Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De taak der toekomst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De taak der toekomst.

8 minuten leestijd

XIV. (Slot)

Amsterdam, 2 Maart 1900.

Gelijk tot ons genoegen onlangs ook door Dr. Bavinck in de Bazuin werd opgemerkt, verkeert onze Gereformeerde theologie nog in hopelooze achterlijkheid; en wat dit zoo dubbel pijnlijk maakt is, dat onze jongere geleerden zich schier uitsluitend op kerkhistorische studie of op kerkhistorische biographic werpen.

We hebben dan nu een Encyclopaedie, en Dr. Bavinck's Dogmatiek nadert haar voltooiing, maar voor het overige ligt heel het veld nog braak, en gaat schier aller kracht in biographic en kerkrechtelijke detailpunten op.

Nu onderschatten we deze historische studiën niet. Veeleer zijn ze voor een historisch beginsel, dat een nieuwe ontwikkeling zoekt, broodnoodig. We zoeken weer aansluiting voor het bestaande aan ons verleden. Dat verleden was vergeten. Verder dan Brakel, a Marck en Smijtegelt ging men niet terug. Ook stonden we voor een historie-vcrvalsching die noodzakelijk correctie eischte. En bovendien viel nog heel wat te onderzoeken, dat onder het stof begraven lag.

Maar ieder gevoelt toch, hoe een goed deel van deze studie, wel niet even goed, maar toch op voorshands bruikbare wijze, ook door anderen kon geleverd worden en geleverd is. De school van Acquoy bewees ons in dit opzicht wezenlijke diensten. Wat we hoog noodig hebben, is een vaderlandsche kerkhistorie en commentaar op de Dordsche Kerkenorde, alsook dusgenaamde dogmen-historische studie. Maar ook dit is alles nog slechts voorbereiding om verder te komen. Eigenlijke handboeken voor onze studenten ontbreken, en vooral de wetenschappelijke bestudeering der Heilige Schrift roept luide om meerder aandacht.

Kerk-historische studie is slechts het zich wapenen voor den strijd en het formuleeren van zijn sprake. Zal ons woord weer invloed krijgen op het gemeene terrein des levens, dan moet men de tegenstellingen onder de oogen zien, op dit gebied positie nemen, en, na aanvankelijke verdediging, overgaan tot den aanval.

Reeds te laag roept men onder ons om een Theologisch tijdschrift. Het is zoo, op loffelijke wijze is reeds van meer dan één kant gepoogd, om iets te geven, dat ons dien weg op kon leiden. Maar zonder het oog te sluiten voor het vele goede, dat ons op die wijs reeds geboden werd, zal elk kenner toch toestemmen, dat, wat dusver verscheen, niet op één lijn is te stellen met wat men elders onder een Theologisch tijdschrift verstaat. En ook, al achtte men daarvoor de beschikbare kracht nog te klein en te weinig geconsolideerd, men kon toch beginnen met een algemeen tijdschrift, waarin theologische studiën, letterkundige opstellen en juridische artikelen plaatsing kunnen vinden.

Zeker, het gaat niet aan, zulk een tijdschrift uit te zetten als een schakelnet, in de hoop dat het net visch zal maken. Eerst moet de visch er zijn, en dan kunt ge vangen.

Ontkend kan intusschen niet, dat het bestaan van zulk een tijdschrift lust en moed geeft, om een dier kleinere studiën o o o te gaan ondernemen, die op zichzelf niet belangrijk genoeg zijn, om een uitgever het risico der uitgave te doen wagen, en die toch als steentjes voor het groote gebouw van afdoende beteekenis zijn.

En dit nu zou aanleiding kunnen worden voor vele onzer jongere theologen, om de hand aan den ploeg te slaan. Als men een doel voor oogen ziet; als men verstaat, dat onze kerken de roeping hebben, om zich tegenover de dwalingen van onzen tijd met kennis van zaken uit te spreken; als men beseft, dat hiervoor aanmerkelijke voorbereiding noodig is; als men ontwaart wat daarvoor noodig is; als men uit het vele, dat op afdoening wacht, een keus kan doen; als men, zonder kniebuiging voor een lastig uitgever, zeker is van plaatsing zijner studie; als men merkt dat anderen ook aan het werk tijgen; als men met die anderen over den gemeenschappelijken arbeid raadplegen kan; als men elkander steunt, en saam voortarbeidt in het besef, dat hierdoor onze kerken en onze volksgenooten wezenlijk gediend worden; dan komt menigeen de wet der geestelijke traagheid te boven; het nemen van een initiatief wordt hem gemakkelijker. Eenzaam dolen en wagen drukt, saam optrekken bezielt en prikkelt.

Het is zoo, er is ook geldelijk bezwaar. Een tijdschrift, dat niet behoorlijk honoreeren kan, en niet minstens voor 60 vel 's jaars / 40 per vel kan uitbetalen, mist levensvatbaarheid. Tweemaandelijks met tien vel uitkomend, heeft het beteekenis. En het minimum honorarium van ƒ 40 per vel is noodzakelijk, niet om bijverdiensten te vormen, maar om tot het aanschaffen van de noodige literatuur in staat te stellen. Een theoloog zonder boeken is een schutter met leege patroontasch. Dan is men niet op de hoogte. Dit niet op de hoogte zijn, geeft een gevoel van zwakheid. Om met vasten tred te kunnen voortschrijden, moet het terrein verkend zijn.

Voeg nu bij deze ƒ 2400 een andere 2400 voor zet-en drukloon en papier, en ge staat voor een uitgave van j-ƒ 5000, terwijl ge, om invloed te hebben, niet duurder dan ƒ 6 's jaars moogt zijn, en aanvankelijk op niet meer dan 400 abonnementen tot dien prijs kunt rekenen. Er zou dan een kleine / 3000 bij te passen zijn, en eer die gevonden zijn door bijdragen van onze gegoede lieden, steke men niet van wal. Een redactie, die niet goed betalen kan, mist recht van keur en critiek, en het is niet te vergen dat ernstige studiën gratis geleverd worden, en dat men nog de onkosten zelf betale op den koop toe.

Drie dingen zouden we dus wenschen. In de eerste plaats, dat op velerlei wijze het besef in de kerken bevorderd werd, dat onze kerken een ernstige roeping ook buiten onzen kring, tegenover de dolende Christenheid en tegenover de wereld te vervullen hebben, en dat ze er toe moeten komen, om haar belijdenis in zulk een zin uit te breiden, dat ze ook tegenover de dwaHngen van onzen tijd positie kunnen nemen.

Ten tweede, omdat de kerken daartoe niet kunnen overgaan, dan na voorafgaand ernstig en diepgaand theologisch onderzoek van het wezenlijk en concreet karakter dezer dwalingen, en na helder te hebben ingezien, welke uit kracht van ons beginsel de tegenstelling moet zijn, wenschen we, dat met name onze jongere theologen zich tot dezen voorbereidenden arbeid opmaken.

En in de derde plaats is het onze overtuiging, dat de oprichting van een tijdschrift, zij het aanvankelijk van algemeen wetenschappelijk karakter, het profijtelij kst middel zal blijken, om zulke voorbereidende studiën uit te lokken, aan den gang te houden, en in verband te zetten.

Zal men nu zeggen, dat wie zulk een wensch koestert, geen weekbladartikelen moet schrijven, maar geld bijeenbrengen en een redactie zoeken?

Wie ons beroep op de kerkelijke krachten ernstig opvat, zal anders oordeelen. Hij zal verstaan, dat niet de keuze van het middel beslist, en dat alleen de eenheid van overtuiging omtrent het doel bezieling kan wekken.

Al ware het dan ook, dat men ons denkbeeld, om een tijdschrift op te richten, ontijdig keurde, en dat het geld ervoor bleek niet te vinden te zijn, hierdoor zouden de theologen onder ons nog in het minst niet ontslagen zijn van de taak, om de hand an den ploeg te slaan. Ja, zelfs al bleken r geen arbeiders te zijn, de velden zouden wit blijven om te oogsten, en de oogst op het veld zou blijven roepen om maaier en sikkel.

Vóór alle dingen komt het daarom op het wekken van overtuiging omtrent de roeping nzer kerken aan, en die kan alleen gevestigd worden door het publieke woord, at in wijden kring rondgaat.

Bleek het toch, dat de meesten onder ons van oordeel waren, dat de kerken met e Formulieren der i6een 17e eeuw volstaan konden, dan ware er voorshands geen stap e vorderen, en zou eerst een poging moeen worden gewaagd, om, nog veel breeder an wij dit in deze artikelreeks deden, de nhoudbaarheid van dit standpunt aan te toonen.

Ons kwam daarom voor, dat eerst de ateren moeten gepeild worden, en dat óór alle dingen noodig is, dat we van elkaner te weten komen, hoe we voor dit iterst gewichtige vraagstuk staan.

Onze artikelen mikten dan ook verder dan onze lezers.

Ze bedoelden bovenal, aan te kloppen an de deur der redactiën van onze zusterladen, om, ware het niet te veel gevergd, van aar te mogen vernemen, wat zij van het pgeworpen vraagstuk denken.

Niet natuurlijk, om met een bloot voor f tegen een persplebisciet te houden, maar m, zoo er bedenkingen zijn, die we nog niet nder de oogen zagen, te vragen dat men ons die voor wille leggen, en alzoo zaakrijke discussie uitlokke.

En mochten er onder onze zuster-redactiën, gelijk we vertrouwen durven, meerderen zijn, die iets gevoelen voor wat we bepleitten, dan verwachten we, dat ze de propaganda voor dat denkbeeld met ons zullen opnemen.

En is de zaak dan in de pers tot rijpheid gebracht, en bleek ze weerklank te vinden, laat dan de theologen en de m.annen van fortuin samenkomen; en zien we dan wat in de mogendheid des Heeren te ondernemen is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1900

De Heraut | 4 Pagina's

De taak der toekomst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1900

De Heraut | 4 Pagina's