Het aloude Nederlandsche Volkslied.
III. (Slot).
De heer Enschedé heeft in 1894 in zijn meer genoemde studie in Oud-Holland een lans gebroken voor de oudste Wilhelmusmelodie, die gevonden is, en die hij, op technisch-muzikale gronden, voor de oorspronkelijke houdt, waarop Marnix ons volkslied gedicht heeft.
De schrijver begint in zijn hoogst interessant artikel ons mede te deelen den oorsprong van die melodie.
Wij danken haar, eigenaardig genoeg, aan een triumfzang door den heftigcn anti-Hugenoot Ckristojle de Bourdeaux gedicht op den mislukten aanslag van den Prins van Condé op Chartres in 1568, met het doel om Parijs in handen der Hugenoten te spelen en waarvan het eerste couplet aldus luidt:
O la folie entreprise Du prince de Condé! A Chartres la jolie 11 a voulu entrer; C'est a luy grand folie. 11 n'y entrera pas: Les bons soldatz de France Ne Ie soufriront pas.
De Paltsgraaf Jan Casimir, die met zijne troepen het mislukte beleg van Chartres had meegemaakt, begaf zich naar Duisburg om den Prins van Oranje zijn krijgsbcnde aan „Als ik nu in dat tempo het lied van 1607 hoor, " zegt de heer Enschedé, „dan wordt het mij duidelijk hoe het oude Wilhelmus, niet met het ziekelijke en fletse karakter, dat de Gedenckclanck te zien geeft, een soldatenlied, een Reuterliedlein en een trompetdeuntje geweest is, „'t welck het volck sulcken coragie gaf, datse wel gewilt hadden airede mette [vijand] doende te wezen, " hoe onder zijn fiere klanken de Hollanders in 1610 te Jeddo binnentrokken, hoe zijn toonen alleen in 1624 de Spanjaarden „met tenen panico terror e ofte vreese bevangen, " te Ede verjaagd kan hebben, hoe in 1626 schipper DiRCK ScHAEY, onder het heimelijk vervoeren van den Spaanschen penningmeester Martijn Cornet, bij het voorbijvaren Wezel met het trompetgeklanck, „zijnde het oude liedeken Wilhelmus vcmrNassauwcn & c" begroette en hoe de Staatschen in 1629 onder het trompetgeschal van het Wilhelmus het overrompelde Wezel in bezit namen. In het lied lag een toekomst en het heeft aan die verwachting glansrijk beantwoord."
Eén der bewijzen voor zijn meening vindt de geachte schrijver verder in de overeenkomst tusschcn den gang der melodie en de woorden van het eerste couplet.
„Wilhelmus van Nassouwe ben ick, Den Vader lant getrouwe blijf ick. Een Prince van Oraengiën ben ick", hoe innig sluit zich daar die heroïsche melodie met haar hoekige en kantige vormen bij aan. En wanneer daarop de dichter een andere snaar aanslaat en den Prins laat zeggen: „Den Coninck van Hispaengiën heb ick altijt geëert" en hem daarmede zijn gehoorzaamheid aan zijn wettigen heer laat betuigen, de melodie volgt de gedachte op den voet door den overgang van de twee-in de driedeelige maat; weeker en zachter in uitdrukking blijft haar karakter in overeenstemming met de woorden. Hoe fier klinkt daar het „Een Prince van Oraengiën ben ick" op de viermaal herhaalde hoogste noot der melodie! Waarlijk, een dichter, die zich zoo voortreffelijk wist aan te sluiten te bieden. En nu acht de heer PInschedé het niet onmogelijk dat onder deze soldaten het spotlied van Christojle de Bourdeaux bekend is geweest. Zoo zou dan Marnix met de melodie bekend zijn geraakt en er zijn Wilhelmus van Nassouwe op gedicht hebben.
Over de herkomst van de Wilhelmusmelodie is veel gestreden. „Na de wijze van Chartres" ging gemakkelijk over in „Na de wijze van Charles", waardoor zelfs Karel V en Karel IX in den strijd om het auteurschap betrokken werden.
Ook Van Vloten achtte „Charles" den juisten tekst en meende dat de naam stellig op Karel V doelde.
De bovengenoemde Florimond van Duyse is zoo gelukkig geweest de quaestic tot een oplossing te brengen.
„Aan FLORIMOND VAN DUVSE komt de eer toe ontdekt te hebben waar de herkomst van ons lied te vinden is. Hij toch vond in het Fransch Katholieke zangboekje: „La pievse alovette avec son tire lire" een melodie, onmiskenbaar identiek met de oude ^^'ilhelmus•vvijs „sur l'air mondain":
A la folk entreprise Du prince de Condé
en wees aan de hand van LE RO'JX DE LINCY aan, dat dit lied geen ander is, als het reeds genoemde gedicht van CHRISTOFLK UE BOUR DEAUX op het beleg van Chartres door CONDÉ" {Oud-Holland 1894, blz. 17S).
De gevonden melodie luidt als volgt: bij de hem voorgelegde zang moet een „aller Fyrtaeus"') geweest zijn" (t. a. p. blz. 21S).
Maar niet alleen in het eerste couplet treft ons die schoone samenhang tusschen den zin der woorden en den gang der melodie. Reeds dadelijk in het tweede couplet verheft de gedachte zich eveneens bij den vijfden regel: „Maar God zal mij regeeren". Zoo ook in het vijfde couplet: „Voor Godes Woort gepreesen, " en in het achtste: „Maar Godt heeft hem verheven; " niet minder is de overgang merkbaar in het schoone „Soo het den wil des Heeren", waar de dichter bij den vijfden regel 't oog omhoog .slaat: „Maar de Heer van hier boven". Ook in de beide laatste coupletten is de overgang sprekend.
Evenzoo zouden wij kunnen wijzen op het gewoonlijk weekere karakter der beide laatste regels.
„Die Tyranny verdrijven Die mij mijn hert doorwondt."
„Als ick daaraen gedenckc Mijn edel hart dat bloet."
„Als vrome Christen leven 't Sal hier haest zijn ghedacn."
Prof. A. D. Loman kan den heer Enschedé evenwel geen gelijk geven en verdedigt in zijn opstel over „de melodie van het Wilhelmus" (Tijdschrift der Vereeniging voor Noord-Nederlands Miiziekgeschiedenis, Deel V, 1895, blz. 46—Ti) de Valerius-melodie tegen den aanval van den heer Enschedé en blijft haar de voorkeur geven boven de melodie van 1607, „welke wel is waar grooter gelijkmatigheid
1) Een beroemd dichter der oudheid, die de Spartanen door zijn bezielde krijgsliederen in geestdrift bracht.
van rhythtnus vertoont, maar daarentegen de eigenaardige frischheid en ongedwongen opgewektheid van de Valerius-melodie ten eenenmale mist. .. Met deze apologie bedoelen wij geenszins van deze zangwijs te beweren, dat zij de eenige, volstrekt echte Wilhelmus-melodie zou zijn" (a. w. biz. i6o).
Geheel buiten de melodie-quaestie om maakt Prof. Loman een opmerking die wel de moeite waard is onder de oogcn van het Heraui-lezend publiek gebracht te worden. Hij maakt zich nl.: (t. a. p. blz. 64).
„geen illusie omtrent de toekomstige populariteit van het oude Wilhelmus, dat wegens tekst en zangwijs te ver zich verwijdert van 't geen in onzen tijd een Nederlandsch volkslied behoort eigen te zijn. Daargelaten of het een gelukkige greep van den dichter mag heeten, den held van zijn lied een beroep te laten doen op diens eerbiedige en loyale gezindheid jegens den Spaanschen monarch, van onze tijdgenooten kunnen wij niet meer verwachten, dat zij met genoegen, laat staan met geestdrift als in naam van den grooten Zwijger zullen zingen:
„Den koning van Hispanje Heb ik altijd geëerd."
liet schijnt, dat het volk in dit opzicht ruimer van blik en dieper van opvatting is dan Prof. Loman, die zich aan de letter houdt, zich voorstelt. Een volk, in zijn historie thuis, zal bij het zingen van het Wilhelmus onderscheid weten te maken tusschen den tijdelijken vorm en de diepe, altijd geldende gedachte, die in dien vorm naar buiten treedt. Het geldt hier niet het al of niet eeren van den koning van Spanje, maar het erkennen en eerbiedigen van den drager van het souverein gezag.
Bij de psalmen en bij zoovele hoofdstukken uit het Oude Testament doet zich dezelfde quaestie voor. Als wij zingen : „De lofzang klimt uit Sions zalen", „Jeruzalem, dat ik bemin, wij treden uwe poorten in" of „Hoe branden mijn genegenheên, om 's Heeren voorhof in te treên, " dan denken wij immers ook niet aan de7i berg Sion, aan de stad Jeruzalem of aan het voorhof, dat niet meer bestaat. Maar misschien is het voor de Gereformeerden, van kindsbeen gewend aan het zingen hunner geestelijke lofliederen in den symbolischen vorm van het Oude Verbond, gemakkelijker de onderscheiding te maken tusschen het accidenteele in den vorm en het essentieele in het wezen, dan voor het meer ontwikkeld deel onzer natie. Althans wij durven wel verzekeren, dat in Calvinistische kringen, ook de door Prof. Loman gewraakte woorden met „genoegen en geestdrift" gezongen worden. En wat de „toekomstige populariteit" betreft —zoolanger nog Calvinisten in Holland zijn, zal de „marseillaise van het Calvinisme", gelijk Dr. Kuyper het Wilhelmus in Amerika noemde, op Neêrlands bodem als volkslied gezongen worden.
De heer Florimond van Duyse kan den heer Enschedé wel in menig opzicht, maar toch niet onvoorwaardelijk gelijk geven. In zijn artikel „Het Wilhelmus-lied uit een muzikaal oogpunt beschouwd" (eveneens verschenen in het Tijdschrift der Ver. voor N. N. Muziekgesch., (Deel V, 1897, blz. 153—190) spreekt hij met ingenomenheid over 's heeren Enschedé's studie in Oud-Holland. Ook hij neemt een critisch standpunt in tegenover Valerius' bewerking. „Valerius veranderde den tekst, de versmaat, de notatie en diensvolgens de melodie" (a. w. blz. 168).
En over de melodie van 1607 sprekende, zegt hij: „Ilier hebben wij met betrekking tot den tekst eene onberispelijke, tamelijk goed genoteerde melodie" (a. w. blz. 163). Evenwel acht hij haar „niet van droogheid vrij te pleiten" en over 't algemeen „meer voor de trompet dan voor de stem geschikt" (a. w. blz. 164 en 189).
En al durft de heer Van Duyse geen bepaalde keuze doen: „devine si tu peux, et choisis si tu l'oses" (a. w. blz. 186), de evenaar slaat bij hem door ten gunste van de Valerius-melodie, zooals die, eenigszins gewijzigd, in 1892 door hetn is uitgegeven {Nederl. Museum en Nederl. liederboek van het Willevis-Fonds).
In hetzelfde deel van dit tijdschrift handhaaft evenwel de heer Enschedé in zijn artikel „De Wilhelmus-melodie in de Gedenck-clank van Valerius" (blz. 100-128) in hoofdzaak zijn oordeel over de Valerius-melodie en over de noteering van 1607.
„In weerwil van de argumenten door Prof Loman voor de echtheid van de Valerius-melodie opgeworpen, blijf ik toch nog altijd van meening, dat de Duitsche notccring van 1607 voor de juiste lezing gehouden zal moeten worden" (t. a. p. blz. 115).
Wederom wijst hij op „de volkomen overeenstemming in karakter, die er bestaat tusschen de melodie en het eerste couplet van het Wilhelmus" en resumeert zijn verdediging in de woorden: „Hiermede meen ik opnieuw de grootere authenticiteit van de melodie van 1607 boven de Valeriusmelodie naar behooren in het licht gesteld te hebben en bij mijn toehchting overal rekening gehouden te hebben met de scherpzinnige bezwaren door Prof Loman tegen mijn meening in het midden gebracht" (t. a. p. blz. 123). Hij blijft er bij, dat „de Valerius-noteering een zeer sterk verminkte lezing van het Wilhelmus is, " en zijn „overtuiging is nog geenszins aan het wankelen geraakt, om, zoolang geen andere bronnen gevonden zijn, de Duitsche noteering van 1607, als de juiste redactie van het oude Wilhelmus aan te zien, " (t. a, p. blz. 127). Evenwel durft hij het populariseeren van geen der oude Wilhelmus-melodieën aan te raden.
J-W. Enschedé schrijft (Tijdschr. enz. Dl-V. 1896, blz. 128) over „de practische waarde van de Valeriu.s-melodie", dat „een progaganda in een m. i. verkeerde richting hoe eerder hoe beter gestaakt moet worden."
Ook in de laatste studie, die de heer Enschede aan dit onderwerp gewijd heeft, blijft nog altijd zijn conclusie (Bulletin, enz., 1899): „La melodie de Valerius n'e.st qu' une mutilation" (blz. 385); „cette ancienne melodie n' a de valeur qu'au point de vue de l'histoire des transformations du Wilhelmus" (blz. 384). En: les vers s'adaptent au rythme de la melodie de 1607, mais nullement a celui de la melodie moderne" (blz. 385).
De quaestie is dus nog verre van opgelost, en wij zullen ons, onbevoegd als wij zijn tot oordeelen op dit punt, wel wachten een poging te wagen tot oplossing van dit moeilijk en uiterst gewichtig vraagstuk.
Het ligt dan ook geenszins in onze bedoeling voor onze Calvinistische kringen — die zeker bij het Wilheimus-zingende deel der natie een eerste plaats innemen — de eene of de andere melodie aan te raden. Maar waar thans bijna algemeen de zoogenaamde oude melodie (die van Valerius) gezongen wordt, alsof zij de echte en oorspronkelijke was, kan het zeker zijn nut hebben uit den mond van allen, die de zaak onderzocht hebben, te vernemen dat dit volstrekt niet het geval is. En de beschouwingen van den heer Enschedé zijn zeker belangrijk genoeg om ze in hoofdzaak onder de oogen onzer lezers te brengen. In ieder geval zal men er prijs op stellen kennis te maken met de melodie van 1607.
Heeft de heer Enschedé gelijk, en mag dus de melodie van 1607 de meeste aanspraak maken op authenticiteit — dan is de voorspelling zeker niet te gewaagd, dat in Calvinistische kringen aan deze Wilhelmus-melodie de voorkeur geschonken zal worden boven elke andere, ook boven die van Valerius, al zou deze op zichzelf, uit een zuiver muzikaal oogpunt en buiten verband met de woorden, de voorkeur verdienen.
De tijd zal het leeren en intusschen slaan wij met dankbaarheid en levendige belangstelling den arbeid gade, dien de kenners onzer oude muziek aan de herstelling der oorspronkelijke Wilhelmus-melodie ten koste leggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 25 juni 1899
De Heraut | 4 Pagina's