) en geldt nog steeds als de officieele Wilhelmus-melodie.
Bij de Revue op de Renkumerheide in September '98 heeft men Vvel is waar, toen de Koningin de troepen langs reed, de zoogenaamde oude melodie, die van Valerius, gespeeld. Maar in zijn laatste studie, „les origines du Wilhelmus van Nassauwe" in het „Bulletin de la Commission de l'histoire des églises wallonnes" (1899, blz. 341—386), toont de heer Enschedé aan, dat dit eene vergissing is geweest (a. w. blz. 384).
Ongeveer in 1855 heeft koning Willem III last gegeven, dat telken male, als de koning of een der prinsen inspectie hield van het leger, het Wilhelmus moest gespeeld worden. In 1855 nu kende men slechts ééne melodie, de zoogenaamde nieuwe, de „Prinsenmarsch" van Willem V. Het kan dus niet twijfelachtig zijn, welke melodie door dit besluit bedoeld is.
De heer Enschedé deelt verder mede, dat hij van den Minister van Oorlog een mededeeling heeft ontvangen gedateerd 11 Januari 1899, dat de Minister, om soortgelijke verg: ssingen te voorkomen, bevolen heeft, dat men voortaan, bij iedere voorkomende revue, de nienwe melodie zou spelen.
De heer Enschedé is met dit besluit, zoowel als met de melodie zeer ingenomen,
Dit wat de „nieuwe" melodie als melodie aangaat. Gansch anders staat het daarentegen met haar geschikt zijn voor de woorden. De woorden passen zoo weinig bij de nieuwe melodie, dat er herhaaldelijk pogingen zijn aangewend, de woorden naar de melodie te vervormen.
„Het is onmogelijk, " zegt de heer Enschedé {Oud-Holland, 1894, blz. 219), „de oude woorden op de moderne melodie te zingen; het is, zooals HüVGENS dat in 1640 van de Psalmen zeide: „De Toonenluyden dwars onder een, als gevogelte van verscheiden becken. De maten .strijden, als Putemmers, d'een dalende soo veel d'ander rijst."
Welnu, als dit zoo is, dan kan de „nieuwe" melodie voor ons ook niet de zangwijze voor het Wilhelmus zijn, al moge haar muzikale waarde nog zoo hoog staan.
Wij wenschen niet meer of minder dan ons' oude Wilhelmus te zingen op de melodie, waarop Marnix het eenmaal gedicht heeft. En met vreugde zullen wij iedere poging begroeten, die ons hiertoe een stap nader brengt.
De zoogenaamde „oude melodie", die tegenwoordig veel opgang maakt, is ontleend aan de „Gedenckclanck" van Valerius, uitgegeven in 1626. Tot die populariteit heeft veel bijgedragen de door Prof. A. D. Loman in 1871 uitgegeven „Oud-Nederlandsche liederen uit den Nederlandschen Gedenckclanck van Adrianus Valerius", een bloemlezing die ook het Wilhelmus bevatte; verder de prachtige uitvoeringen hier en in 't buitenland door het a-Capella koor van Daniël de Lange; en zeker niet minder de schoonheid en plechtigheid der melodie zelve.
De heer Enschedé heeft in zijn bovengenoemde studie in „Oud-Holland" nog al wat op de Valerius-melodie, vooral als Wihelmus-melodie, aan te merken.
Bij een zeer waardeerende bcoordeeling over Valerius' arbeid voor het Oud-Hollandsche lied in het algemeen:
„Krachtig en prachtig zij, die zangen, welke in forsche woorden het lijden en strijden onzer vaderen tegen Spanje bezingend, dat geslacht van „vrije, vrome en vroede" mannen, in hun handel en wandel, in hun daden en streven daar voor ons doen optreden" (Oud-Holl., 1894, blz. 186), verheelt hij toch niet dat hij tegen Valerius' bewerking dezer liederen ernstige bezwaren heeft:
„Schotel wees er reeds op, dat de woorden der liederen door Valerius beschaafd of liever bedorven zijn. „Dat hij dit niet alleen het Wilhelmus, maar andere liederen gedaan heeft, blijkt uit het volgende voorbeeld, " en hij drukt daartoe naast elkander af het Maximiljanus de Bossu uit het Geuzenliedboek en uit den Gedenck-clanck. Dit feit stemt tot nadenken; indien aan de redactie der woorden gezag onthouden moet worden, mag dan der redactie der melodieën, die twee eng verbonden gemoedsuitingen, vertrouwen geschonken worden ? Het antwoord ligt voor de hand" (t. a. p. blz. 187).
Met nog enkele voorbeelden staaft de heer Enschedé zijne meening en zegt dan verder:
„Door dergelijke principieele wijzigingen ontstond een melodie, welke geen aanspraak meer mag maken op het Wilhelmus en tot op zekere hoogte oorspronkelijk is. Terwijl VALERIUS boven de andere melodieën den naam drukte, waarQpder zij bekend was, kon hij hier niet meer'als stem aangeven: „na de wyse van Chartres" [het oudste opschrift van het Wilhelmus, waarover we in ons slotartikel hopen te spreken], maar gaf haar door „Stemme: Alst begint", als een origineele melodie aan en-c^ plaatste in de „Tafel van de Stemmen ofte /^ Voysen" de melodie onder de „Nederlandsche stemmen."
„Het schetterende, het opgewekte, het fiere karakter van de melodie is geheel verdwenen; verwaterd door Valerius heeft de forsche strijdzang een lyrisch karakter gekregen; onmogelijk is het er op te marcheeren; in één woord het is niet meer de Wilhelmus-melodie (t. a. p. blz. 189).
De melodie van Valerius wordt nog vrij algemeen voor de echte aangezien. Ook in het onlangs verschenen „Liederboek voor Groot-Nederland" verzameld door F. R. Coers Frzn., wordt de melodie van Valerius als „oorspronkelijke melodie" aangeduid.
In een volgend artikel wenschen wij aan
te toonen, welke melodie de heer Enschede voor de echte, althans meest authentieke houdt en eenige der redenen aan te geven, waarmede hij zijn beweren staaft.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 18 juni 1899
De Heraut | 4 Pagina's