INGEZONDEN STUKKEN.
{Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie).
Geachte Eedactie.'
In de Gr on. Kerkbode No. 37 komt een artikel voor van Ds. Bos te Bedum, getiteld: „Terugblik op de Gen. Synode." Schrijver geeft daarin zijn indruk van de Synode weer, gelijk hij zegt.
Hij had dit er echter niet bij behoeven te voegen, want Ds. Bos staat in zijn gunstig oordeel over de te Groningen gehouden Synode schier geheel alleen.
We zouden op dit stuk dan ook niet terugkomen, ware het niet, dat de schrijver zich schuldig maakte aan eene onware voorstelling van de zaak der opleiding tot den dienst des Woords.
Ds. Bos doet het n.l. voorkomen, alsof in deze quaestie eenerzijds staan de kerken, en anderzijds de „Vereeniging voor Hooger Onderwijs." Met evenveel woorden zegt hij: „Prof. Bavinck had aangaande de opleiding een grootsch en edelmoedig plan ontworpen, doch eer nog de Synode samenkwam, was dat voorstel feitelijk door de eene partij, door de „Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag, " reeds afgewezen, en de kerken achtten het daarom een onbegonnen werk en eene ijdele poging, op dat voorstel verder in te gaan."
Zulk schrijven nu is ergerlijk. Of heeft dan Dr. A. Kuyper niet duidelijk aangetoond inde Heraut van 4 Juni 1899, dat wij in de opleidingszaak niet te doen hebben met de kerken eenerzijds, die alle seminarieeleG^fAÜvsxgzoMAfD willen, en de „Vereeniging voor Hooger Onderwijs" anderzijds, die universitaire opleiding wil, maar met twee kerkengroepen, ongeveer gelijk in sterkte, waarvan de eene groep meer voor de Theologische School is en de andere voor de Vrije Universiteit, met een geschil in den boezem der kerken dus. Ook Prof. Rutgers heeft dit duidelijk laten uitkomen op de Synode zelve. Noch in de Heraut, noch op de Groninger Synode is deze voorstelling door de Proff. Kuyper en Rutgers van de zaak gegeven, ook maar door iemand tegengesproken.
En nu toch maar te schrijven, zooals Ds. Bos schrijft, dat is ergerlijk.
Het is ook aan Ds. Bos volstrekt niet onbekend, dat in die kerkengroep, welke uit de reformatie van '34 is voortgekomen, tal van leden zijn, die hun meening aangaande de opleiding volkomen vinden uitgedrukt in de bro chure-Brummelkamp, die van de Kamperschool zoo juist zegt, dat wij haar als noodhulp dankbaar hebben aanvaard, maar nu verreweg de voorkeur geven aan de Vrije Universiteit, ons in Gods gunst geschonken.
Al het andere in het artikel van Ds. Bos laten wij voor wat het is, maar deze öwwar* voorstelling van zaken door Ds. Bos gegeven mogen we niet laten passeeren.
Zij grieft mij en velen tot mij te diep, dan dat we hiertegen ons protest niet zouden doen hooren.
R. HUIZENGA.
Appingedam, 19 Sept. '99.
Wordt in Openb. I: loa bedoeld de dag des oordeels of de eerste dag der week?
Met verwondering las schrijver dezes in het ^^ra«/-nuramer van 24 Sept. het ingezonden stuk van D. V., met het opschrift: De Dag des Heeren, " niet zoozeer om het gevoelen, daarin Verdedigd, dat de apostel Johannes in Openb. I : 10a schrijvende: Ik was in den geest op den dag des Heeren, " daarmede heeft willen zeggen, dat hij in den geest verplaatst is geweest in den dag des oordeels. Dat dit gevoelen door de Zevende-dags-Baptisten wordt voorgestaan, alsook door enkele godgeleerden als Wetstein e. a. is bekend. Doch wat verwondering wekte, was de stelligheid, waarmede dit gevoelen door D. V. wordt uitgesproken, als stond het vast, boven alle bedenking verheven en zijne scherpe waarschuwing aan elk, die deze Schriftuurplaats anders verklaart.
Een oordeel, dat niet alleen de schrijvers van onze kantteekeningen treft, maar ook zoovele uitnemende godgeleerden, Perkins e. a., die Openb. I : 10a hebben verklaard van een op buitengewone wijze in den geest zijn op den eersten dag der week, „de dag des Heeren" genaamd, omdat Christus op dien dag is opgestaan .van de dooden, en omdat de dienst des Heeren aireede op dien tijd van de Christenen, in plaats van den Sabbat werd gepleegd Op dien dag dan, die tot den godsdienst was geheiligd, is Johannes, met heilige bedenkingen bezig zijnde, omdat hij in eene plaats was, waar alsdan nog geene vergaderingen schijnen geweest te zijn, deze openbaring geschied." (Kantt.) Ongetwijfeld wordt op tal van plaatsen in de Heilige Schrift, met de uitdrukking: e dag des Heeren, of: e dag van Christus heengewezen op een bij den Heere bepaalden dag, waarin Hij deze of gene zijner vijanden zal oordeelen, ja meermalen op den grooten dag van het eindoordeel; en met grooten nadruk vermaand tot waakzaamheid en aanhoudend gebed en nuchterheid, tot een getrouw, volijverig bezig zijn in zijne roeping, met het oog op dien dag.
Dat evenwel ook in Openb. i : loa onder „de dag des Heeren" „de dag des oordeels" moet worden verstaan, schijnt niet aannemelijk. En wel, om de volgende redenen:
1. Wordt in Openb. i : 10 in de grondtaal eene andere uitdrukking gebezigd, dan op die plaatsen in de Heilige Schrift, waar „de dag des Heeren" „de dag des oordeels" beteekent. Een bijvoegelijk naamwoord, dat slechts een paar maal in de Heilige Schrift voorkomt en aanduidt den dag, die met den Heere Christus in eene bijzondere betrekking staat. Een woord, hè kuriakè, dat in het spraakgebruik van de Christenen der eerste eeuwen is overgegaan en waarmede zij den eersten dag der week plachten aan te duiden.
2. Kenners van de taal, in welke het Nieuwe Testament is geschreven, hebben er op gewezen, hoe de aposte', zoo hij had willen zeggen, dat hij in den geest is verplaatst geworden in den dag des oordeels, een ander woord zou hebben gebezigd dan het „egenomèn, " in onze taal overgezet door: ik was, en wel zulk een vorm van hetzelfde werkwoord, die uitdrukt een verandering van plaats of toestand, een overgebracht worden in een anderen tijd. Terwijl het woord, dat de apostel nu bezigt niet te kennen geeft: een overgebracht worden meer of minder plotseling, maar een zich bevonden hebben in een of anderen tijd of toestand. Hetgeen pleit voor de verklaring, dat hij in den geest geweest is op den eersten dag der week.
3. Uit het schrijven van D. V. schijnt te volgen, dat het laatste bijbelboek of althans het gezicht in Openb. r beschreven, uitsluitend handelt over het eindoordeel. Doch eerst in het laatste gedeelte van de Openbaringen van Johannes wordt het eindoordeel beschreven^ in de voorafgaande Hoofdstukken wordt ons het verloop van de geschiedenis der kerke Gods op aarde, in enkele tafereelen saamgevat, te aanschouwen gegeven, van Johannes' dagen af tot aan de wederkomst des Heeren toe.
In elk geval was het gezicht, dat Johannes ontving en dat hij in het iste Hoofdstuk beschrijft, geen gezicht van den dag des oordeels, maar van den Verheerlijkten Christus in Zijne Heerlijkheid als Hoogepriester en Koning en Leeraar Zijner kerk, haar regeerende, staande houdende en verzorgende, in voortdurende levendige betrekking tot haar; zij, geheel van Hem afhangende. Zoo ziet Johannes Hem in den geest, de zeven sterren in Zijne rechterhand houdende en wandelende in het midden der zeven gouden Kandelaren. Het is dus een gezicht van den Christus en Zijne werkzaamheid, gedurende het leven Zijner kerk hier op aarde. Wat verhindert ons te gelooven, dat de Apostel, om zijn getrouw getuigenis verbannen naar het eiland Patmos, toen de dag des Heeren, de eerste dag der weke kwam, op welken zijne geliefde gemeente placht samen te komen, onder het Woord en het Sacrament, thans verre van haar gescheiden, in zijne eenzaamheid in geestelijke overdenkingen verkeerd heeft, en toen op dien geheiligden dag hem het gezicht is geschonken van de Heerlijkheid van Zijn verhoogden Heere in de hemelen, en dat hij geweten heeft, verstaan te zullen worden, toen hij schreef: „ik was in den geest op den dag des Heeren."
V. K.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1899
De Heraut | 2 Pagina's