De taak der toekomst.
II.
Sprekende van de taak die voor de kerken is weggelegd, indien ze haar roeping ook buiten eigen kring willen vervullen, kan men die taak onder velerlei gezichtspunt bezien.
Het kerkelijk gezag reikt rechtstreeks niet verder dan eigen kring, en zelfs binnen dien kring reikt het op verre na niet tot aan den uitersten omtrek. Elke Dienaar des Woords, elke kerkeraad weet dit bij eigen droeve ervaring. Zoodra een plaatselijke kerk slechts eenige uitbreiding erlangt, zijn er onder de gezinnen en personen, die bij haar zijn aangesloten, alsoos enkelen te vinden, die de geestelijke kracht der gemeente in niets sterken, haar eer verzwakken, en aan de vermaning of bestraffing van het kerkelijk gezag in weinig zich storen.
Maar ook al kan zelfs bij het verst afgedoolde gezin, dat is aangesloten, nog altoos hope op herwinning van invloed voor de kerk bestaan, hetzij door het vertrek of het afsterven van een hinderlijk subject, hetzij door het binnenkomen krachtens huwelijk van een meer geestelijk karakter, of ook door krachtdadige bekeering van een enkel lid in dat gezin of in de familie waartoe het behoort, zoodra ge de officieele grens van de gemeente overschrijdt, en buiten haar treedt, om alleen met de wereld te rekenen, is zelfs van de flauwste en zwakste werking van het kerkelijk gezag geen sprake meer.
Zullen de kerken haar roeping tegenover de buiten haar liggende wereld nakomen, dan staat het instituut zoogoed als machteloos, zoodra het aankomt op de uitoefening van gezag.
Hiermede is niet gezegd, dat een Dienaar des Woords door den tfrnst en de waardigheid van zijn optreden niet nog vaak ten goede, ook buiten zijn gemeente, imponeeren kan; maar alsdan heeft men niet met de eigenlijke wereld te doen. Zulk een Dienaar komt dan te staan tegenover leden van een andere kerk, en wel van een kerk die door haar grondkarakter en verleden nog trekken van verwantschap vertoont met de kerk wier Dienaar hij is. De personen voor of onder wie hij dan optreedt, zijn dan in den regel niet alleen gedoopten, maar ook leden van een Protestant-ch genootschap.
Hij zal daarom in gemengde gezinnen bij ziek-of sterfbed ook door Roomsch gedoop.ten wel met zekeren eerbied bejegend worden, maar op Roomsch-geloovigen is zijn invloed in geestelijken zin des noemens! niet waard. Van geestelijken invloed van zijn ambtelijk optreden zal in den regel alleen sprake kunnen zijn bij Hervormden, Lutherschen enz. Dan vooral zal die ambtelijke invloed grooter afmeting aannemen, als in de Hervormde, Luthersche of Doopsgezinde gemeente ter plaatse de ambten of waardigheden bekleed worden door mannen, die met alle overgeleverd geloof gebroken hebben, en zoo er onder de leden dier gemeente dan personen of gezinnen zijn, die nog aan het geloof hunner vaderen vasthouden.
Het is een bekend feit, hoe vaak zulke personen, zonder van kerk tot kerk over te gaan, als bijwoners, in de practijk, zich bij onze kerken voegen, en zelfs vrij geregeld opgaan onder de bediening des Woords. Het is dan wel meer een personeele aansluiting aan den Dienaar, dan aan de kerk als instituut, maar toch schuilt daarin een gedeeltelijke erkenning van des Dienaars ambt. Liefst zou men zelfs zijn kind bij hem laten doopen en de Vcrbondszegelen uit zijn hand ontvangen. En zoo staan dezulken op het standpunt, dat de ambtelijke continuïteit in de personeele Dienaren, en niet in het kerkelijk verband ligt.
Ook bij „Evangelisatie" die van de kerken uitgaat, kan men ten deele nog van een werking van het kerkelijk gezag spreken.
Indien het een kerkeraad of classis is die haar Dienaren voor dat werk onder de buitenstanders uitzendt, draagt haar optreden een ander karakter dan in de vrije Evangelisatie van particuliere personen. Niet alsof die particuliere Evangelisatie niet geoorloofd ware en zeer nuttig kon werken. Maar de institutaire Evangelisatie draagt toch een andere gestalte. Ze bedoelt niet alleen te zaaien, maar ook te oogsten, en wekt niet alleen de heilzoekende op, maar tracht de verwekten ook aanstonds, door opneming in de heilige gemeenschap, voor de toekomst te behouden.
Onze opmerking, dat het kerkelijk gezag buiten de grenzen der kerk machteloos is, bedoelde dus allerminst den invloed te miskennen, die ook buiten de grenzen van een ambtelijk Dienaar kan uitgaan, maar invloed is heel iets anders dan gezag.
En juist in die onderscheiding schuilt het verschil.
Als de heilige apostel aan de kerk van Corinthe schrijft, oefent hij gezag uit, en maakt hij melding van gezagsdaden. Daarentegen als hij te Athene, op den Areopagus, den kring van Griekenlands wijzen toespreekt, is er in zijn woord geen zweem van gezag, maar gaat hij terug op de gronden van hun eigen denken, om van daar uit tot zijn heilig getuigenis op te klimmen.
Datzelfde onderscheid tusschen gezag en invloed neemt ge evenzoo waar tusschen land en land.
Het Duitsche Staatsgezag heeft hier te lande niets te zeggen, maar de invloed die van het wetenschappelijke Duitschland op ons volk uitgaat, is zelfs zeer groot. Zoo oefent Frankrijk invloed door zijn komedie, zijn literatuur en zijn mode. Engeland door zijn sport, zijn aristocratische levensgedraging en zijn tauchnitznovellen.
Te spelen met woorden, leidt hier tot niets.
Want wel zou men kunnen zeggen, dat dit toch het uitoefenen is van wetenschappelijk gezag enz., gelijk men dan ook vaak van „gezag hebbende schrijvers" gewaagt, maar dan wordt gezag genomen in heel anderen zin.
Het gezag van het instituut der kerk is een ambtelijk gezag, dat op staatkundig terrein alleen met het Staatsgezag vergelijkbaar is. En nu kan een kerkelijk instituut ook zulk een gezag wel over de gedoopten buiten zijn eigen kring opeischen, gelijk b.v. Rome, nominaal, nog steeds alle gedoopten beschouwt als aan h.< A gezag V& VL haar bisschoppen onderworpen; maar vooreerst is dat een bloot theoretische pretentie, en ten andere kan en zal door Gereformeerde kerken zulk een pretentie nooit worden gemaakt.
De Gereformeerden hebben steeds beleden, dat het kerkelijk gezag d. i. de polestas ecclesiae door Christus in de wedergeborenen is gelegd, en daarom nooit anders kan opkomen dan uit den schoot der gemeente, zij het al dat het ambtshalve moet zijn georganiseerd.
Gezag op kerkelijk terrein kan nooit anders dan uit den Heiligen Geest worden afgeleid. Hierin zijn Rome en de kerken der Reformatie het met elkander geheel eens. En het verschil tusschen beide komt eerst daar op, waar Rome acht en belijdt, dat de Heilige Geest door het ambt tot de gemeente komt, terwijl de kerken der Reformatie belijden, dat het door Christus onder de werking des Heiligen Geestes in de gemeente wordt gelegd, en van daar uit in de ambten opklimt.
Uit dien hoofde moet Rome wel staande houden, dat het gezag van haar kerkelijk ambt zich over alle gedoopten uitstrekt, en kan, omgekeerd, de Gereformeerde kerk nooit anders beweren, dan dat de grens van haar ambtelijk gezag met de grens van de bij haar aangesloten belijders samenvalt.
Altoos, wel te verstaan, zoolang we van de kerk als instituut spreken. Hierop moet ook in dit verband nadruk gelegd worden.
Neemt men toch de kerk als organisme, dan wordt de mate van haar invloed, en van haar zedelijk gezag, door niets anders bepaald dan door de straallengte van haar geloofsenergie en door den weerstand waarop ze bij de wereld stuit.
Doch dan is er ook geen sprake van ander dan zedelijk gezag, iets wat van het ambtelijk gezag in elk opzicht verschilt.
Als organisme heeft de kerk geen ambten, maar werkt uitsluitend door de gemeenmcnschelijke werking van personen, gezinnen, geleerden, dichters enz. En wel heeft
ook dat organisch geheel der kerk een nooit afwijsbare roeping voor de wereld, maar deze roeping kan niet anders vervuld worden dan in de gewone gangen des levens, en door gebruik te maken van de gewone middelen, die u onder menschen invloed doen oefenen.
Het komt dan aan op de openbaring van een hooger zin in heel het leven van de leden der kerk en in haar organisch bestaan.
Doch dit laten we in deze artikelenreeks geheel rusten.
Reeds de uitdrukking taak, die we kozen, wijst dat uit. Immers organisch invloed te oefenen moge een roeping zijn, het is geen nauwkeurig te omschrijven en aan te wijzen taak.
Van taak kan men ten deze alleen spreken zoo men het oog heeft op de institutaire kerk. Een taak is opgedragen aan, en ligt voor rekening van een bepaald subject. Of wil men het zonder vreemd woord: Een taak onderstelt altoos een bepaald persoon of een bepaald college aan wie die taak wordt opgedragen, en sluit alle denkbeeld uit alsof een ander het evengoed kon doen. De bediening des Woords is voor den Dienaar een taak, uw medemenschen ten goede te manen is voor u geen taak, maar een roeping.
We laten alzoo de roeping van de kerken in haar organisch karakter hier geheel buiten beschouwing, en bepalen ons uitsluitend tot de taak, die op de kerk als instituut tegenover de wereld rust, en daarvan toonden we aan, dat het instituut deze zijn taak niet door oefening in het ambtelijk gezag kan omzetten, omdat kerkelijk gezag buiten eigen kring, en in het midden der wereld, ondenkbaar is, en door niemand zou worden erkend.
Zelfs wenschen we ons onderwerp in zooverre nóg nader te begrenzen, door buiten bestek ook te laten al hetgeen ze door het Diaconaat doet en nog meer doen kan. Wel heeft het Diaconaat in de eerste plaats te zorgen voor de huisgenooten des geloofs, doch niet uitsluitend, en in zooverre zou men dus ook de taak te berde kunnen brengen, die het kerkelijk instituut tegenover nooddruftigen en ellendigen te midden der wereld heeft te vervullen. Maar dit zou ons afleiden, en we laten ook dit punt dus rusten.
Zelfs snijden we in deze beschouwing af de taak, die onder bepaalde omstandigheden, op de kerk als instituut kan rusten, om door request aan de Overheden des lands op handhaving van recht en eerbaarheid in de wereld aan te dringen.
Ook deze taak kan, mits het oogenblik er voor gekomen is, een zeer gewichtige worden, maar ook op die taak hebben we thans het oog niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1899
De Heraut | 4 Pagina's