Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen.

8 minuten leestijd

TOT NADENKEN.

II.

Op een morgen toen de gevangenbewaarder, een vriendelijk, goedhartig man, de cel van den graaf binnentrad, vond hij dezen nog te bed liggende. De graaf was namelijk ongesteld en wel ernstig, waarschijnlijk tengevolge van het eenzame, droeve leven dat hij leidde. De be waarder trachtte hem op te beuren. Doch een verslagen geest, zegt Salomo, doet men dit niet gemakkelijk.

De dokter kwam en zette een bedenkelijk gezicht. Niet juist wijl hij de ziekte zoo ernstig vond, maar omdat er in heel de apotheek geen geneesmiddel tegen was. Want het beste middel dat hier te geven viel heette vrijheid, en dat kon de dokter den graaf natuurlijk niet voorschrijven. De geneesheer was verstandig genoeg om dat niet aan den zieke alles zoo te vertellen, maar hij sprak er over met den bewaarder, en deze vertelde toen weder wat wij den lezer reeds van de bloem en haar kweeker verhaald hebben.

„'t Is jammer, heel jammer van dien man, " sprak de geneesheer, „dat hij zoo dwaas gedaan heeft, 't Is volstrekt geen slecht mensch; hij is zachtzinnig, knap, vriendelijk, en men kon hem gerust loslaten."

„Ten minste, van samenspanningen tegen den keizer heeft bij volkomen genoeg."

„Ik geloof 't ook, " was het antwoord, „en daarom bezorg den zieke zooveel atleidmg als gij moogt en kunt. Dat is nog het beste wat we hem doen kunnen. Zeg hem, hoe het met zijn bloem staat."

„Dat doe ik trouw, maar wat zal men nu van zoo'n plantje eiken dag vertellen? "

De dokter vertrok, en de bewaarder liep, nog in gedachten over 't pas besprokene, de plaats op. Onwillekeurig keek hij naar de plant en zie, er was een bloempje uitgekomen! Dat moest hij den gevangene toch even vertellen, hem die zoo telkens vroeg of de plant al grooter werd, of zij bloeide, of er nog geen bloemen kwamen. Hij haastte zich naar den zieke en trad de cel binnen met de woorden: „Zij bloeit, mijnheer de graaf, zij bloeit!"

De graaf van Charney lag te sluimeren. Doch zoo hoorde hij niet die woorden, of hij richtte zich op en riep uit:

„Wat zegt gij? Bloeit Picciola? "

„Ja zeker, en mooi ook; dat verzeker ik u." Dien nacht sliep de graaf heel weinig, en toch hinderde het hem niet. Hoe wonderlijk het schijne, hij gevoelde zich gelukkig bij de gedachte aan zijn „lieve kleine, " die nu in 'volle schoonheid prijken zou. Zoodra de morgen aanbrak poogde hij zich 'in zijn bed op te richten, teneinde, zoo mogelijk, zijn geliefde kleine te zien, doch vergeefs. Hij was te zwak.

Een poos later trad de bewaarder binnen.

„Zoudt ge mij willen helpen om op te staan ? " vroeg de graaf; „ik zou zoo graag mijn bloem j^^gens zien."

De bewaarder ondersteunde den zieke, terwijl deze met zachte, wankelende schreden naar het venster ging. Hoe verrukt stond de gevangene, toen hij daar zijn plantje aanschouwde. Wat was het groot gewoiden en sterk! Hoe heerlijk hadden zich de bloemen ontwikkeld, 't Was een lust het te aanschouwen. De graaf kon er de oogen niet afhouden. Toen de bewaarder was vertrokken bleef de gevangene, zich vasthoudend aan het venster, nog een poosje staan, doch de zwakte dwong hem zich neder te zetten en weer te gaan rusten. Maar 't scheen wel, dat het heerlijk en bloeiend leven van zijn geliefde plant, ook den gevangene rnet nieuw leven bezielde. Althans van dien dag af v/erd hij werkelijk beter, en sterkte spoedig zoozeer aan, dat hij weer naar buiten mocht.

Welk een vreugd was 't voor hem zijn plantje, dat gelukkig telkens nieuwe bloemen voortbracht, weer van nabij te mogen zien en weer te verzorgen als eerst. Nooit had hij vroeger kunnen denken, dat een enkele plant, een bloem gelijk hij er zoovele soms in 't wild had zien groeien, een menschenhart zooveel vreugd bereiden, zooveel belangstelling instorten kon.

Zoo ging het dagen achtereen, tot eindelijk de plant tal van bloemen tegelijk droeg, die een sierlijke kroon vormden, en een heerlijken geur rondom zich verspreidden. Ook de bewaarder en zijn gezin vonden er genoegen in de bloem te beschouwen, den eenigen troost van de armen gevangene. En al mochten ze niet veel met hem spreken, ook met enkele woorden wisten ze hem wel te beduiden, hoe zij in zijn lot deelden, en zich met hem verblijdden over de plant, die hoe gering ook in zich zelf toch een wijs man in de ellende nog tot troost en vreugde was.

Op zekeren dag had de graaf uren lang stil gestaan bij zijn bloem, die er nu waarlijk prachtig uitzag, toen hij, in zijn cel teruggekeerd, in diepe gedachten verzonk. Hij was steeds een tamelijk koel mensch geweest, volstrekt niet gevoelig. Doch thans bespeurde hij in zich iets, dat hij dusver bijna niet gekend had en 't welk zijn levensbeschrijver noemt „een zachte gemoedsaandoening die hem vroeger vreemd was." 't V/as echter nog iets anders en beters ook.

Wel een half uur zat de graaf peinzend neder. Toen richtte hij 't hoofd op en deed met luider stem zich zelf een vraag, of liever een rij van vragen:

Waartoe dient zulk een bloem, haar geur, haar bloemenpracht? Heeft zij er zelf iets aan? Neen. Want zij leeft wel, maar weet het niet. Hebben dan de dieren er genot van? Ook niet, want wie heeft ooit gezien, dat een sehaap of een hond bij een roos bleei staan om de schoone kleur te bewonderen of den geur op te snuiven? Dus hebben alleen de mcnschai iets aan de bloemen; de menschen hebben - er 't genot van. Maar waartoe? Om de bloemen lief te hebben ? Ja, goed, maar dat kan toch de hoofdzaak niet zijn. Want wat weet de bloem er van of we haar kweeken of vertrappen, liefhebben dan wel haten?

En weer verzonk de graaf in diep gepeins.

Nu zult ge misschien zeggen, vrienden, dat het toch zeer begrijpelijke dingen waren, waarover deze graaf zoo lang dacht. Maar hoc zeer dit waar is, zouden er toch, geloof ik, duizenden te vinden zijn, die op al dergelijke dingen zelfs nooit letten en weer anderen die zeggen: Daar breek ik mijn hoofd_ niet mee. Daarbij moeten we wel verstaan, dat de mensch die buiten God en zijn Woord leeft, gelijk ook de graaf van Charuey, blind is voor veel, dat het Woord Gods ons die dit AVoord gedurig lezen, daardoor openbaart of ons doet verstaan, al staat het er niet uitdrukkelijk in.

Dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, verstaan wij zegt de apostel, door het geloof, namelijk het geloof in Jezus Christus, zooals de apostel dat predikte. En nu is het openbaar, dat alle ongeloovigen saam nog nooit verstaan hebben hoe de wereld is toebereid, al spotten ze ook met hen, die 't weten door het geloof. Wij die het Woord Gods hebben, zien bij het licht van dat Woord zeer veel, dat wie in zijn eigen licht wandelt niet onderscheidt. Zoo was 't ook hier, en daarom is 't niet te verwonderen dat de graaf nu zoo diep nadacht over blijkbaar eenvoudige dingen. Want het werd thans de vraag voor hem: Wat zeggen u al de werken der natuur, wat beduidt voor u als mensch al haar schoonheid en heerlijkheid.

AAN VRAGERS.

D. S. te G. De waarde van diamant wordt bepaald naar 't gewicht, dat berekend wordt volgens het Indische karaat, dat nu op 0.205 gram wordt gesteld. Een karaat heldere diamant kost tusschen de ƒ 120 en / 180, dus b.v. ƒ 150. Meen nu echter niet, dat een steen van 2 karaten nu ook 2 X / 150 kost. Neen, dat klimt op naar het vierkant of de tweede macht van het gewicht, zoodat een diamant van 2 ka raat het viervoudige en een van 3 karaat het negenvoud kost van wat voor i karaat wordt betaald (want 2 X 2 = 4. 3 X 3 = 9, en dit zijn de vierkanten der getallen).

Doch deze rekening gaat volstrekt niet altijd op. Hoeveel b.v. op deze manier een diamant van 20 karaat zou kosten moet ge maar eens uitrekenen! Doch weinig menschen hebben lust en vermogen om zulke sommen te betalen. Bij de edelgesteenten wordt veelal betaald naar dat er „liefhebberij" voor is, naar de mode en de smaak zijn, naar de hoop bestaat om winst te maken enz. Ge ziet dus, men kan maar niet een diamant van zooveel gulden bestellen, of de meid naar den winkel sturen om er eventjes een te halen. Dezelfde steen brengt het eene jaar duizenden meer of minder op dan het andere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 juni 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 juni 1899

De Heraut | 4 Pagina's