Disconale ontheffing.
Reeds herhaaldelijk vezen we er op, hoe de pensioenverzekering voor hen, die zciven niet genoeg kunnen overwinnen voor den ouden dag, steeds meer eisch van den tijd wordt.
Dit stelt de vraag aan de orde, of de Diaconieën niet geroepen zijn, de beweging voor het ouderdomspensioen ook harerzijds te steunen.
Bij het overgaan tot de bespreking van dit uiterst gewichtig vraagstuk, beginnen we met te wijzen op een adres, dat nu reeds door en vierhonderdtal leden van kerkeraden en diaconieën aan de Regeering is opgezonden, en dat aldus luidt:
Aan
Zijne Excellentie den Minisier van Binnenlandsche Zaken te 's-Gravenhage.
Excellentie.
De ondergeteekenden, allen leden van Kerkeraden, Diaconieën en andere kerkelijke Colleges, welke zich met armverzorging bezighouden, geven met verschuldigden eerbied te kennen, dat zij met groote belangstelling de pogingen volgen, in de laatste jaren beproefd om, mede door wettelijke voorziening, te komen tot verbetering van den toestand der armen en ouden van dagen, welke van verstrekkende gevolgen voor hunne werkzaamheid kunnen zijn. Zij zouden het diep betreuren, indien de moeilijkheden, waarop, bij nader onderzoek van de uitvoerbaarheid eener wettelijke regeling ter verzekering van de toekomst der ouden van dagen, deze blijkt te stuiten, oorzaak zouden zijn, dat deze pogingen mislukken en tot niets voeren zouden.
Zij achten het een uitvloeisel van de zedelijke verplichtingen, die ten opzichte der ouden van dagen op hen rusten, het daarheen te leiden, dat een toestand geboren worde, waarbij de ouden van dagen zouden zijn ontheven van de noodzakelijkheid om hunnen nabestaanden of der openbare liefdadigheid ten laste te vallen, doordien hun het recht op een vaste uitkeering of lijfrente, voldoende voor hun levensonderhoud, was verzekerd. Naar hunne meening heeft de liefdadigheid ten doel het lenigen van de nooden, welke ontstaan door bijzondere oorzaken, tegen welke geene voorziening is te treffen, terwijl de ouderdom te verwachten is, die als het natuurlijk en gelukkig besluit van het menschelijk leven is te beschouwen.
Door den aard van hunnen werkkring voortdurend in aanraking komende met de nooden der bejaarden, weten ondergeteekenden, wat er wordt geleden door hen, die louter wegens het verlies hunner werkkracht, het gevolg van hunnen onderdom, niet langer in staat zijn in hunne behoeften te voorzien. Zij kennen de gebreken der tegenwoordige armverzorging, waarbij, al behartigen de openbare, kerkelijke en particu liere collegiën met liefde en toewijding het welzijn der hun toevertrouwde behoeftigen, toch niet kan worden voorkomen, dat er meestal eerst werkelijk geleden moet zijn, voordat er hulp wordt verstrekt, noch ook, dat de maatregelen, te nemen, opdat niet een groot deel van de giften der liefdadigen aan onwaardigen komen, de armen dikwijls aan vernedering blootstellen, terwijl voorts nog de bedeeling op verschillende plaatsen zeer ongelijk is, afhankelijk van verschil van inzicht bij dikwijls bekrompen middelen.
Thans is het regel, dat ook fatsoenlijke en werkzame meuschen, als zij oud zijn geworden, geen andere toevlucht hebben dan de openbare liefdadigheid. Daardoor wordt bij velen het heilzame bewustzijn, dat het vernederend is van de openbare liefdadigheid te leven, afgestompt. Velen anderen grijnst het schrikbeeld, tot die vernedering te moeten komen, gedurende een groot gedeelte van hun leven bij het toenemen hunner jaren aan. Hierbij moet niet alleen gedacht worden aan werklieden, maar ook aan particulieren, die, door oorzaken buiten hunne schuld achteruitgaande, op meer gevorderden leeftijd niet in staat zijn, zich een nienwen werkknng te scheppen.
Het komt ons voor, dat het niet goed is, dat de ouderdom zoodanige nadeelen met zich sleept, en gedreven door het besef van de op ons rustende verplichtingen ten opzichte van onze ouden van dagen, meenen wij daarom bij Uwe Excellentie met den meesten ernst te moeten aandringen, zich niet te laten afschrikken door de zich vertoonende moeilijkheden, maar te willen voortgaan met het zoeken van de middelen, die kunnen strekken, om in de hier boven genoemde richting verbetering aan te brengen.
Deze actie is uitgegaan van Dr. Boekenoogen, die Doopsgezind is, en alzoo niet tot onzen kring behoort. Iets wat ons intusschen niet belet, noch om zijn actie te waardeeren, noch om op eigen erf tot soortgelijke actie op te wekken.
Doch hierover in een volgend artikel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 november 1899
De Heraut | 4 Pagina's