Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De Zending op de Synode

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Zending op de Synode

15 minuten leestijd

De zaak de" Zending kwam voor de Groninger Synode in geheel andere gedaante dan vroeger.

Er waren te Middelburg eenige hoeksteenen vastgelegd, die strekten, om de Zending der kerken meer in overeenstemming te brengen met de architectoniek van onze belijdenis en van ons kerkrecht. Het vermoeden, dat op die wijs de belangstelling in de zaak der Zending, slinken zou, was daarna in die drie jaren, die sinds verliepen, niet bewaarheid. Integendeel, al sprak het vanzelf, dat op de puinhoopen die men vond, niet opeens met kracht viel voort te bouwen, toch mag getuigd, dat de overtuiging van het plichtmatige der Zending veld won, en dat de offerande voor de Zending eer toe-dan afnam.

Bleef nog alleen de vraag, of men nu reeds over kon gaan tot vastere ineenzetting van geheel dezen arbeid, ofte wel, dat het verkieslijk ware, thans nog alleen een voorloopig spoor te leggen, en op dit spoor drie jaren lang proeftochten te houden.

Een ingediend concept bedoelde het eerste, de Synode besloot tot het laatste. Wat ten deze het beste was, is een dier twijfelwekkende problemen, waar men, bij gebrek van gegevens, altoos sceptisch tegenover staat.

Eerst over eenige jaren zullen we in onze Indien zulk een tal van uitgezonden Dienaren bezitten, dat ze op Java zelven een krachtig college zullen kunnen vormen, en eerst nog vele jaren daarna zullen de uitgezonden Dienaren genoegzaam in Indische toestanden zijn ingeleefd, om welgewikte en weigerij pte adviezen te kumien geven.

Van uit Nederland de Zending te regeeren, gelijk het vroegere systeem wel moest medebrengen, zal steeds meer ondoenlijk blijken, maar zoolang de kracht in Indië nog zoo klein is, is zekere vaste leiding van hier uit toch onmisbaar.

Voor deze leiding was dan ook een concept ingediend, vooral strekkende, om te voorkomen dat de ééne kerk in botsing met de andere zou kunnen geraken, en voorts om de eenheid van ons werk tegenover de Overheid op vasten voet te regelen.

Maar natuurlijk, deze concept-regeling kon zich nog niet baseeren op de practijk van het verleden, want het uitzenden van Dienaren des Woords begint pas.

Naast Ds. Adriaanse, zal nu eerlang Ds. Wijers, en naast hem weer Ds. Backer optreden. Ook Soerabaya en Djogja zullen eerlang wel voorzien worden.

Dan eerst zal men een vijftal Dienaren op Java hebben, en zij zullen ons van hun bevinding kunnen verhalen.

Er was dus veel voor te zeggen, om alle vastere regeling voorshands nog uit te stellen, en af te wachten wat de ervaring leeren en raden zou.

leeren en raden zou. Bovendien bood deze wijze van doen het groote voordeel, dat de voorstanders van het vroegere systeem, die anders licht tot voortzetting van hun oppositie waren ver­ leid geworden, thans de twee hoofdbeginselen: i". uitzending door een kerk en 2". uitzending van Dienaren, van heeler harte aanvaarden konden, en in het weer optreden van tien provinciale Deputaten een concessie aan hun sympathieën zagen.

Vooral uit dit laatste oogpunt juichen we het Synodaal besluit toe.

Er moeten onder ons geen overwinnaars en overwonnenen zijn. Als broeders saam moeten we de schouders onder den heiligen arbeid zetten. En nu de twee hoofdbeginselen maar in veiligheid zijn gebracht, doet het ons waarlijk genoegen, dat de afwijkende broederen in deze concessie een soort zoen zagen, die hen bewegen kon, om weer con amor e met ons saam te werken. Zoo behoort het onder broederen. Elk wegvallen van aanleiding tot stekelachtige penneprikken is winste voor dat heilig karakter, dat alle arbeid op het stuk der Zending dragen moet.

We hopen nu maar dat Soerabaya onverwijld zal geholpen worden, en dat Amsterdam door zal tasten.

Amsterdam heeft nu de roeping om onverwijld én den dienst des Woords te Djogja, én den medischen dienst aldaar op zich te nemen.

Predikanten genegen en geschikt om naar Indië te gaan, zijn er te over.

Aanvankelijk was allen het denkbeeld om het vaderland te verlaten nog wat vreemd. Men had daar nooit aan gedacht. Men had niet anders gemeend, dan in Nederland predikant te blijven. Ook scheen van predikant „zendeling" te worden een soort degradatie.

Maar dat alles zijn we nu te boven. De predikanten gaan thans in hun ambt en in hun volle waardigheid. Nu er drie over de brug zijn, volgen de anderen vanzelf. En steeds zal het gemakkelijker vallen om in de opengevallen plaatsen te voorzien. Ten slotte zal men den stroom zelfs moeten tegenhouden.

Doch dan aarzele Amsterdam ook niet, gelijk Rotterdam spoedig volgen zal.

Er mag geen overhaasting zijn, maar ook geen op de lange baan schuiven.

Reeds het feit, dat er gehandeld en doorgetast wordt, ontsteekt geestdrift en stijft uw kas.

JDe Groninger Synode.

Dat de in Augustus j. 1. te Groningen vergaderde Synode niet voldaan heeft aan de door velen gekoesterde verwachting, is voor tegenspraak niet wel vatbaar. In de historie onzer kerken zal ze kwalijk meetellen als een Synode, die richting schonk aan het kerkelijk leven. Iets wat daarom te betreuren is, omdat kerken die slechts éénmaal in de drie jaren saamkomen, in zulk een Synode een mijlpaal op den weg moeten bezitten, die koers aanwijst voor de jaren die komen.

Stellig is dit resultaat aan den prikkel der onderlinge liefde te danken. Hoeveel men ook hechtte aan eigen zienswijze, toch wilde niemand dat de onderhnge saamhoorigheid er schade door zou lijden. P2n nu bleek, dat eenig besluit van beteekenis, in welke richting ook genomen, de onderlinge eenheid in gevaar dreigde te brengen, onthield men zich liever van een besluit, dan door een averechtsch besluit broeders van zich te vervreemden.

In zooverre verstaan we het dan ook, dat men uiteenging met dankzegging aan den Heere onzen God, dat alle tweespalt bezworen was.

Toch wagen we het de vraag te stellen, of de macht der hefde hierbij wel met genoegzame energie doorwerkte.

Dit is toch niet de hoogste liefde, dat men, om elkander te sparen, zich over en weder bij de handhaving van een beiderzijds afgekeurd status qua nederlegt, maar heel anders dat men over en weder zich in elkanders plaats stelle, inleve in elkanders verleden en zienswijze, en dank zij dat inleven tot zulk een oordeel der billijkheid kome, dat de harten wint in plaats van den geest te spannen.

„Een iegelijk zie niet alleen op hetgeen het zijne is, maar ook op hetgeen des anderen is."

Waar dit „gevoelen" ten deele ontbreekt, faalt het aan die energie der liefde, die de kerken verder helpt, en wordt men zijns ondanks en tegen zijn bedoelen geslagen met machteloosheid.

Met diep leedwezen ontwaarden v/e dan ook, dat hetgeen op de Synode winste scheen, toen de Synode ternauwernood uiteen was gegaan, op schade uitliep.

Niet zonder aandacht hebben we gevolgd, wat sinds in onze kerkelijke bladen over het Synodaal bedrijf geschreven is, en we mogen het niet verhelen, dat we zoo links als rechts gestooten zijn, op uitingen van hoofd en hart, die een min goede stemming der geesten verrieden.

Of het is dat sinds die dagen geleden bittere smart, ons gevoeliger gemaakt heeft voor den guren adem der onbroederlijkheid, durven we niet zeggen, maar wel weten we, dat al wat we sinds lazen, ons pijnlijk heeft aangedaan.

We zullen geen namen noemen, en op geen bepaalde stukken of verklaringen of uiteenzettingen wijzen. We wenschen niet als oordeelaar der broederen op te treden. Maar wat we wel mogen doen is uitspreken, dat ons nog niet één stuk onder de oogen is gekomen, waaruit ons genoegzaam die hoogere geest, die breedere opvatting, die ruimte van hart, en die heiligheid van zin en geest toesprak, waaruit bleek dat de schrijver er van zich tot het hoogere standpunt der liefde had weten op te heffen. Waar het nu zóó is bij de tolken, hoe moet het dan wel niet zijn bij de leiders in kleiner kring, wier woord zonder controle over de lippen gaat, en niet uit de pen vloeit onder de controle der publiciteit. En erger nog, hoe moet het dan wel niet gesteld zijn in den kring der meelevende 'gemeenteleden, die bijna geheel op geruchten afgaan en zich meest door het woord van anderen laten inspireeren.

Na een waarlijk goede Synode moet er onder de leidende broeders en in de gemeenten een verademing zijn te bespeuren, die toont dat hooger lucht is ingedronken. Maar gelijk het nu staat, kunnen we de vrees niet onderdrukken, dat eer de dampkring zwoel is geworden.

Onze overtuiging ten opzichte van het geding, dat zooveel bedenkelijk stof deed opgaan, is bekend. We hebben hierover thans het pleit niet te voeren. Maar als v/e een actie waarnemen, waartoe de stoot gegeven werd door de betuiging, dat én Gods eer én der kerken heil ten allerspoedigste de opheffing van de tweeheid vorderde, en we zien hoe thans, na de Synode, die tweeheid met voorliefde, met zekeren ijver, soms op het kantje van het fanatisme af, publiek in den wand wordt gegraveerd, dan zegt toch het getuigenis des Heiligen Geestes, dat er iets in de harten sloop, dat niet goed voor God kan zijn.

Lag de fout niet daarin, dat men na de Synode niet een tijdlang het stilzwijgen ivist te bewaren, maar het op de Synode gedempte debat, terstond na de Synode, en nu zonder praesidiale leiding, in het publiek voortzette ?

Dit zou men niet hebben gedaan zoo het hart niet eenigszins geprikkeld ware geweest; te zeer om zichzelf geheel te bezitten. En heeft niet alleen gemis aan genoegzame zelfbeheersching over en weder tot het begaan van deze onvoorzichtigheid verleid ?

Na den uitgang van een Synode als die te Groningen had een periode van ruste en stilzwijgendheid gevoegd. Gevoeligheden, die natuurlijk waren, zouden daardoor vanzelf in sterkte van graad zijn afgenomen. Kalmte van geest zou het oog weldra weer verhelderd hebben. En later, als men eerst weder normaal naast elkander stond, had men als mannen van ernst het wetenschappelijk onderzoek van zoo ingewikkeld en moeilijk probleem kunnen opvatten, en vooral door saamspreking, en, met Gods hulp, ten einde brengen.

• Wat nu plaats greep, was noch van de eene noch van de andere zijde buiten schuld, indien we althans gerechtigd en verplicht zijn, om vooral in het heilige de schuld niet alleen in het grove maar ook in het fijne te zoeken.

We twijfelen dan ook geen oogenblik, of na niet zoo lange dagen zal de Christelijke consciëntie ten deze zelfaanklacht laten hooren.

Zeker de beginselen zijn heilig, en waar het heilige beginselen geldt, moet men den broeder ook in het aangezicht weten te weerstaan. Maar dat doet niets af aan de spreuk der voorzichtigheid, dat de wijze tijd en wijze onderscheidt. En juist bij den strijd voor heilige beginselen ontheiligt alle uitademing van het hart, die niet dat gevoelen verraadt, dat in Christus Jezus was.

Ons blad zal zich daarom wel wachten, voorshands ook maar één woord in dit geding meê te spreken. Eerst later, als de „stemming der gemoederen" weer los van het onrustig verleden is, zullen we gehoor vragen.

Maar we willen meer doen, en nu we naar de jaren onzes levens, daartoe zeker recht van ouderdom verwierven, ook de bede tot onze geliefde broederen aan beide zijden doen uitgaan, dat ze toch niet mogen voortvaren op den ingeslagen weg.

Op dien v/eg vindt men elkander niet, maar vervreemdt men van elkaar.

De liefde is en blijft nu eenmaal de eenige band der volmaaktheid onder hen, die op het heilig erf der kerk voor den naam des Heeren strijden.

Het vuur van verdeeldheid is, o, zoo spoedig aangestookt. En nauwlijks brandt het, of er worden er altoos gevonden, die lust hebben door het aandragen van nieuwe brandstof, dat vuur laaie te doen uitslaan.

Maar dat juist mag niet.

Voor hem alleen is ook hier de kroon, die zvettiglijk zal gestreden hebben!

Verandering van overtuiging.

Het onvaste karakter van. onze eeuw brengt rnet zich, dat bijna ieders persoonlijke overtuiging gaandeweg aanmerkelijke verandering ondergaat.

Een nieuw bewijs levert daarvoor het jongste geschrift van Mr. A. F. de Savornin Lohman, getiteld : De waarheid bovenal, waarin de geachte schrijver een critiek levert op de brochure: Band aan het Woord, in Juli j.l. door Dr. A. Kuyper ter perse gelegd.

Indien plaatsruimte zulks gedoogt, wenschen we die critiek ten deele nader te toetsen, zonder ons daarbij te stooten aan de min vleiende vergelijking met Goliath, den wederpartij der van Gods volk, op de eerste bladzijde.

Alle polemiek ten deze zal zich onzerijds stiptelijk pogen te spenen aan wat in wijze van uitdrukking prikkelen kon. Hij wien het alleen om de waarheid te doen is, gevoelt aan dat prikkelende geen behoefte. Thans echter gaan we op die polemiek nog niet in, en wenschen we onze lezers alleen te wijzen op het geheel ander standpunt, dat thans door den geachten schrijver wordt ingenomen.

Vroeger was hij met ons van oordeel, dat het de plicht der geloovige Christenen was, om tegenover de Staatsuniversiteiten eene eigen Universiteit te plaatsen, en dat wel op zulk een manier, dat alle onderwijs aan deze Universiteit van eenzelfde geloovig beginsel uit zou gaan.

Dit feit behoeft geen nadere toelichting. De handteekening van den geachten schrijver

is meer dan eenmaal geplaatst onder verklaringen, die desaangaande geen twijfel overlieten.

Ten overvloede zij hier alleen gewezen op het eerste manifest dat onder dagteekening van 5 December 1878 de wereld inging, en waaronder ook de heer Lohman zijn naam plaatste „uit hartelijke belangstelling in deze zoo gewichtige zaak eit volkomen instemmende met het openbaar gemaakt plan en beginsel", teneinde zich met de stichters te vereenigen.

In dit manifest nu werd zoo klaar en duidelijk mogelijk uitgesproken, dat het aanvullingssysteem, om privaat-docenten aan de Staats-universiteiten te plaatsen, behoorde tot die „tijdelijke hulpmiddelen, die den wortel van het euvel zelfs niet aanraakten".

Men leze slechts dezen volzin:

„Dat nu ter keering van zulk een gevaar in een Seminarie geen heil zit en door geen privaat docent een dam valt op te werpen, vereischt wel geen aanwijzing. Die tijdelijke hulpmiddelen toch raken den wortel van het euvel zelfs niet aan. Neen, slechts een vrije gereformeerde Universiteit kan duurzaam en op eeni^^szins afdoende wijze den nadeeligen invloed onzer moderne Staats-universiteiten (indien althans het verweer eenigermate aan den aanval geëvenredigd zal zijn) onschadelijk maken. Niet toch door aanvulling maar door eigen stichting alleen wordt ook op het hooger onderwijs hetzelfde stelsel toegepast, dat op het terrein der lagere school reeds zoo uitnemend vrucht droeg."

Zelfs legde de geachte schrijver er vroeger nadruk op, dat „bovenaan voor ons staat de roeping om onze zonen, voor zoover dit in onze macht is, vrij te houden van de schadelijke invloeden van een onderwijs dat verkeerd is." Het hierin „dreigend gevaar" achtte hij nog erger „dan dat der onzedelijkheid" (Vde Jaarverslag, p. XXIX).

Thans daarentegen schrijft de heer Lohman op blz. 64: „Eene Universiteit enkel uit Christenbelijders bestaande, is vooralsnog onmogelijk. Ik zou ze ook niet noodig nocli ivenschelijk achten."

En na die pertinente verklaring wordt dan het stelsel ontwikkeld, dat het plaatsen van geleerde Christenen aan de Staatsuniversiteiten, opdat deze naast de ongeloovige hoogleeraren doceeren kunnen, hem het meest toelacht.

Hij schrijft desaangaande op blz. 64:

Niet tot het vormen van een afzonderlijke Universiteit op een of anderen grondslag zijn zij geroepen, maar wel kunnen zij mannen uit hun midden aanstellen om, vooral, in die vakken, waarin het zoo hoog noodig is den band tusschen God en de wetenschap in het licht te stellen, aan de bestaande Universiteiten col lege te geven.

Een Universiteit enkel uit Christusbelijders bestaande is vooralsnog onmogelijk. Ik zou ze ook niet noodig of wenschelijk achten. Veel heerlijker acht ik het, hoe moeilijk de taak voor den hoogleeraar ook zijn moge, als Christusbelijder op te treden te midden van — zoo noodig tegenover — de verwerpers van den Christus, en, ook tegenover een ongeloovige jongelingschap, dag aan dag aan te wijzen hoe menig vraagstuk eerst dan tot zijn recht en tot een behoorlijke oplossing kan komen, wanneer het geplaatst wordt onder het licht van het Evangelie.

Groot en zegenrijk zou de mvloed kunnen zijn, die van zulke belijders des Heeren uitging, mits deze dan ook volkomen vrij bleven, en ten aanzien van hetgeen zij wenschen te zeggen onder geen enkele curateele werden ge plaatst. Htm geloof en hun wetenschap moet den weg bepalen dien zij te volgen hebben; niet de wijsheid die schuilt bij curatoren of andere menschen.

Beslister tegenstelling met het vroeger door den geachten schrijver ingenomen standpunt, is wel niet denkbaar.

Het zedelijk bestaansrecht zelf der Vrije Universiteit, geheel afgescheiden van de vraag of de Gereformeerde dan wel in het algemeen Christelijke beginselen, haar ten grondslag moeten strekken, wordt door bovenaangehaalde uitspraken ontkend.

Er is hier geen sprake meer, gelijk voorheen, van deze of gene opvatting van de Statuten. Het denkbeeld zelf van eene Universiteit, die als geheel, als stichting, tegenover de ongeloovige Staats-universiteiten zou zijn te stellen, wordt hier niet alleen losgelaten, maar openlijk bestreden, en het ook in 1877 geopperde, maar toen verworpen denkbeeld van Dr. Van Ronkel c. s., om onzerzijds mannen aan de Staats-universiteiten aan te stellen als „veel heerlijker" aangeprezen.

Natuurlijk denken wij er niet aan, geheel den strijd diè in 1877 en 1878 tegen dit nu aangeprezen denkbeeld gevoerd is, te gaan hernieuwen. De geachte schrijver onthoudt zich van elke poging om deze zijne verandering van overtuiging als zoodanig toe te lichten. Daarom wagen ook wij er ons niet aan.

Doel van dit opstel is alleen, onze lezers van het feit der verandering als zoodanig op de hoogte te stellen, en hen te doen inzien, hoe de heer Lohman thans over de Staats-universiteiten denkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 oktober 1899

De Heraut | 4 Pagina's

De Zending op de Synode

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 oktober 1899

De Heraut | 4 Pagina's