Intellectualisme.
II.
Het Intellectualisme is zoo verleidelijk.
Ge zit er zoo rustig nieè op het kantoor, plaats van u tusschen de balen en de g vaten in het pakhuis of op de loskade de handen vuil te maken.
Verstaat ge die beeldspraak?
Bij wat als stukgoed scheep gaat, hoort een laadbrief of cognossement, en dat cognossement is niets dan een stuk papier, maar een stuk papier, waarop letterlijk alles staat wat van de verzonden stukgoederen wetenswaard is.
Volgens Art. 507 van het V/. v. K. moet er op staan de naam van bevrachter of inlader, de naam van geadresseerde, de naam en de woonplaats van den schipper, de naam en het soort van het schip, de aard en de hoeveelheid en de merken en getallen van de stukgoederen, de plaats van vertrek en bestemming, het bepaalde we gens de vracht, en de onderteekening van schipper, inlader en expediteur.
Zoo zijn er dus twee dingen: lo. het wezenlijke goed dat de lading uitmaakt, en 2". de papieren, die saam aanwijzen water in het schip geladen is. Dat is dan voor elke bezending apart de laadbrief, en voor heel de lading de vrachtlij st.
Nu zijn natuurlijk al die papieren saam geen halve gulden waard; de waarde zit uitsluitend in het goed dat in het laadruim is gestouwd.
Maar al zijn al die paparassen intrinsiek saam geen halve gulden waard, toch heeft de chef van het kantoor veel liever met die papieren, dan met de geborgen lading of met wat in de pakhuizen werd opgeslagen, te doen.
De papieren wijzen duidelijk aan wat er aan goed in schip of pakhuis zit. Met de papieren voor zich, weet hij er alles van. Hij bezit door die papieren alle noodige gegevens in een makkelijk bruikbaren, handigen vorm. Bij het behandelen en uitrekenen van die papieren kan hij rustig voor zijn bureau blijven zitten. Hij maakt geen vinger vuil. Hij loopt geen gevaar, zich aan splinters en spijkers te wonden. En hij overziet al wat in schip of pakhuis zit, met één oogwenk.
Zoo toegerust, boekt hij in zijn boeken wat uit laadbrief, pakhuisbrief, vrachtlijst enz. blijkt. Na die partijen geboekt te hebben, telt hij op en trekt hij af. En als zijn berekening gemaakt is, kent hij precies zijn eigendom of winste.
Had hij daarentegen die papieren niet, en zou hij zelf in het ruim van het schip gaan zoeken, of op de zolders van zijn pakhuizen alles na wegen, dan kwam er geen eind aan het werk, dan zou er eindelooze verwarring heerschen, en kwam hij er toch nooit precies achter, daar telkens de voorhanden voorraad afneemt of klimt.
Het kantoor is daarom de onmisbare spiegel van heel de zaak. In de kantoorboeken spiegelt zich nauwkeurig het beeld af van al wat in schip of in pakhuis werd weggeborgen, van wat er afgaat en van wat er bijkomt; en uitsluitend met dat spiegelbeeld wordt op het kantoor gewerkt.
Zijn het grondstoffen, waarin gehandeld wordt, dan heeft men op het kantoor behalve die papieren en boeken alleen nog monsters, d. w. z. kleine hoeveelheden, van de suiker, van het graan, van de tabak op proef, opdat wie handelen komt kunne uitzoeken. Maar ook die monsters hebben op zichzelf geen waarde hoegenaamd. Wie ze mee krijgt, krijgt ze gratis mee. Zoo zelfs, dat Parijsche huizen thans stalen of monsters zenden aan ieder in ons land die ze aanvraagt. Alles zonder geld.
Voor de klaarheid, voor de doorzichtigheid, voor het gemak, voor de concentratie, voor de berekenigg en voor den handel, zijn die boeken, die papieren en die stalen of monsters dus alles waard.
Alleen maar, ze vertegenwoordigen geen wezenlijke waarde.
Ze zijn niets dan een schijn. Een afschaduwing, een afschijnsel van het wezenlijke.
Het wezenlijke der zaak, het eigenlijke, datgene waarom het gaat, dat zijn niet die boeken en papieren, maar dat is het goed zelf, dat zeilt in het schip of opgeborgen ligt op de zolders van het pakhuis.
En zoo nu is het ook met alle verstandelijke afgetrokkenheid, met alle begrippen en met alle formuleeringen, met alle belijdenissen en Catechismussen, met alle dogmatiek en met alle handboek.
Dat is alles o, zoo practisch-nuttig. Alles, o, zoo handig en gemakkelijk. Het is voor de behandeling der dingen onmisbaar.
Alleen maar, op zichzelf bezit dit alles niet de minste waarde.
De eigenlijke, de wezenlijke waarde ligt niet in die afgetrokken begrippen, maar in de wezenheden en in de dingen waarvan die begrippen het beeld afspiegelen.
In den geldhandel ziet ge hetzelfde.
Moet ge tien duizend gulden ontvangen, dan zou men u een slechten dienst bewijzen, door u feitelijk tienduizend enkele wezenlijke guldens uit te betalen.
Het liefst hebt ge dan, dat men u tien dunne papiertjes geeft, tien bankbiljetten elk van duizend gulden. Dat is handig. Dat is gemakkelijk. Die bergt ge in een zijtasch van uw portefeuille.
En ook al loopt het bij u niet over zoo groote sommen, nu het goud zoo goed als de wereld uit is, hebt ge toch veel liever vier biljetten elk van ƒ 25, dan honderd enkele guldens in zilver.
Dit is er zelfs zóó bij de menschen ingegaan, dat ze die stukjes papier, die men bank of muntbiljetten noemt, voor geld aanzien.
En toch is dit niet zoo.
Die vier bankbiljetten van ƒ 25 saam zijn misschien één halve cent waard. Meer niet. Maar in het gewone leven denkt men daar niet om, en beeldt zich in, dat zoo'n stuk geelachtig papier zelf geld is.
En daar hebt ge nu het Intellectualisme!
Evenals die biljetten van ƒ 25 geen geld zijn, maar slechts declaration omtrent eld dat in de bank ligt, zoo ook zijn al deze begrippen, al deze formulieren en formuleeringen saam geen cent waard. Zij zijn niets dan declaration omtrent geestelijke schatten, die zich bij God of in der menschen hart bevinden.
Maar ook hier raakt men door het gebruik in de war. Men gaat ook hier het biljet voor het geld zelf aanzien. En men vergeet, dat ze op zichzelf niets zijn dan afgetrokkenheden zonder eenige waardij.
Men spreekt dan van geloof. Men ontleedt het geloof in zijn hoofd-en onderen zij-begrippen. Men scherpt zijn tegenstellingen tegen bijgeloof en ongeloof. Men onderscheidt, men splitst, men verkavelt, men omschrijft en bepaalt, en zet een breede borstwering op tegen alle kelterijen in zake het geloofsbegrip. Men meet de krachten van het geloof uit. Men bepaalt er den oorsprong, den inhoud, en werking van. Kortom, men toont alles van het geloof te weten. In zijn boek staat alles wat ge omtrent het geloof maar wenschen kunt, haarfijn. De cognossementen van het geloof zijn keurig in orde.
Er ontbreekt niets aan.
Alleen maar, men vergeet zoo licht, dat dit alles, zonder meer, nog niet de allergeringste waarde ter zaligheid bezit, want dat het voor de zaligheid niet aankomt op het geloofsbegrip in het boek, maar op het levettd geloof in het hart.
Men ziet het bankbiljet van het geloof, voor het geloof zelf aan.
En zegt men nu: „Alles wel, maar voor dat bankbiljet kan ik dan toch het geld krijgen, " dan sta hier de wedervraag, of ge dan nooit gehoord hebt van een run?
Dit bedoelen we:
Als er tijden van crisis, van gevaar, van „Krach" komen, dan holt een ieder op eens naar de Bank om zijn geld te halen. Dan wordt de Bank bestormd. Dan is er geen bijkomen aan. Dan vecht men voor en in de gangen van de Bank, om er het eerst bij te komen. En, als dat storm loepen doorgaat, komt op eens het fatale bericht, dat de Bank haar betalingen gestaakt heeft.
En zoo is het ook hier.
In gewone tijden komt ge met uw haarfijn beleden geloof nog uit. Maar als de nood aan den man komt, en uw hart wordt bestormd door tegenheden, dan geven al uw begrippen en formuleeringen en logische uiteenzettingen niets. Dan komt het aan op het wezenlijke geloof, dat in den kelder van uw hart verborgen ligt.
En als dat er dan niet is, dan zijt ge geestelijk bankroet.
Zoo ziet men het dan ook telkens.
Als de stormen opsteken, ziet ge een eenvoudige in den lande, die in de begrippenwereld een vreemdeling is, maar die met het mosterdzaadje van wezenlijk geloof in zijn hart, wonderen doet.
Daarentegen de geleerde man, met al zijn schat van begrippen en bepalingen, maar zonder het levend geloof in zijn hart, lijdt dan zoo vaak schipbreuk.
En zoo zinkt dan de Intellectualist in de golven weg, terwijl de eenvoudige geloovige blijft drijven op de bezieling van zijn hart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 18 maart 1900
De Heraut | 4 Pagina's