Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Niet overtuigd.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Niet overtuigd.

5 minuten leestijd

Amsterdam, 10 November 1899.

Onze hooggeachte broeder Wielenga trok zich ons woord over den vrede der kerken aan, en antwoordde er in de Bazuin in dezer voege op:

„Niet voortvaren op den ingeslagen weg, " zoo luidt uwe bede.

Indien ge daarmee bedoelt, dat ook ik moet trachten mij te verheffen „tot het hoogere standpunt van liefde", moet staan naar „een breedere opvatting, " naar meer ruimte van hart, naar meer heiligheid van zin en geest, naar een dieper inzicht in de kwestie, waarom het gaat, dan ben ik bereid om zooveel in mij is aan die bede gehoor te geven en God, Almachtig, geve mij daartoe Zijne genade.

Maar indien ge daarmee bedoelt om in den eersten tijd (en voor hoe lang dan ? ) over „het besluit van Groningen" in publieke geschrifte ten eenemale te zwijgen, dan meen ik ook na ernstige overweging daaraan niet te mogen voldoen. Het doet mij leed, dat ik u deze broeder-bede moet weigeren. Doch, geloof me, ik kon niet anders. Zwijgen in dit geval, zou voor mij schier zijn een verraad aan het belang, aan het heilig recht der kerken, die ik mag dienen.

Oordeel zelf, bid ik u.

Dat ik van den beginne af aan niet slechts belangstellend maar sympathetisch heb gestaan, tegenover de reformatorische beweging van '86, is u bekend. Ik zag er een werk Gods in niet minder dan in die van '34. Daarom heb ik altijd-gestaan aan de zijde van hen, die aandrongen op „vereeniging" der kerken dier beide bewegingen. Ook heb ik terstond gestaan naar eenheid van „Opleiding".

Ik kan in oprechtheid getuigen, dat ik in dezen heb getracht te handelen naar „den zin van Christus". Meermalen heb ik dan ook getuigd te midden van mijn broederen, als het oni „vereeniging" enz. ging: Wij hebben ja onze „eigenaardigheden" lief, dat zal wel van weers­ zijden zoo zijn, maar die verwaardigd wordt in gebondenheid aan 's Heeren Woord en met handhaving der beginselen naar dat Woord het meest toe te geven tot vrede der kerken, die is het aangenaamst in de oogen van den Koning der kerk. Dit is mijn standpunt, dit is mijn streven geweest, al die jaren door. Daarom heb ik ook nooit geijverd voor handhaving der Theol. School in den tegenwoordigen vorm. Zelfs heb ik het besluit „van het beginsel van een eigen Inrichting" afgekeurd en bestreden. Ik leefde in de verwachting dat die kwestie der Opleiding naar eisch der beginselen en het recht der kerken wel hare oplossing zou vinden door den arbeid der vereenigde kerken. Nu echter eenmaal van uwe zijde is bedongen „het beginsel van vrije studie^'' en van onze zijde „het beginsel van eigen Inrichting" en dit een contractueel besluit is geworden, nu dient daarmee naar den eisch van waarheid en goede trouw in gebondenheid aan de H. S. te worden gerekend.

Door al de geschillen en discussie's heen, sedert 1888 gevoerd, zag ik dan ook uit naar een bevredigende oplossing, een oplossing, waarbij de rechten en de roeping der kerken in zake de Opleiding gehandhaafd en gewaarborgd werden.

Wel werd ik zoo nu en dan op uitingen en verschijnselen gewezen, die deden vermoeden dat men van eeiie zekere zijde de Theol. School het „levensbloed" wilde aftappen, opdat ze na een niet al ie lang tijdsverloop mocht verdwijnen ; ik heb dat nooit willen gelooven en geweigerd schriftelijk tegen een en ander op te treden. De vrede der kerken is mij lief. Alle deze jaren heb ik gezwegen, in de hoop op een bevredigende oplossing. En gelijk nu eenerzijds misschien wat eenzijdig gedacht werd aan de eischen der wetenschap en de belangen der Vrije Universiteit, zoo was het mij bij al mijne liefde ook voor die beide inzonderheid te doen om de belangen en de rechten der kerkert in deze voor haren bloei en wasdom en zuiverheid zoo belangrijke zaak.

We danken voor dit goede woord en voor den toon die er ons uit tegenklinkt. Maar toch houden we aan, en veroorloven ons aan den geachten schrijver de vraag voor te leggen, of hij het waarlijk waant, dat uitstel of verschuiving van zulk een debat, totdat de gemoederen weer tot rust zouden zijn gekomen, aan wat hij voorstaat geschaad zou hebben.

Dat kan immers niet beweerd worden?

En toch, dat was het eenige wat we ons veroorloofden op te merken. Er is door ons niet aan gedacht, dat men van zijn hart een moordkuil moest maken, of zwijgen over wat het hooger belang der kerk of der wetenschap raakt.

Slechts op verdaging van debat drongen we met den ernst der teederheid aan. Te meer daar, gelijk we er bijvoegden, zulk een debat, zal het niet in getwist ontaarden, o. i. door een mondeling debat moet worden ingeleid.

Nog dit, als men in dagen van aangrijpenden ernst, in het buitenland verkeert, en wetende hoe noodzakelijk het is, dat ieder met alle beschikbare kracht naar den dijk snelle om tegen den opkomenden vloed van het ongeloof door zodenlaag op zodenlaag zijn kruin te verhoogen, dan is niet te gelooven, wat smartelijk, wat pijnlijk, wat diep teleurstellenden indruk het maakt, als men uit de verte bespeurt, hoe de broeders aan den voet van den dijk staan te redetwisten, in plaats van saam met vereende kracht de bedreigde veiligheid van het heilig erf te dekken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Niet overtuigd.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1899

De Heraut | 4 Pagina's