Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De taak der toekomst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De taak der toekomst.

9 minuten leestijd

XIII.

Van een Dienaar des Woords ontvingen we de pertinente vraag, waarom de hoofdredacteur van ons blad niet zelf leverde wat hij met zooveel ernst op het program onzer kerken voor de toekomst schreef.

Uit dit schrijven, voor publiciteit bestemd, doch dat we niet in extenso kunnen opnemen, zij hier toch deze zinsnede overgenomen :

Gij vraagt, waar zijn de Mannen die er bekwaam voor zijn? Over deze vraag, door u gedaan, sta ik wel wat verwonderd.

Indien toch Guido de Brés in zijne dagen zoo gevraagd had, zouden de Ger. kerken zoo schoon eene Belijdenis als de 37 Artikelen niet hebben ontvangen. En hoe hebben de opstellers van den Cathechismus zich zelf niet overtroffen? Waar God u zoovele gaven schonk om zijne kerken in ons land te dienen, is het mijn oordeel dat het op uw weg ligt een kort belijdenisschrift op te stellen, hetwelk naar het Woord des Heeren die nieuwe ketterijen kort en krachtig weerlegt. Gij zijt te midden van die ketterijen opgegroeid en kunt ze gemakkelijker ontmaskeren, dan zij die in de actie van '34 zijn geboren en groot geworden.

Begin maar met de schoone woorden van de Brés: „Wij gelooven allen met het hart en belijden met den mpnd, volgens het woord des Heeren" enz.

Lezing van ons vorig artikel toont reeds, dat hier misverstand in het spel is. Guido de Brés heeft een bestaande Confessie voor onze kerken omgewerkt, en Ursinus en Olevianus hebben waarlijk hun Heidelberger niet uit de mouw geschud, maar saam een zeer aanmerkelijk deel van hun tijd er aan ten koste gelegd en zulks onder princelijke autoriteit.

Er ligt achter beide deze Formulieren, evenals achter de Canones van Dordt, een persworsteling van tientallen van jaren; en hoewel er in deze Dordsche leerregels geen woord bijna voorkomt, dat niet reeds evenzoo geordend en geformuleerd was in vroeger uitgekomen geschriften of op vroeger gehouden twistgesprekken, is er toch aan de Canones zelve nogmaals een reuzenarbeid van lange maanden besteed.

Alle vraagstukken, die het destijds gold, waren lang eer de Brés of Ursinus aan het werk togen, in tal van geschriften scherp contradictoir bepleit. Over en weder had men positie genomen. En men kende precies op zijn duimpje alle argumenten, bezwaren, bedenkingen en instantiën, die van de zijde der tegenpartij werden aangevoerd, en men wist even precies wat men onzerzijds stuk voor stuk, en één voor één, op alle deze gronden, beweringen en geciteerde Schriftuurplaatsen te antwoorden had.

Wie zich de moeite geeft de stellingen na te gaan, die toentertijd aan de univcrteiten door Studenten verdedigd werden, zal vinden, hoe reeds deze jonge mannen haarfijn in elk geschilpunt wisten in te dringen en alle voor en tegen tot in de kleinste bijzonderheden wisten te formuleeren.

Velerlei was hiervan de oorzaak.

In de eerste plaats was de Heilige Schrift niet in geschil.

Er was geschil, ja, over de vraag, of men bij de Schrift nog een andere autoriteit zou erkennen: de traditie, het kerkelijk leeraarsambt, de apocryphen, het innerlijk licht; maar alle combattanten in de toenmalige worsteling hadden althans één ding gemeen, en dat was, dat ze het beroep op den letterlijken inhoud der Schrift, allen zonder onderscheid, als geldig be­schouwden.

Zoo had men een gemeenschappelijk terrein waarop men staan kon; en feitelijk liep heel de strijd over de uitlegging van teksten en over de uit deze tekstwoorden afgeleide conclusiën.

Thans is dit niet meer zoo.

De Heilige Schrift is thans zelve in het geding getrokken. Met de verwerpers van een persoonlijk God kunt ge ganschelijk niet meer uit de Heilige Schrift handelen. De Modernen kennen aan het Schriftwoord niet dan bij keuze een relatief-zedelijk gezag toe. En de Ethischen stellen het gezag der Heilige Schrift nog wel veel hooger, maar zijn toch aan het Schriftgezag, gelijk onze vaderen dat hoog hielden, en wij diteeren, ganschelijk ontwend, terwijl bij de Ritschlianen eigenlijk geen ander beroep is toegelaten dan op hetgeen, na critisch onderzoek, als stellige uitspraak van Jezus, zij het ook door het intermediair van een apostel, vaststaat.

Dit nu dwingt u, om voor alle dingen het pleit voor en over de Schrift en haar gezag te voeren; en dit is uiteraard met de Schrift calleen niet af te doen, althans niet in contradictoir debat.

In de tweede plaats vergete men niet, dat toentertijd alle theologen formeel-wijsgeeng gevormd waren. Wel wordt er thans meer aan philosophic gedaan dan destijds, maar wat men nu doet is historische overzichten geven. Een autoriteit gelijk destijds die van Aristoteles was, bestaat thans niet. Al zoeken toch de Kantianen nog steeds aan Kant de autoriteit te verzekeren, die eens Aristoteles bezat, van algemeene erkentenis hiervan is geen sprake. En voor zoover er neiging opkomt, om op Aristoteles terug te gaan, gaat dit weinig verder dan de algemeene redeneerkunde, en blijft op de diepere vraagstukken, die den weg der kennis beheerschen (Erkenntnisstheorie) het zooveel hoofden zooveel zinnen van toepassing. Zelfs in Gereformeerde kringen zijn we het over de vraagstukken, die hierbij in aanmerking komen, nog lang niet eens.

De formeele logica nu uitgezonderd, heerscht er op wijsgeerig, en ook op formeelwijsgeerig gebied, thans een hopelooze sp akverwarring, die op haar beurt weer met de diepste beginselen saamhangt, en die maakt, dat in de psychologie, in de paedagogiek enz. tal van scholen, elk met een eigen program, aan het woord zijn, en dat het onzerzijds nog volstrekt niet uitgemaakt is, welke beslissing, krachtens onze beginselen, bij elk dier geschilpunten is te nemen.

Wel mag met dank geconstateerd, dat hetgeen Dr. Kuyper in het tweede deel van zijn Encyclopaedie, Dr. Bavinck in het eerste deel zijner Dogmatiek, en Dr. Woltjer in oratie en Gymnasiaal program hierover ten beste gaven, alle uitzicht op eenstemmigheid opent, maar toch, verschil op meer dan één punt van aanbelang ontbreekt ook hier niet.

En in de derde plaats houde men in het oog, dat de worsteling op leven en dood, die in de i6de eeuw was aangebonden, de belangstelling in deze vraagstukken derwijs prikkelde, dat men alle andere geschilpunten er voor op den achtergrond schoof, en bij de behandeling ervan op de deelneming niet alleen van alle kerken, maar van al het volk, en zelfs van de Overheid, rekenen kon.

Ook dit is nu zoo heel anders.

Er is geen worsteling op leven en dood meer. Er is geen bloedraad, en er staat geen houtmijt opgericht. Er worden om de religie geen oorlogen meer gevoerd. De Overheid maakt rustig gebruik van haar bevoegdheid, om ons uit te sluiten, en de aanhangers van de nieuwe denkbeelden van katheder, van salaris en laboratoria te voorzien. Denk eens wat er toentertijd een storm over de candidatuur van Vorstius voor het hoogleeraarschap opstak.

Het volk in zijn breeder rangen interesseert zich ganschelijk niet meer voor deze diepgaande geschillen. Het winkelt, het handelt, het doet in effecten, en zit in bierhuis en café, of arbeidt voor loonsverhocging.

En komt ge in den engeren kring van ons Christenvolk, en nog enger in den Gereformeerden kring, dan schijnt het besef, dat door een worsteling der geesten de toekomst moet worden verzekerd, ganschelijk te ontbreken. Onze kerkeraden bekommeren er zich niet om. Den goeden niet te na gesproken, leven de meeste Dienaren des Woords onder den indruk, dat op ons terrein alle deze vraagstukken uitgemaakt en beslecht zijn, zoodat het tijdverspelen zou zijn, er zich in te werken. En de vraagstukken in de Kerken die op breed terrein algemeene belangstelling gaande maken, zijn A en B, separatie en doleantie. Universiteit of Theol. school. Zending met of zonder provinciale Deputaten, en soortgelijke. Schuif zulke vraagstukken op den voorgrond, en op eens staan alle kerken als in twee legerkampen gedeeld. Maar voor de diepere vraagstukken, die de toekomst beheerschen, is oog noch oor. Ook onze pers bewijst dat. Ze is uitgebreider dan ooit, maar hoe zeldzaam is in onze pers niet de behandeling van een der vraagstukken, die op dit dieper liggende terrein tot besHssing kunnen leiden! In de schoolbladen wordt er haast nog meer aandacht aan gewijd, maar ook de strijd door Dr. Bavinck in een dier bladen tegen Herbartiaansche e.a. stellingen gevoerd, trok schier niemands aandacht. Het ging buiten onze kerken om. Het scheen haar niet te raken. En toch was Dr. Bavinck's poging om op psychologisch terrein tot meerdere eenstemmigheid te geraken, van het uiterste gewicht.

Welke conclusie volgt hier nu uit?

Deze, dat in de i6e en 17e eeuw het ten slotte in confessievorm brengen van de belijdenis der Gereformeerde kerken, alzijdig voorbereid was, en dat men, eer zulke ontwerpen op de Synode kwamen, én van aller instemming zeker was, én vooruit wist, dat wie er over te oordeelen hadden, er over oordeelen konden met kennis van zaken. Men wist er van. Men leefde er in. Men was gereed. En daardoor vlotte het werk. De kerken vroegen er om, wachtten er op, rustten niet eer het voltooid was, en stonden er willig haar leeraren voor af. Ook het geld leverde geen bezwaar op. Daarin voorzag de Overheid.

Thans daarentegen ontbreekt die voorbereiding, ontbreekt die belangstelling, ontbreekt die eenstemmigheid, ontbreekt die toewijding, ontbreekt die kennis van zaken, ontbreken die middelen.

Men zou dus, door te doen, wdt bovengenoemde dienaar des Woords schreef, van tweeën één bereiken: óf dat op de Synode zulk een concept uitgangspunt werd van booze gedeeldheid, oftewel, dat de kerken het beaamden, maar op de manier, zooals een weduwe, na het overlijden van haar man, een notarieele acte teekent, enkel afgaande op het zedelijk vertrouwen dat zij in haar notaris stelt. Ze begrijpt het stuk wel niet. Ze kan het bij de voorlezing niet volgen, maar ze teekent, omdat het wel goed zal zijn.

Sinds maanden zijn we nu bezig deze uiterst gewichtige aangelegenheid aan de kerken op het hart te binden, en zeg zelf, hebt ge nu in onze kerkelijke wereld meer dan één enkelen wezenlijken echo op onze noodkreet kunnen beluisteren?

Men laat u schrijven.

Ten slotte is uw artikelenreeks af, dan hebt ge uitgepraat, en volgt er een zwijgen als van het graf.

Juist daarom deed ook de stem van den in den aanvang van dit artikel geciteerden briefschrijver ons zulk een genoegen, omdat er uit bleek, hoe er althans meer dan één was, die op onze klacht gelet had.

Doch, helaas, ook hij meende, dat deze reuzentaak met het opstellen van een klein geschriftje best kon afloopen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 februari 1900

De Heraut | 4 Pagina's

De taak der toekomst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 februari 1900

De Heraut | 4 Pagina's