Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

9 minuten leestijd

In de Friesche Kerkbode besprak K. in een 7e artikel over de Verkiezing tot het ambt een licht rijzend misverstand.

Hij zei er van:

Het eerste misverstand bestaat hierin, dat men e aristocratische Gereformeerde lijn van onze erkenorde principieel verkeerd acht, daarin niets nders ziet dan de zuurdeesem der oudeRoomsche iërarchie en daarom van de stelling uitgaat, dat e verkiezing door dpn Kerkeraad of op voor racht van den Kerkeraad door de gemeente tot een wettige keuze voor het ambt leiden kan.

Men versta ons hierbij wèl. Gesteld voor de euze tusschen de meer aristocratische en meer emocratische lijn aarzelen wij voor ons zelf geen ogenblik, om aan de laatste de voorkeur te geven. n dat niet alleen, omdat de tijdsomstandigheden ns daartoe dwingen, maar omdat naar onze over uiging het Gereformeerde beginsel zelf tot een eer demokratische toepassing dringt. Wanneer it den boezem der gemeente op den Kerkeraad en zekere aandrang wordt uitgeoefend, om. voor oover de Kerkenorde dit gedoogt, de gemeente bij e verkiezing meer invloed te gunnen, dan vindt it streven bij ons veleer hartelijke sympathie dan afkeuring.

Maar — en dit is het gevaarlijke van den toetand — doordat in dezen strijd de ongereforeerde independentistische idee der volkssouve einiteit de overhand dreigt te krijgen, doordat rincipieel en bewust de stelling verdedigd wordt: e gemeente moet bij de verkiezing geheel onuf ankelijk zijn van den Kerkeraad, wordt de strijd ervalscht, krijgt men tegenstellingen, die in dezen bsoluten vorm genomen, onwaar zijn en moet aarom wel eens met ernst weer herinnerd worden an de waarheid, dat het Roomsche hisrarchische tandpunt en de aristocratische lijn onzer Ker enorde niet identiek zijn, maar principieel on derscheiden.

Het belang van deze stelling springt in het oog.

Acht men met ons de tegenstelling tusschen de eer aristocratische en de meer democratische reeling der verkiezing een tegenstelling, die binnen en omtrek van den cirkel der Gereformeerde beinselen valt; oordeelt men, dat ook de meer arisocratische lijn principieel onderscheiden is en blijft an de Roomsche hiërarchische idee, dan zal men met alle middelen, die het kerkelijk leven ons ten dienste stelt, voor zijn eigen overtuiging ijverer, maar nooit de toevlucht nemen tot revolutionaire daden, die het organisch veiband der gemeente dreigen te verbreken. Men zal, om het eens zeer eenvoudig uit te drukken, wanneer de Kerkeraad de verkiezing der ambtsdragers, zooals de' Kerkenorde dit toelaat, zelf ter hand neemt en van de gemeente alleen na de verkiezing de goedkeu ring vraagt dit voor zich zelf betreuren, door bespreking met den Kerkeraad trachten een betere regeling te k ijgen, maar nooit op dien grond de wettigheid van het ambt aantasten en meenen, dat zulk een sverkiezing" als in strijd met Gods Woord daarom geen wettige verkiering is. Zulk een wijze van verkiezing mag ons dan «onvolmaakt" toeschijnen, wij mogen oordeelen, dat een andere wijze van verkiezing veel meer in overeenstemming is met de Gereformeerde beginselen, maar tusschen sonwettig" en onvolmaakt" is een hemelsbreed onderscheid.

Stelt men zich daarentegen op het standpunt, dat de tegenwoordige regeling in onze Kerkenorde, niet onvolmaakt, maar principieel verkeerd, onge reformcerd, hiërarchisch en Roomsch is, de rechten der gemeente te eenenmale krenkt en lijnrecht in strijd is met Gods Woord, dan kan men de wettigheid van zulk een verkiezing niet langer toe stemmen. Indien men dan zelf op deze wijze verkozen wordt tot het ambt, moet men wel «bedan ken", of nog liever openlijk vour de geheele gemeente verklaren, dat men deze roeping als een valsche roeping beschouwt, en haar daarom principieel verwerpt. Immers op de vraag van het bevestjgingsformulier of men in zijn hart gevoelt wettig van de gemeente en mitsdien van God tot dit ambt geroepen te zijn, kan men dan niet lan ger met een onbezwaarde conscientie/«antwoorden. Niet alleen kan men voor zich zelf zulk een roeping niet aannemen, maar men is verplicht ieder die op deze wijze verkozen wordt, ernstig te vermanen, dat hij zulk een schijnberoeping zich niet mag laten welgevallen. En indien deze vermaning niet helpt en de gekozene toch zitting neemt in den kerkeraad, kan men hem niet als wettig ambtsdrager erkennen, maar moet men hem beschouwen als een indringer. En nu zegge men niet dat zulke extravagantiën en overdrijvingen toch niet in het hoofd van één verstandig mensch zullen opkomen. Beginselen drijven voort op den wég, en wie eenmaal door zulk een beginsel gedre ven wordt kan niet tot rust komen voor het einde van den '^Qg bereikt is Een broeder met een hel der verstand en die de consequentie van dit standpunt volkomen goed doorziet, zei ons eens ronduit: met deze wijze van verkiezing is beel de Kerkeraad onwettig. En toen wij er hem op wezen, dat dan ook alle handelingen, door den Dienaar des Woords en der Sacramenten onwettig waren, gaf hij ten antwoord, dat hij dan ook niet wist, of de Doopsen Avondmaalsbediening in on/e Kerken nog langer als zoodanig waren te erkennen. Dit is volkomen consequent. Is de verkiezing onwettig, dan is het am.bt onwettig. En is het ambt onwettig dan zijn ook alle handelingen door het ambt verricht onwettig. Er zijn dan geen gedoopte kinderen, er is geen werkelijk Avondmaal gehouden, er isg-en bediening van het Woord geweest.

Het spreekt wel van zelf, dat zulke consequenties nog zeldzaam getrokken worden. De aange boren «traagheid van geest" maakt, dat slechts enkelen tot zulke uitersten komen Maar het is goed dat zulke consequenties openlijk worden uitgesproken, omdat men daardoor ziet, waartoe de zoo eenvoudige stelling: de tegenwoordige wijze van verkiezing is hiërarchisch, den mensch brengen kan en brengen moet En zoo eerst zal men gevoelen, waarom wij het noodig achten het thans hangende vraagstuk zoo ernstig en grondig te bespreken, omdat feitelijk met deze vraag naar de wettigheid der verkiezing heel de geïnstitueerde Kerk des Heeren staat of valt.

Zonder daarom voor ons zelf de wijze van ver kiezing, die onze Kerkenorde voorschrijft, ideaal of volmaakt te achten, dient toch met het oog op dezen principieelen tegenstand zoo klaar en duidelijk mogelijk te worden aangetoond, dat ook deze wijze van verkiezing wat het beginsel betreft lijnrecht tegenover de Roomsche opvatting staat, met het hiëi-archische standpiint niets gemeen heeft dan den vorm, en daarom wel degelijk tot een volko men wettige verkiezing leiden kan en leidt, hoeveel gebrekkigs aan den vorm ook kleven moge.

Ook hier geldt: de schijn bedriegt. Omdat in de Roomsche Kerk het ambt den ambtsdrager kiest en in de Gereformeerde Kerk de Kerkeraad de keuze doet, meent men dat beide op hetzelfde standpunt staan en derhalve uit de onwettigheid der Roomsche verkiezing tot het ambt ook de on wettigheid der Gereformeerde verkiezing kan worden afgeleid.

Het is niet moeilijk, om de grondfout van deze redeneering aan te wijzen. Reeds Turretinus heeft deze bedenking onder de oogen gezien en afdoende beantwoord. De tegenstelling tusschen Rome en ons, zoo zegt hij, loopt niet over de vraag, »of de opzieners en herders der gemeente h t recht van verkiezing en beroeping hebben, want dat ont kennen wij niet. Maar het geschil loopt hierover : of zij dit recht hebben primair, origineel, zoodat dit recht in het ambt zelf zijn oorsprong heeft, of dat zij dit recht hebben secundair, zoodat het afgeleid wordt uit de gemeente; of zij dat recht uitoefenen in hun eigen naam en krachtens hun eigen gezag, of dat zij het doen uit naam der ge meente en krachtens het gezag dat de gemeente hun toegekend heeft ? " Dat en dat alleen is de principieele tegenstelling tusschen het Roomsche en het Gereformeerde standpunt. De Roomsche Kerk kan desnoods de gemeente laten stemmen over een ambtsdrager, maar dan is dat een goed gunstigheid van de ambtsdragers, dan ontleent de gemeente deze macht aan het ambt, dan blijft het toch principieel het ambt, dat alleen het recht van verkiezing heeft. En de Gereformeerde Kerk kan de keuze door den Kerkeraad laten doen, zoodat de gemeente daarbij schijnbaar geheel lijdelijk verkeert, maar dan is dit niet, omdat het ambt als een regeermacht in zich zelf daartoe het recht bezit, maar omdat de Kerkeraad de gemeente representeert, daarom namens de Gemeente handelend optreedt, dus aan de gemeente het recht ontleent. R eds deze principieele tegenstelling werpt heel de aanklacht, als ware onze Kerkenorde op dit punt Roomsch-hiërarchisch, onderstboven. Maar er is meer. Waar de Kerkeraad de ambtsdragers kiest namens de gemeente, omdat de Kerkeraad een college is, dat de gemeente representeert, daar volgt uit den aard der zaak, dat deze keuze eerst dan haar volle beslag krijgt, wanneer de gemeente daarop haar zegel heeft gedrukt. Op Roomsch standpunt kiest het ambt en is deze keuze op zich zelf volkomen wettig en voldoende; naar de concensus, de toestemming der gemeente wordt niet gevraagd. Maar het oordeel over deze keuze moet aan de gemeente verblijven. Zij bezit primordiaal en oorspronkelijk het recht van roeping. Eerst dan wanneer zij de keuze van den Kerkeraad heeft goedgekeurd, is de roeping een wettige roeping geworden. Daarom heeft de Gereformeerde Kerk altijd geëischt, dat de Kerkeraad de verkorene aan de gemeente zou voorstellen en ieder het vrije recht zou hebben bezwaren tegen deze personen in te brengen. En eerst dan, wanneer er geen wettige bezwaren waren ingebracht, kon de Kerkeraad tot de bevestiging en in het ambtzetting der verkozenen overgaan. Deze toestemming, approbatie, goedkeuring door de gemeente is dus niet iets bijkomstigs, maar is hoofdzaak, is het fundament, waarop de wettigheid der verkiezing rust. Daarom kan de geroepene met goeder conscientie verklaren, dat hij waarlijk door de gemeente en mitsdien door God geroepen is Indien de Kerkeraad koos maar heel de gemeente deze keuze afkeurde en dit uitsprak, dan zou de verkiezing onwettig zijn en de geroepene moeten bedanken. Maar als de gemeente door stilzwijgen of door andere middelen aan de keuze haar goedkeuring heeft geschonken, dan is de verkiezing niet langer een verkiezing van den Kerkeraad alleen, maar een verkiezing der geheele gemente geworden

De vraag of het wijs is, dat de Kerkeraad deze keuze doet zonder eerst de gemeente te hebben geraadpleegd; of de gemeente op deze wijze genoegzaam vrij is in haar recht van beoordeeling, raakt de practische toepassing, maar raakt niet het beginsel. Het beginsel, waarvan onze Kerkenorde uitgaat, en daarom is het ons hier uitsluitend te doen, is niet Roomsch maar Gereformeerd, is niet hiërarchisch maar erkent, zij het dan ook zijdelings, het recht der gemeente.

Van dien „consequenten broeder", die hier sprekende wordt ingevoerd, zou men dan toch vragen kunnen, of hij niet den doop der Rooraschen en Lutherschen enz. erkent.

Zoo ja, dan gaat zijn consequentie niet door. Zoo neen, dan komt hij op de lijn van de Plymouth brethren; dan bestaat er reeds sinds de 4e eeuw geen kerk meer, en is er nooit inons land iemand wettig gedoopt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 februari 1900

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 februari 1900

De Heraut | 4 Pagina's