De taak der toekomst.
I.
Amsterdam, 3 November 1899.
De kerk van Christus verbeurt haar invloed op het zijn en op het bewustzijn der buiten haar staande wereld nooit anders dan door eigen schuld.
Dit geldt van alle institutaire kerken; ook ten onzent; en van de zuiverst geïnstitueerde (d. i. Gereformeerde) kerken nog het sterkst.
Zoo stonden-de Gereformeerde kerken ten onzent gansch invloedloos en machteloos op het oogenblik, dat de storm van 1789 losbrak. Zoo zijn de bewegingen van 1830 en 1848 zijdelings bij haar kerkportaal voorbijgegaan. En zoo staan ook de beste Gereformeerde kerken ten onzent sprakeloos en weerloos tegenover de socialistische bewegingen die thans de maatschappij, en tegenover de materialistische woelingen die thans de geestenwereld van het hoogere aftrekken.
Er is wel een zwak besef van roeping ook voor het wereldleven, en nog onlangs besloot de Synode te Groningen een getuigenis tegen roepende zonden, en zooveel meer, te doen uitgaan. Maar wat vroom bedoelen en ernstig pogen hierin ook uitkwam, het maakt op de wereld geen anderen dan den tragischen indruk van het meer reutelen dan brullen van den tandeloozen leeuw.
Hiermede is natuurlijk de zegen verheeld noch onderschat^ dien het kerkelijk leven onder tucht en goede belijdenis voor het geestelijk leven van Gods kinderen, en voor de zedelijke sterking van hun gezin en hun geslacht, én aldoor én in toenemende mate voelbaar maakt.
Binnen de wanden onzer kerken knielen we in stillen dank voor onzen God neder, en mengen liefde en lof op zijn altaar. En bij dat altaar genieten we een gezuiverd en geheiligd leven, dat niet ónze hand ons verwierf, maar dat God ons in zijn ontferming schonk.
Zij die, hoezeer van Gereformeerden huize, nog buiten de legerplaats omzwerven, Weten niet en verstaan niet, wat ze door hun verwijdering van ons derven. Zelfs vreemdelingen, die van onze kerkelijke toestanden kennis namen, prijzen onze Gereformeerde kerken als zeldzaam gelukkig en voorspoedig.
Niets staat onder ons aan het nauwer aantrekken van den broederband in den weg, en, wat kleine verschillen er ook mogen opduiken, en wat ongelouterd woord ook soms uit de te haastige pen vloeie, nauwelijks brengt ge de broederen uit alle oorden des lands saam, of, als de één den ander niet met zijn pen nakrast, maar dankbaar in het broederoog staart, leeft er een onderling vertrouwen op, dat het hart verkwikt.
Wat dan samenbindt is niet een geest van kameraadschap, en geen clericale zoen, maar het heerlijk besef van in Christus één, des eeuwigen levens deelachtig, en tot de zuivere belijdenis gekomen te zijn.
Niemand versta dus dit ons woord, alsof we de onschatbare voorrechten die we aan ons gezuiverd kerkelijk leven danken, op minderen prijs zouden stellen, of ook in zekere moedeloosheid ons schikken zouden in het onvermijdelijke.
De vraag die alleen bij ons oprees, en die we voor aller consciëntie wenschen te leggen, is, of het bewustzijn van onze hooge roeping voor de toekomst, met het oog op de wereld buiten onze kerken, wel klaar en luide genoeg in de verschillende kringen van onze kerken spreekt.
Dit stemt toch elk lezer ons grif en voetstoots toe: Dö hooge gunste, die de Heere onze God ons in ons gezuiverd en vrijgemaakt kerkelijk leven schonk, heeft nog een hooger doel, dan om ons bij het altaar te doen genieten. Ook hierin zoekt God de Heere, in de eerste plaats, zi/n eigen eere. En alleen indien dit heilig tribuut Gode wordt toegebracht, staat het betrouwen op de bestendiging zijner gunste onwrikbaar.
Hierbij nu geldt als regel: Gij zijt het licht der wereld. Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat ze uiv goede zverken zien mogen, en uwen Vader die in de hemelen is, verheerlijken.
In dit aangrijpende woord ligt, klaar als dag, de roeping uitgesproken, om niet alleen binnen de wanden onzer kerken geestelijk bij het altaar te genieten, maar ook indruk te maken, en dan natuurlijk een heiligenden indruk, op de ons omgevende wereld. Iets waarbij uiteraard in de eerste plaats te denken is aan de wereld in ons eigen vaderland, onder ons eigen volk, in de stad of in het vlek onzer inwoning.
Die hooge en heilige roeping nu komen we te meer nabij naar gelang ge ontwaart dat er in de kerken Gods minder egoïstisch en geestelijk zich opsluiten in eigen kring heerscht, maar ook bemoeienis der belangstelling en der ontferming met de buitenwereld bestaat. Naar gelang ge bespeurt, dat er te meer drang is om zich aan de buitenwereld in broederlijke aaneensluiting te vertoonen. En naar gelang ge te meer bemerken moogt, dat verschillen binnenshuis met teederder zelf beschaming stil en wijselijk beslecht worden. Het ligt toch in den aard er zaak, dat een gescheurde spiegel geen dienst kan doen, om de wereld haar eigen beeld ter zelfontdekking voor te houden.
Omgekeerd dus blijkt het besef van die hooge en heilige roeping eenigszins verflauwd te zijn, indien het institutaire kerkelijke leven op alle beschikbare kracht beslag legt; de drang om zich als één aan de wereld te toonen afneemt; en de kleine verschillen de geesten binnenshuis zóó bezig houden en spannen, dat de machteloosheid om ze op te lossen juist door die spanning te grooter wordt.
Korter gezegd, het besef van die hooger en heiliger roeping leeft blijkbaar op, als de gloed die u tegenkomt uitstraalt van de vlam der liefde, maar ook dit besef zinkt blijkbaar in, als voor den gloed der liefde, hier en daar zekere gloed van den hartstocht opvlamt.
De „liefde Gods die in Christus Jezus, onzen Heere is", en waarvan noch dood noch leven ons scheiden kan, is iets zoo boven alle beschrijving heiligs en heerlijks, dat de kerken Gods moeten kwijnen, als ze van die heilige liefde niet de klare afstraling vertoonen. En zij, die als tolken en getuigen geroepen zijn, om de kerken Gods in haar verloop te leiden, rukken zichzelven den profetenmantel van de schouders, als ze niet in alles duidelijk toonen, het eerst en het meest door die „liefde Gods, die in Christus Jezus is, " gedragen en gedrongen te worden.
Toch is het droeve feit niet weg te cijferen, dat bij ons allen, hoofd voor hoofd, öok ten deze, de zonde aan de deur van ons hart ligt, en dat we telkens weer, zonder dat één onzer zichzelven vrij kan pleiten, tot de smartelijke erkentenis gedrongen worden, hoe een héél ander motief onder ons de overhand kreeg.
Zoo was het ih de dagen der Apostelen.
Zoo was het in de dagen der Reformatie.
Zoo is het ook nu.
„Wie zal ons verlossen van het lichaam der zonde en des doods? "
Dat bedroeft dan onszelven, dat bedroeft het Sion des Heeren, het bedroeft den Heiligen Geest.
En als we dan doen wat we niet willen, en wat ons beter ik wil, niet doen, dan komt de Heere weer tot ons, om voor ons zielsoog als in vlammend schrift de heilige roeping van zijn kerken in den dienst van zijn glorie te doen schitteren.
In dat weer indenken van onze roeping, naar breeder opvatting, schoo 1 voor het gestoorde zenuvs/leven der kerken altoos genezende kracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 november 1899
De Heraut | 4 Pagina's