Buiteuland.
Engeland. Onboetvaardigheid van het Engelsche volk.
Er is in Engeland over gesproken, dat op Zondag 11 Februari een boete-enbededagzou gehouden worden. Maar menschen van invloed hebben het tegengehouden. Men zou het houden van zulk een dag kunnen beschouwen als een uitvloeisel van moedeloosheid, gewerkt door geleden verliezen. En Engeland is met verslagen, het behoeft ook niet te buigen. Men heeft alleen op bevel van de koningin en op voorstel der aartsbisschoppen een algemeenen bededag gehouden. Er werd daarbij voorgeschreven, dat men bidden zou voor de gezinnen, die door den krijg lijden, en dat de oorlog spoedig mocht ophouden. Er wordt in dit gebed ook nog gezegd, dat het Engelsche volk bijna tot vertwijfeling in het nauw gebracht is door een machtigen heidenschen vijand. Afgezien van de schaamtelooze leugen, dat Engeland zoo tot vertwijfeling toe in de engte gedreven is, is de uitlating omtrent den heidenschen vijand meer dan erg. De Engelschen konden in hun kamp bij de Toegela de Boeren psalmen hooren zingen, zoodat de Engelsche soldaten er door getroffen werden; terwijl het algemeen bekend is dat zij eiken morgen met gebed beginnen en eiken avond met dankzegging eindi gen. Men weet ook, dat president Krüger bij het begin van den oorlog een algemeenen bede-en boetedag uitschreef en zijn volk toe riep: Waakt dan, want gij weet den dag en de ure niet waarin de Zoon des menschen komen zal. De boeren moesten den 10 wijzen maagden gelijk zijn en op den Heere wachten; zij be hoorden te volharden in de geboden Gods en in het gebed; zij moesten waken tegen zondige gedachten en daden, tegen de verzoekingen der wereld en tegen valsche profeten. Christus is de eenige tot wien men zich moest wenden, tot Hem die de groote scheidsrechter is.
De ouders moesten hunne kinderen in het geloof in Christus opvoeden, dan zou God aan het eind zoo beslissen als het 't beste was.
En zulk een volk, dat zulk een leidsman heeft, en zich met zijn leider één gevoelt, wordt in de officieele gebeden der Engelschen een heidensch volk genoemd. Het is niet genoeg dat de leugen in de paleizen der machtigen heerscht, dat ministers en generaals de leugen vasthouden, maar de leugen moet ook in de kerken gedragen worden. De aartsbisschoppen moeten toch weten dat er geen volk op aarde gevonden wordt, waaronder de vreeze Gods nog zooveel invloed uitoefent op het leven, als juist het Transvaalsche en dat van den Oranje Vrijstaat.
Hoever een deel van het Engelsche volk vervoerd is blijkt uit het feit, dat hartstochtelijke stemmen zich deden hooren om te betoogen dat Engeland niet noodig had om hulp van God of menschen af te bidden!
Wel heeft Engeland nog zijn 7000 die voor de goden der volksijdelheid niet willen buigen ! Menschen die er van doordrongen zijn, dat het bestaan van het Engelsche volk bedreigd wordt wanneer de Engelsche legers de overwinning niet behalen, noemen het een misdaad van de Engelsche regeering, den oorlog te hebben uitgelokt. Dr. Horton, een congregationalistische predikant, zeide onlangs op den kansel: „het Engelsche volk zal ondergaan, wanneer men de grondslagen van gerechtigheid omver haalt, waarop het rust. Sedert zes maanden wordt de geest van onze natie door leugen bedorven, zoodat men met het grootste cynisme van de zedelijke wetten spreekt.”
Zoo gaat het voort.
De laatste berichten van het oorlogsveld doen zien, dat de Engelschen belangrijke voordeelen hebben behaald. Kimberley ontzet en Cronje mei zijn dapperen krijgsgevangen 1 Hoe onze ziel daaronder tteurt, is niet met woorden uit te spreken. Wij kunnen ons voorstellen, hoe de aanhangers van Chamberlain en Rhodes zullen juichen. Maar wij beamen wat een Duitsch blad schreef:
„Engeland denkt alles met zijne kanonnen te kunnen dv.-ingen, sp-ot met vermaningen tot boete en veracht de hulpe Gods. Het haalt zich echter door dezen oorlog den dood op den hals, de naaste uitkomst moge zijn gelijk zij wil. Er is te veel verachting van God en van Zijn geboden. Maar Engeland is verblind en ziet niet tegen wien het strijdt, in welk een sterke bescherming het vo'k der Boeren staat, omgeven door een muur van gebeden, zeker in het hoogvertrek van zijn vertrouwen op do hulp van den almachtigen God. Nooit heeft God hen tot schande laten worden, die op Hem vertrouwen. En nooit heeft Hij de gc: b(; den der Christeirhcid onverhoord gelaten.... V^'ij herhalen de woorden van den zendeling, dit uitriep: „Bidt alie kinderen Gods om de zegepraal der gerechtigheid, om de overwinning van het op God vertrouwende Boerenvolk tegen zijn onrechtvaardige, vermetele verdrukkers." Het is niet meer slechts een strijd van kanonnen tegen kanonnen, maar een kamp van Godvergetenheid tegen Godsvertrouwen. Wij weten wat God beloofd heeft. Daarom maken ons de berich" en van het krijgstooneel, die voor Engeland gunstiger luiden, niet moedeloos; er zal alleen maar des te meer gebeden worden, en des te heerlijker zal zich de uitgestrekte arm des Heeren openbaren, wanneer Hij het kleine volk tegen zijn overmachtigen en overmoedigen vijand helpt! Het is Gods eer, door weinigen te helpen, waar menschen dikwijls weinig hoop hebben. Hij kan nog zoo doen als ten tijde van Hiskia. toen de gezant van den Assyrischen koning Sanherib in zijne vermetelheid zeide: „Waar zijn de Goden van Hamath en Arpad ? Waar zijn de goden van Sefarvaïm ? Welke zijn ze onder de goden van deze landen, die hun land gered hebben van mijne hand, dat de Heere Jeruzalem zou redden uit mijne hand? ”
En toch is Jeruzalem gered, en de engel des Heeren sloeg in het leger van Assyrië 185, 000 man!”
Wellicht is Cronjé machteloos gemaakt om het aan de geheele wereld te doen zien, dat de Heere, en Hij alleen, aan zijn volk op Zijn tijd de overwinning geeft.
— Evangelisatie van Duitschland?
De predikant Darlow—Sarjeant te Londen, die op het laatste Evangehsatie-congres te Blankenburg als voorzitter fungeerde, verzamelt geld om een Evangelisatie-veldtocht naar Duitschland te organiseeren. Speciaal schijnt het Koninkrijk Saksen het doelwit van het streven des Londenschen predikers te zijn. Men heeft voor dat oogmerk f 1800 vergaderd; er ontbreekt nog ƒ 3000.
De Philadelphia schrijft hieromtrent: „Hoezeer ons de Evangelisatie in Duitschland ter harte gaat, zoo betreuren wij een dergelijke onderneming en houden het niet voor recht. De Engelsche Christenen hebben in dezen tijd waarlijk genoeg van hun eigen stoep weg te vegen, en aan hun geldgierig, zelfzuchtig en onrechtvaardig volk boete te prediken ... Wij hebben zeker de Engelsche broeders hartelijk lief en verheugen ons over hunne gaven, maar voor een Evangelisatie-veldtocht naar Duitschland ontbreekt hun alle Goddelijk en menschelijk recht. Of willen de Engelsche Christenen zich Jameson en Chamberlain tot voorbeelden nemen? ”
Dit is zeker een woord op zijn pas. Het optreden van Engeland als Evangelisator van Duitschland zou in anderen tijd als dezen alleen gerechtvaardigd zijn, wanneer er geen openbaring van de kerk des Heeren in dat land gevonden werd.
Denemarken. Invloed van de Staatskerk.
Van moderne zijde klaagt men er over, dat in Noorwegen en Denemarken gewetensdwang heerscht. De Staat dwingt zijne ambtenaren, zoo heet het, al is het dan ook niet door eene wet, om te doen of zij aanhangers van de Luthersche kerk zijn. Als een officier of een ander ambtenaar zijn huwelijk niet in de kerk zou willen laten inzegenen, of zijn kinderen niet zou willen laten doopen, dan kan hij er op rekenen, dat hij gepensioneerd wordt. De kinderen worden op de school onderwezen in de Bijbelsche geschiedenis en dit is voor menigeen een ergernis. In één woord, de officieele Staatskerk is zoo in het maatschappelijk leven geworteld, dat de menschen die haar belijdenis niet deelen, niet durven toonen dat zij niet tot haar v/enschen te behooren.
Evenwel wordt aan de Staatsuniversiteit te Kopenhagen druk aan de moderne bijbelcritiek gedaan. En dit is niet zonder uitwerking gebleven. De pas benoemde bisschop op Salland, Tolster, heeft verklaard, dat hij al zijn macht zal gebruiken orn in zijn „stift" de hedendaagsche schriftcritiek te weren. Wel een bewijs, dat het uitgestrooide zaad ontkiemd is.
In Denemarken is het voorgeschreven dat, als men tot de Luthersche kerk behoord heeft, men ook door een predikant der Luthersche kerk naar het graf geleid vvordt. Het komt nu herhaaldelijk voor, dat bij het houden der lijkrede de predikant de gelegenheid aangrijpt om zijn droefheid over het kettersch leven van den overledene uit te spreken en de achterblijvenden tot bekeering te vermanen.
De modernen verlangen daarom, dat de verplichte lijkrede in Denemarken afgeschaft worde, en dat het ieder zal vrijstaan een woord aan het graf te spreken.
Wij kunnen niet anders zeggen, dan dat dit verlangen zeer betamelijk is. De menschen te dwingen te luisteren naar een rede, die niet overeenkomt met hunne overtuiging, gaat niet aan. Ook is het opmerkelijk, dat eenige vrijzinnige predikanten op het eind van het vorige jaar een vergadering te Kopenhagen hielden en daar openlijk uitspraken, dat de scheiding in de kerk tusschen arm en rijk door het verhuren van plaatsen onchristelijk was. Dat dit door moderne predikanten moest worden uitgesproken, en dat niet orthodoxe predikanten der staatskerk daarvoor hebben geijverd, doet ons leed.
Het is onze overtuiging, dat een staatskerk moet leiden tot toestanden gelijk die in Dene marken bestaan. Onoprechtheid wordt er doe bevordei-d, terwijl de invloed, dien de kerk op het volksleven kan uitoefenen, niet weinig wordt verminderd.
N.-Amerika. Een openbaring van fanatieke geestdrijverij.
Dezer dagen kwam uit Noord-Amerika een bericht, dat doet denken aan den gruwel die in ons vaderland te Appeltern plaats had. De Hope deelt ons mede:
„Ottumwa”, Ia., 31 Jan. Een landbouwer met name Charles Spencer, wonende zes mijlen ten noorden van Lovilla, bedreef Maandag een vreeselijke misdaad door zijn kind (een zuigeling) van alle kleertjes te ontdoen en het buiten in de strenge koude op den grond te leggen, alwaar het na eenige uren, in bijzijn van de ontaarde moeder, doodvroor. Eenige buren, die van het wanbedrijf kennis kregen, slaagden er met moeite in om de ouders gevangen te nemen. De Spencers, verklaarden op bevel van God de opoffering gedaan te hebben. Beiden werden naar het krankzinnigengesticht te Mt. Pleasant vervoerd.
Hier is het dus niet een vreemde knecht die als slachtoffer van fanatieke geestdrijverij valt, maar een eigen kind, een hulpeloos, teeder wicht. Het blijkt hier, dat de geestdrijverij niet alleen er toe brengt om de wet van God met de voeten te treden, maar ook de banden der natuurlijke liefde doet verscheuren. Met welk een teederheid zorgen menigwerf moeders, dikwijls ten koste van hare eigene gezondheid, voor hare kleinen! Tot hiertoe zijn moeders, die hun kind verwaarloosden of doodden, uitzonderingen gebleven. Schaamte bracht enkele ongehuivde moeders er toe hare zuigelingen om te brengen; ook hebzucht heeft wel zóó de natuurlijke liefde tusschen moeder en kind weggedreven, dat eene vrouw, gelijk onlangs te Rotterdam, hare dochter vergaf om tie gelden der levei; sverzekeringmaatschappij machtig te worden.
Het blijkt nu echter opnieuw, gelijk het ook in de historie uitkomt, dat geestdrijverij, dweepzucht of fanatisme, hoe men zoo iets ook noemen wil, zelfs de hechtste banden des bloeds verscheurt.
Opmerkelijk is het, dat èn te Appeltern èn in Ottumwa de bedrijvers van den moord gedreven werden door de gedachte, inwendig licht ontvangen te hebben tot het brengen van een offer. Twee jammerlijke dwalingen zijn hier dooreengemengd! Vooreerst de gedachte, dat men op een inwendige stem dingen m.ag doen, die God in Zijn Woord als gruwelen veroordeelt en in Zijn wet ten stelligste verbiedt, en ten andere, dat het offer, hetwelk Christus eenmaal en voor altijd onschuldig voor doodschuldigea gebracht heeft, niet voldoende is, maar dat er nog voortdurend ofters moeten gebracht worden. Daarom werd de boerenknecht te Appeltern vermoord: er moest een offer wezen; daarom lieten in Noord-Amerika ouders hun kind doodvriezen!
Wij zijn er steeds van overtuigd geweest, dat de valsche mystiek, die velen in ons vaderland huldigen, waardoor men inwendig gevoel stelt boven het geopenbaarde woord Gods, leidt tot dingen waarvan men moet gruwen. De valsche mystiek rust ook niet in hetgeen Christus gedaan, ja afgedaan heeftaanhet hout des Kruises, maar stelt den grond der zaligheid in hetgeen in de harten der geloovigen plaats heeft. Niet Jezus Christus en die gekruisigd is, volgens de valsche mystiek, het eenige fundament, maar datgene wat ervaren wordt in het hart, wat men in de ziel doorleeft. In plaats dat men de ervaring der ziel als toetssteen gebruikt, om te weten of men in de genade des Heeren deelt, zoekt men er het fundament van te maken, waarop men het gebouw zijner zaligheid optrekt.
Tot welke ontzettende dingen men komt als men den bodem van Gods Woord verlaat; hoe men dan een speelbal wordt van Satan; dit leert ons het bovenstaande duidelijk, gelijk het ons ook door de historie wordt voorgehouden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 18 maart 1900
De Heraut | 4 Pagina's