Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

9 minuten leestijd

In de Friesche Kerkbode trekt onderstaande principieele uiteenzetting de aandacht:

Ten opzichte van de verkiezing tot het ambt staan in de historie drie scherpbelijnde beginselen tegenover elliander: het Roomsche, het Luthersche en het Gereformeerde.

Volgens Rome ligt het recht tot verkiezing in handen van één persoon, den Bisschop, of wil men nog liever in handen van den Oppersten Bisschop, den Paus, en van de lagere bisschoppen als zijn vertegenwoordigers Formeel vloeit dus hieruit voort, dat volgens de Roomsche kerk de wettigheid van het ambt geheel afhangt van de regelrechte successie of opeenvolging der ambten vaji de dagen der Apostelen af. Het ambt moet een goddelijken oorsprong hebben, zal het gezag kunnen uitoefenen. Die goddelijke oorsprong ligt in de rechtstreeksche aanstelling der Apostelen door Christus Van hen gaat die macht door opvolging over op den Paus en door hem op eiken ambtsdrager. Alleen het ambt kan het ambt voortbrengen. Van een recht der-gemeente om tot het ambt te roepen, wil de Roomsche Kerk dus niets weten, gelijk zij uitdrukkelijk op het Concilie te Trente verklaard heeft. Indien iemand be weert, dat de ambten door de Bisschoppen ver leent zonder toestemming of roeping door het volk geen waarde hebben, die zij vervloekt.

Materieel hangt dit beginsel saam met heel de Roomsche opvatting van ds'K.& ikaXsheilsinstit? iut. De Kerk is niet de vergadering der geloovigen, het geestelijk lichaam van Jezus Christus, waarvan de geloovigen de leden zijn, maar een Goddelijke inrichting op aarde, waardoor de genade aan de menschen geschonken wordt. De Kerk is de Middelaarster tusschen God én mensch. Van daar dat de gemeente, of gelijk de Roomsche Kerk zegt, het volk, de leeken, m het kerkelijk leven niets geen macht of invloed hebben. Zij zijn onderdanen, die geregeerd worden. Alle kerkelijke macht rust bij de ambtsdragers, die de ware, eigenlijke Kerk zijn. Daarom kan van de gemeente nooit de roeping tot het ambt uitgaan. Het ambt is in geestelijken zin een erfelijke monarchie.

Terwijl hierbij eindelijk een polemisch belang kwam De Reformatoren Luther, Zwingli en Calvijn waren opgetreden na in de Roomsche Kerk het ambt ontvangen te hebben, maar van de meeste predikanten na de Reformatie kon dit niet worden gezegd Zij waren niet door een Bisschop geordend, maar door de gemeente verkozen. Door te beweren, dat deze verkiezing der gemeente van nul en geener waarde was, werd de wettigheid van het ambt dezer predikanten ontkend en zij zelf ge stempeld tot «dieven en inbrekers", omdat zij niet door de deur in de schaapskooi waren binnengekomen. Of gelijk de Synode te Trente het uitsprak : De Synode oordeelt, dat allen, die alleen door de gemeente ge!-: ozeu en in het ambt gesteld dit ambt aanvaarden, niet voor dienaren der Kerk, maar voor dieven en roovers te hou en zijn.

Een geheel ander standpunt nam de Luthersche Kerk in dit vra^gstuic in, wat samenhangt met de eigenaardige verhoudingen in Duitschland Daar was reeds van de middeleeuwe.i af gestreden tus schen Paus en Keizer over, de vraag, wie het recht zou hebben om de geestelijken te benoemen Toen nu door de Reformatie de Pauselijke macht wegviel, trok de Landsheer alle kerkelijk gezag aan zich. Hij werd Suminus Episcopus, opperste Bisschop der Kerk. Van heni giiig de roeping tot het ambt uit. Een stelsel, dat de Remonstranten in-bond met de Libertijnsche partij van Olden barneveldt ook in onze Gereformeerde Kerken hebben zoeken in te voeren ; waartegen onze Vaderen ten bloede toe hebben gestreden, maar waarvan de nawerking toch in onze Kerkenorde te bespeuren valt, al is het in den verzachten vorm, dat de goedkeuring der Overheid bij de verkiezing moet worden gevraagd.

Eerst in tegenstelling met deze beide beginselen : de verkiezing door den Paus en de verkiezing door de overheid kan het beginsel door Calvijn beleden recht worden verstaan: de verkiezing behoort aan de gemeente. Van practisch belang was dit beginsel, omdat daardoor alleen de wettigheid van het ambt der Gereformeerde predikanten kon gehandhaafd worden Tegenover de aanklacht van Rome, dat die predikanten dieven en inbrekers waren, klonk het fiere antwoord: naar het exempel der Apostolische Kerk zijn onze ambtsdragers gekozen door de gemeente van Jezus Christus en in die verkiezing hgt hun wettig en heilig mandaat.

Maar principieel ging de tegenstelling veel dieper. De Kerk is volgens de Gereformeerde belijdenis niet een heilsinstituut, waarin het ambt op treedt om de genade uit te deelen aan een on mondig volk, maar de vergadering der ware Christ geloovigen, de gemeenschap der heiligen, het li chaam van Christus. De Kerk d. w. z. niet het ambt, maar de gemeente bezit alle geestelijke macht en autoriteit Bij haar rust daarom primor diaal het recht om tot het ambt te kiezen. Niet het ambt brengt door wettige opvolging het ambt voort, maar de gemeente, in wie Christus leeft en werkt, is de grond, waaruit het ambt voortkomt. Dat beginsel, aan de worsteling met Rome's hiërarchie te danken, is dan ook klaar en duidelijk èn in onze Belijdenis èn in onze Bevestigingsformulieren uitgesproken. In art. XXXI onzer Belijdenis staat: »Wij gelooven, dat de Dienaar des Woords Gods, Ouderlingen en Diakenen tot hunne ambten behooren verkozen te worden door wet tige verkiezing der Kerk." En in denzelfden zin wordt in ons Bevestigingsformulier gevraagd: «Of gij gevoelt in uw hart, dat gij wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God zelven tot dezen heiligen dienst geroepen ziit? " Niet de Paus en niet dé Overheid, maar de Kerk alleen kan de wettige roeping tot het ambt verleenen.

Uit dit Gereformeerd beginsel, dat vaststaat en voor geen tegenspraak vatbaar is, schijnt nu te volgen, dat alleen zulk een verkiezing tot het ambt wettig is, waarbij de gemeente zelve geheel vrij en zonder eenige beperking door meerderheid van stemmen de ambtsdragers kiest Het ambt heeft bij de verkiezing geen actieve, maar een pas sieve rol. De gemeente, d. w. z. de gemeenteleden hebben alleen het recht van verkiezing. Wie dit »recht der gemeente" beperkt door het ambt ook bij de verkiezing actief te laten optreden, voert de Kerk op hiërarchische paden terug. Of gelijk het onlangs helder in een brochure, onder den titel »Eisch des Tijds" verschenen, is uitgedrukt: de gemeente moet bij de verkiezing onafhankelijk van den Kerkeraad zijn"

Is deze gevolgtrekking juist, eischt metterdaad de logica van het beginsel, dat men tot deze slotsom komt, dat staat men echter in de practijk voor een onoplosbaar raadsel, Calvijn zelf heeft te Geneve en de Gereformeerde Kerken voorts in alle landen het hierboven gestelde beginsel in practische toepassing gebracht door in hun Kerkenordingen nader te regelen, hoe de verkiezing voor het ambt zou geschieden. Wie deze practische toepassing nagaat, bevindt, dat van een dergelijk onbeperkt stemrecht der gemeente, onafhankelijk van den Kerkeraad, nergens sprake is, dat overal aan den Kerkeraad bij de verkiezing een groote, zelfs overwegende macht wordt geschonken, dat de verkiezing in eigenlijken zin zelf meestal door den Kerkeraad geschiedt en op die verkezing alleen de approbatie der gemeente gevraagd wordt. Voor dit feit staande, dat zoo sterk sp eekt, kan men slechts één van tweeën doen: of men kan aannemen dat alle Gereformeerde lerders dier dagen in de practijk lijnrecht tegen hun eigen beginsel zijn ingegaan, of men moet tot de conclusie komen, dat de bovengenoemde consequentie van het beginsel eenzijdig is en daaroth evenmin in de theorie als in de practijk het Gereformeerde standpunt uitdrukt.

Wel heeft men getracht aan dit düema te ontkomen, door te zeggen, dat de pruktijk niet zuiver kon zijn, omdat door het vasthouden aan de Volks kerk de zuivere idee der Kerk als gemeente van geloovigen niet tot haar recht kan komen en daarom het recht der verkiezing aan de gemeente onthouden werd, maar deze middelweg, al verklaart men daardoor iets, kan n.et afdoende zijn. En wel om drie redenen :

Vooreerst niet, omdat de gedienstigheden der praktijk wèl kunnen d^Vingen tot een minder zuivere tpepassing der beginselen, maar nooit kunnen leiden tot toepassing van een beginsel, dat niet Gereformeerd, maar zuiver Roomsch is. Het doel heiligt de middelen nooit Aan te nemen, dat onze Kerken in vroeger eeuw, om de volksmenigte te breidelen, een der grondbeginselen van het tiereformeerde Kerkrecht, waarover de felste strijd met Rome gestreden is, zouden hebben opgeruild voor een hiërarchisch Roomsch beginsel is onmogelijk. Er kan met het oog op de praktijk sprake zijn van een min of meer consequente toepassing van het beginsel, maar niet van het uitruilen van het eigen beginsel tegen «en beginsel, dat lijnrecht daartegenover staat.

En ten tweede, deze uitweg baat niet, omdat deze praktijk niet alleen gevonden wordt in de Gereformeerde Kerken in Nederland, waar de Kerk volkskerk was, niet alleen te Geneve, waar heel de stad «gereformeerd" werd, maar evengoed in de martelaarskerk der Hugenooten in Frankrijk, evengoed in de vluchtelingenkerk te Londen, m. a. w. ook in die Kerken, waar van geen volkskerk sprake was.

En ten derde — en dit feit doet al es af — indien onze vaderen aan de practijk het beginsel of meer ten offer hadden gebracht, m.a.w. indien hun beginsel metterdaad was geweest, dat de gemeente geheel vrij haar ambtdragers kiezen moest, onafhankelijk van den Kerkeraad, maar de nood der tijden hen gedwongen had de nog niet mondige gemeente eenigermate onder curateele van den Kerkeraad te stellen, dan hadden zij de bepleiting en verdediging van het ware Gereformeerde beginsel met dankbaarheid moeten begroeten belijdende: Wij grijpen naar dat ideaal maar gegrepen hebben wij het nog niet. Terwijl de historie juist omgekeerd toont, dat toen dit «Gereformeerd beginsel" door Jean de Morali is uitgesproken en verdedigd, de Gereformeerde Kerken en ook Calvijn zelf het hebben veroordeeld, zooals later zal worden aangetoond.

Het komt er op aan, hier wel tusschen de ongeorganiseerde en de georganiseerde gemeente te onderscheiden. Juist hieruit vloeit het verschil tusschen de eerste en de latere verkiezingswijs voort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 december 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 december 1899

De Heraut | 4 Pagina's