Buitenland.
De Zending en de Transvalers.
In deze dagen nu de Transvaal; : che boeren zoozeer de harten hebben ingenomen, is het moeilijk over onderwerpen te schrijven, of dt attentie te vragen voor zaken die niet met de Transvaal in verband staan. Daarom willen ook wij onder de rubriek Buitenland een woord er over spreken.
Alle bladen zijn vol van de gebeurtenissen in Zuid-Afrika en alle geven de ondubbelzin nigste blijken van sympathie voor de Zuid-Afrikaansche stamverwanten. Natuurlijk niet een deel van de Engelsche pers.
We lazen in 27ie Independent een artikel over de boeren waarin deze worden tentoongesteld als huichelaars van de ergste soort. Er is een hoopje oprechten onder, maar die kleine minderheid is allerminst bij hunne landgenooten gezien. Zoo gaat het voort. Er is een punt van beschuldiging tegen de Transvaalsche Boeren, die telkens opnieuw wordt ingebracht, dat is de behandeling van de Kaffers. Wij weten dat de Boeren de naturellen of inboorlingen veel beter hebben behandeld en nog behandelen dan de Engelschen, maar toch blijft de houding der Transvalers in zake de Zending onder Kaffers en Hottentotten bevreemding wekken, als men weet dal de kern van de boeren niet maar met den mond maar met der daad belijders zijn van de Gereformeerde religie. Iets van de houding der Transvalers mede te deelen in zake de Zending, om daardoor mede te werken tot eene meer billijke beoordeeling, is daarom ons doel.
Toen de Kaapkolonie voor de tweede maal in de macht van Engeland was gekomen, gingen onderscheidene Engelsche zendinggenoot schappen aan den arbeid om de Hottentotten in het Evangelie te onderwijzen. Daar konden de Boeren niets tegen hebben. Zij hadden reeds vroeger dien arbeid moeten ondernemen. Doch de Engelschen gingen bij hun zendingsarbeid zeer onpractisch te werk. Zij legden z.g. „school plaatsen" aan, en nu kwamen de Hottentotten uit hun diensten bij de boeren geloopen om in de schoolplaatsen te gaan wonen. Voor een Hottentot was het leven op een schoolplaats waar hij niets behoefde te doen als alleen van tijd tot tijd een lied te zingen, een ideaal. Hottentotten zijn lui, zij houden veel van sterken drank en hunne waarheidsliefde is meer dan verdacht. De Engelsche zendelingen hadden het ongeluk vele leugens der Hottentotten te gelooven. De zendelingen werden door de in boorlingen gevleid om der wille van de smeer, en toen de Hottentotten maar begrepen dat de Engelsche regeering op hun hand was, meenden zij ongestraft tegen hun vorige meesters te kunnen opstaan. De zendelingen geloofden, dat de eene Boer een moord had begaan, dat de andere zijn Hottentot bijna had doodgeslagen; een boerenvrouw had een jongen Hottentot in kokend water levend willen verbranden.
Om al die klachten te kunnen onderzoeken, werd een rondgaand gerechtshof benoemd. Toen dit gerechtshof de lange lijst van afschuwelijke misdaden behandeld had, moest geconstateerd, dat geen enkel geval van moord tegen de beschuldigden kon bewezen worden, terwijl slechts weinige gevallen van persoonlijke aanranding naar gelang van zaken werden gestraft. Wat bleek omtrent het geval der weduwe, die een Hottentot had willen laten verbranden? Een aantal jaren geleden had de beschuldigde vrouw die tot de achtenswaardigste familiën van Uitenbage behoorde, een jongen Hottentot, die door een sneeuwstorm overvallen was, en met verkleumde voeten te huis gebracht werd, met de beenen in kokend water laten plaatsen. Zij meende den jongen daarmede een dienst te doen. De Hot tentot had er geen kwade gevolgen van ondervonden, en stierf verscheidene jaren daarna aan een ziekte, die met dit geval in geen verband stond. Zij moest worden vrijgesproken.
Geen wonder dat de boeren, vooral ook om deze aanklacht, op de zendelingen verbitterd werden. De Engelsche zendelingen v. d. Kemp en Read waren zeker ter goeder trouw, maar zij waren toch oorzaak door hunne lichtgeloo vigheid dat honderden familiën in onrust gebracht verbitterd waren. IVIen moest nog zelfs de proceskosten betalen, en in de zaken door de zendelingen aangebracht, werden meer dan duizend getuigen gehoord.
Is het te verwonderen dat de boeren in de Kaap verbitterd waren tegen de zendelingen en dat de zendingszaak daaronder leed ? Maar... hadden de boeren zich niet te beschuldigen dat door het vergeten van hunne roeping, de Engelschen op een terrein waren begonnen te arbeiden, dat zij al lang hadden moeten ingenomen hebben?
Reeds van Riebeek begeerde dat de Hottentotten met het Evangelie zouden bekend ge maakt worden. Doch eerst 13 jaar na de stichting der Kaapkolonie kon eeniger mate in de geeste lijke behoeften der blanken voorzien worden; om zich staande te houden moest men alle krachten inspannen en daarom kon men geen aandacht wijden aan de zendingszaak. Van Riebeek's streven was het ojn op de Hottentotten door vriendelijk verkeer een goeden invloed uit te oefenen.
Nu verkochten de Hottentotten van lieverlede steeds meer grond aan jde Hollandsche kolo nisten. Zij gingen zich dan verder op, het binnenland in, vestigen. Dit ging goed, totdat zij stuitten op de Kaffers, die hen terug dreven. Zij wilden nu de verkochte gronden weer gaan bezetten, doch dit werd hun met geweld belet. Zij gingen toen zwakkere stammen verdrijven en uitroeien, en lieten het vooral den Boschjesmannen ontgelden. Een groot aantal Hottentotten bleef echter in de Kolonie achter, zonder in het bezit van land of van een middel van bestaan te zijn. Nu lieten de Boeren die Hottentotten wel op hun plaats wonen, doch steeds onder de voorwaarde, dat zij den Boeren dienden zonder bewijzen als veehoeders en arbeiders op het land. Trouwens, dat was een kolfje naar de hand der Hottentotten; er is geen luier ambacht dan dat van schaapwachter.
De Hottentotten verloren in hun dienstbaarheid het wehiige gevoel van volksbestaan en eigenwaarde, dat zij nog onder hunne opperhoofden bezaten, en verzonken daardoor in een poel van ellende. De Boeren waren niet in staat om hen daaruit op te heffen. Al wat zij konden doen was te waken dat zij zelven en hunne kinderen niet mede weg zonken. Zij beschouwden de Hottentotten als schepsels, maar niet gelijk met den blanke; de klove tusschen witmenschen en zwarten werd al breeder en dieper.
In 1737 hebben zich de Moravische broeders het lot van de aan allerlei zonden overgegevene Hottentotten aangetrokken. George Smidtwerd de apostel der Hottentotten. Toen de Zending daar tot bloei gekomen was, werd zij, onverstandig genoeg, gewelddadig door de regeering verstoord. En zoo werd in 1795 het werk opgegeven. Maar in hetzelfde jaar ging de Kaap over in de handen der Engelschen, en het onrecht den zendelingen aangedaan werd datzelfde jaar nog hersteld. Zij konden hun werk hervatten dat niet meer werd onderbroken.
De boeren kregen van dat alles wel de schu'd, ioch de boeren werden door de Regeering nog meer verdrukt als de zendelingen werden vervolgd. Toch vestigde zich bij de zendelingen Je meening, dat Hottentotten niet konden bearbeid worden zoolang zij onder de macht der boeren waren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 november 1899
De Heraut | 4 Pagina's