Toetsing.
XVI.
Het slot van het besluit van Mr. De Savornin Lohman's critiek is op zich zelf een met gloed geschreven stuk, dat we daarom, zonder afbreking, in zijn geheel aan onze lezers willen voorleggen.
Het luidt aldus:
Vraagt men, of het dan praktisch mogelijk zou zijn ooit een Universiteit op te richten van ware Christenbelijders, en of het niet onmogelijk is, op zulk eene belijdenis eenige controle uit te oefenen, dan antwoord ik het volgende.
Het is, zooals zoo duidelijk blijkt uit het Johannesevangelie, de bedoeling des Heeren geweest, dat zijne belijders zouden zijn één Lichaam, waarvan Hij zelf was het hoofd. Niets,
is er in de Schrift, dat ons belet aan te nemen dat in dat ééne Lichaam de een meer gezag moet uitoefenen dan de ander; dat, ter bewaring van orde en ter leiding der geesten, eene hiërarchie noodig is. Maar van het oogenblik af dat deze hiërarchie op andere wijze dan door Jezus zelven bedoeld is nl. door macht en ge weid, zich heeft pogen te handhaven, en een macht over de kerk de zedelijke autoriteit in het Lichaam van Christus heeft vervangen, moest die natuurlijke of organische eenheid te niet gaan, en het Lichaam Christi plaats maken voor een kolossale, door machthebbers geregeerde organisatie. Deze kon de door Christus gewilde eenheid niet handhaven, zelfs niet naar het uitwendige, zoodat die georganiseerde kerk in deelen gesplitst is, waarvan elk deel min of meer berust op een theologisch stelsel, en geenerlei macht bezit, voor zoover althans het niet, met behulp der wereldlijke macht, zich in het bezit heeft weten te handhaven of te stellen van een deel der oude kerkelijke macht. Nog steeds willen de menschen door stelsels en andere hulpmiddelen „de Waarheid" stutten. Aan den Heer der Gemeente zelven, die de Waarheid is, aan Hem alleen ten minste, vertrouwen zij die taak n: et toe.
Wij leven in dien toestand van kerkelijke gedeeldheid, en hebben dien te aanvaarden. Voorloopig zal dus wel elk deel der Kerk de dienaren der Kerk moeten opleiden, met het oog op de behoeften van dat deel. Ik althans vermeet mij niet het tegendeel te beweren.
Maar wij christenen zeggen nog steeds te geloeven in eene algemeene Christelijke Kerk. Voor ons geloofsoog bestaat die, en zij moet eenmaal op aarde ook uitwendig worden gerealiseerd. Zekerlijk zal die algemeene Kerk niet alle menschen omvatten; misschien veel minder dan thans; maar zij zal en moet zijn één in Jezus Christus. Eén en ongedeeld. Met geen andere hiërarchie, dan een zoodanige, waarvan elk lid zich persoonlijk onderwerpt aan het Hoofd der gemeente, en geen ander gezag uitoefent, dan 't welk in het oog der geloovigen een natuurlijk gevolg is van die onderwerping. Pausen, die openlijk vierkant in strijd leven met al wat God geboden, met al wat Christus gewild en gesproken heeft, en niettemin meenen aanspraak te hebben op machtsuitoefening over het Lichaam des Heeren, zullen als de Kerk weer één geworden is, niet meer denkbaar zijn.
In de voortreflijke rede „Blijft in hem'\ onlangs door den Hoogleeraar J. H. Gunning als afscheidswoord tot zijn studenten gericht, staat hierover veel, dat mijns bedunkens door alle christenen ernstig diende te worden overwogen.
Welke zou, indien er eene reformatie kwam welke niet leidt tot scheuring, maar tot eenheid der Kerk, de houding der Kerk moeten zijn tegenover de wetenschap? Dan zou die Kerk, wier leden zich bij het onderzoeken der waarheid op elk gebied volkomen vrij zouden gevoelen, uit haar midden tot hoogleeraren diegenen kiezen, die het geschiktst waren voor de beoefening der wetenschap. Zij zou die hoogleeraren aan niet anders binden, dan aan datgene waaraan zij ook zelve gebonden is; aan de leiding des Heeren; aan de zedelijke autoriteit, die de* besten in de Kerk van zelf uitoefenen; aan de consciëntie der hoogleeraren zelven. Natuurlijk zou er menig verschil van gevoelen, menige strijd zijn, maar geen menschelijke macht zou daarin te beslissen hebben. Daarentegen zouden onder de leiding des Heeren de beoefenaai^ der wetenschap leeren, zich te ontdoen van hun „eigen ik, " hun waanwijsheid, hun ijverzucht enz., tengevolge waarran de waarheid zich spoediger dan thans zou baan breken. Aan niemand onzer, zoomin aan het Lichaam des Heeren zelf, is de gave der onfeilbaarheid gegeven; zij licht dus, hoe noodig de R. C. Kerk haar oordeele en hoe wenschelijk zij naar menschelijke redeneering schijnen moge, niet in het Godsplan. Doch de feilbare beoefenaars der wetenschap zouden hun inzichten dan ook niet uitgeven voor goddelijke waarheid, noch bepalen wat de menschen hebben te gelooven of voor waar te houden, noch pun ten „vaststellen" waarvan zij bij het onderzoek der waarheid hebben uit te gaan; maar zij zouden er steeds op wijzen, hoe uit Hem, die de onuitputtelijke bron der kennis is, altijd weer helder en steeds klaarder water kan worden geput, en de hoorders zouden, door den smaak en het gebruik van het water, de-bruikbaarheid ervan wel leeren beoordeelen.
En welke moet nu de houding der christenenen zijn, zoolang de Kerk nog gedeeld is? Moeten zij nu die gedeeldheid overbrengen op het gebied der wetenschap; moeten zij ook de wetenschap zelve, het onderzoek der waarheid, afhankelijk maken van het goedvinden van menschen, of haar doen steunen op menschelijke stelsels?
Dat is eenvoudig onmogelijk, efi daartegen zal dan ook steeds de menschheid in verzet komen. De Kerk heeft, juist omdat zij niet één was, van lieverlede het gebied der wetenschap voor een groot deel moeten overlaten aan hen, die niet alleen geen ijienschelijk, maar ook geen goddelijk gezag erkennen. In ons land schijnt het zelfs den machthebbers uiterst moeilijk aan te nemen, dat een man, die nog den Christus naar de Schriften belijdt, een wetenschappelijken man kan zijn, geschikt voor het onderwijs. De belijders van den Christus naar de Schriften zijn zoo goed als uitgesloten uit de Universiteiten.
Ik klaag daarover niet; de christenen hebben verdiend wat hun overkomt, en zoolang hun eenheid in Jezus Christus niet hersteld wordt, zullen zij nog wel ergere dingen beleven. Dat de wereld zich, bij het onderzoek der waarheid, niet buigen wil onder mensehelijke stelsels^ daaraan heeft zij volkomen gelijk.
Maar dit behoeft de Christenen, die wèl inzien hoe verderfelijk het is het onderzoek der waarheid los te maken van Gods openbaring, van Hem die de Waarheid en het leven is, niet tot stilzwijgen te dwingen.
Niet tot het vormen van een afzonderlijke Universiteit op een of anderen grondslag zijn zij geroepen, maar wel kunnen zij mannen uit hun midden aanstellen om, vooral in die vakken waarin het zoo hoog noodig is den band tusschen God en de wetenschap in het licht te stellen, aan de bestaande Universiteiten college te geven.
Een Universiteit enkel uit Christusbelijders bestaande is vooralsnog onmogelijk. Ik zou ze ook niet noodig of wenschelijk achten. Veel heerlijker acht ik het, hoe moeilijk de taak voor den hoogleeraar ook zijn moge, als Christusbelijder op te treden te midden van — zoo noodig tegenover — de verwerpers van den Christus, en, ook tegenover een ongeloovige jongelingschap, dag aan dag aan te wijzen hoe menig vraagstuk eerst dan tot zijn recht en tot een behoorlijke oplossing kan komen, wanneer het geplaatst wordt onder het licht van het Evangelie.
Groot en zegenrijk zou de invloed kunnen ^ijn, die van zulke belijders des Heeren uitging. mits deze dan ook volkomen vrij bleven, en ten aanzien van hetgeen zij wenschen te zeggen onder geen enkele curateele we-den geplaatst. Him geloof en hun wetenschap moet den weg bepalen dien zij te volgen hebben; niet de wijsheid die schuilt bij curatoren of andere menschen. Hetgeen de hoogleeraar leert, moet niet afnangen van het goedvinden van curatoren en nog minder van kleine of groote geldschieters; tegenover den hoogleeraar moet men niet het recht hebben te zeggen, wat mij eenmaal van christelijke zijde is toegevoegd; wiens brood men eet, diens woord men spreekt! Neen, allen de Heere Jezus zelf zij Degeen wiens woord men spreekt, en niemand anders!
Voorzeker is het mogelijk, dat zulk een hoogleeraar, na aangesteld te zijn, van het geloof in Jezus Christus afvalt; of dat hij bemerkt niet den Zoon Gods te hebben gediend, maar enkel een Christusbeeld; een in eigen brein ontworpen ideaal in jilaats van den levenden Christus zelven. Zoo iemand zou natuurlijk plaats behooren te maken voor een ander. Maar zoolang zijn eigen consciëntie hem daartoe niet drijlt, zou hij moeten worden geduld, zij het ook dat een ander naast hem geplaatst werd. Want zoo iemand tot heengaan te dwingen, is alleen geoorloofd in een stelsel krachtens hetwelk men de vrijheid van denken en onderwijzen van menschelijke goedkeuring afhankelijk maakt. Zulk eene afhankelijkheid echter is met een oprecht onderzoek van de waarheid niet be staanbaar.
Zij, die de wetenschap beoefenen, moeten zich door niets gebonden weten dan door liefde voor waarheid in het algemeen; allereerst dus door liefde voor de waarheid welke is Jezus Christus. Zij behoeven zich niet af te zonderen van andere onderzoekers op het gebied der wetenschap, ook al wandelen dezen niet in het Licht.
Het is op deze gronden, dat ik niet de door de V. U. gekozen en thans weer door Dr. Kuyper verdedigde stelling zou willen onderschrijven, dat het onderwijs aan eene Universiteit moet staan op den grondslag hetzij van de gerefor meerde, hetzij van andere beginselen; evenmin, dat de grondslag van dat onderzoek is te „zoeken in de Heilige Schrift zonder eenige nadere bepaling"; maar dat ik zou wenschen dat, zoo mogelijk aan alle Universiteiten, door Christenen leerstoelen voor enkele vakken werden opgericht, in te nemen door hen die belijden: dat de hoogste wetenschap uitgaat van Jezus Christus, den zoon Gods en den Zoon des Men schen.
Niet de Heilige Theologie, de koningin der wetenschappen;
maar
Jezus Christus, Koning ook op het gebied der wetenschap.
Wat hiervan te zeggen?
Schrijvers heiniwce naar herstel van de eenheid der kerk van Christus op aarde verstaan we; en terecht wijst hij er op, dat ook Prof. Gunning over dit verlokkelijk thema vaak schoone dingen geschreven heeft.
Maar gaat het nu aan, brengt het ons iets verder, om de vervulling van zulk een diepe begeerte der ziel als uitgangspunt te nemen voor zijn constructie van het universitaire onderwijs ?
Te allen tijde heeft dat vak dat men noemt de Ireniek, op herstel van die eenheid aangestuurd, en soms zijn er oogenbljkken geweest, dat men den schoonen droom droomde, als ware men die eenheid althans een klein weinig naderbij gekomen.
Zelfs heeft koning Willem I een poging gewaagd om ons in de Indische Staatskerk een voorbeeld althans van eenheid onder de Protestanten kerkelijk te realiseeren.
De onderscheidingen tusschen Luthersch en Gereformeerd, tusschen Doopsgezind en Remonstrantsch hadden in dien tijd hun beteekenis verloren, en men vermoedde van verre niet, dat heel andere en veel diepergaande onderscheidingen aan het opkomen waren.
De Evangelische Alliantie zag wel in, dat kerkelijk geen eenheid te verkrijgen was, maar streefde er dan toch naar, om tniitcnkerkelijk de Protestantschc Christenen saam te brengen.
En het Pan-presbyterium heeft wel kerkelijk hetzelfde voor de kerken met presbyteriaansch-Synodate inrichting beoogd, maar is kerkelijk geen stap gevorderd, en heeft, om den schijn te redden, schier de geheele confessie naar den achtergrond moeten schuiven.
Pogingen zijn herhaaldelijk aangewend, om de Anglicaansche, de Luthersche en de Grieksche kerken te vereenigen, maar alle pogingen daartoe zijn, de ééne voor de andere na, jammerlijk mislukt.
En voor zoover men het ook ondernam, om zekere eenheid met de Roomschen te zoeken, heeft dit tot niet anders geleid, dan dat in Engeland en Duitschland de hoofdlieden van deze beweging ten slotte tot de Roomsche kerk zijn overgegaan, en, eens daar aangeland, alle poging van weleer hebben laten varen.
Ieder weet dan ook, dat na de droeve mislukking van al deze onvruchtbare pogingen, sinds veeleer een geheel andere, en tegenovergestelde, richting aan het woord is gekomen. Bij ervaring wetende, dat al zulke pogingen alleen stand hielden in oppervlakkige tijden en in tijden van onverschilligheid voor de belijdenis der waarheid, en ten slotte tot zichtbare verwatering van de eigen kerk leidden, heeft men veeleer thans den tegenovergestetden weg ingeslagen, is bij Anglicanen, Grieken, Lutherschen, Gereformeerden en Roomschen veelmeer een streven werkzaam om het eigen leven scherper te omlijnen, en alzoo de kracht van de Christenheid niet daarin te zoeken, dat men saam in ééne tente ga wonen, maar dat ieder in zijn eigen tente zich sterke voor den gemeenschappelijken strijd, en dat een ieder, alzoo gesterkt, uit zijn tente optrekke, om den strijd tegen de anti-Christelijke macht op te nemen.
Volgehouden is het streven van weleer alleen door de zoogenaamde Apostolische gemeente, van wie we nog onlangs hoorden, dat ze op Java Sadrach voor zich won.
Deze gemeente, die onder ons tot aanvankelijken bloei kwam doorDr. Capadose, = den talentvollen zoon van den ouden Capadose, zag zeer wel in, dat de oorspronkelijke eenheid niet anders kon hersteld worden, of er moesten weer apostelen zijn.
De apostelen toch, en zij alleen, bezaten een oecumenisch karakter.
Het is vooral onder den invloed van deze Apostolische gemeente, dat ook Prof. Gun-"'•^g» g^lijl^ men weet, zoo sterk naar het mde ideaal gedronq; en vrerd; en wie persoonlijk mat de zendelingen van deze gemeente kennis maakte, en daarna leest wat hier de heer Lohman schreef, zal terstond gevoelen, dat hier hetzelfde heimwee aan het woord is.
Hier nu hebben we eerbied voor; maar als de heer Lohman zegt, „dat deze eenheid eenmaal op aarde ook uitwendig moet gerealiseerd worden, " had deze stelling geen uitgangspunt voor verder betoog mogen vorfnen zonder bewijs.
En ook al neemt men aan, dat hetgeen de Openbaringen van Pathmos ons leeren omtrent dsn toestand der gemeente vlak N^óór Jezus' wederkomst, hierop uitzicht geven, ook dan is men nog geen stap verder.
Zóó toch genomen, zou de finale reali-.seering van de eenheid in niets anders bestaan, dan daarin dat de „mensch der zonde, " na het loslaten van Satan, zoo vreeslijke vervolging tegen de Christenen zal doen uitgaan, dat ze als een gejaagde hinde zullen zijn, gewijd tot het martelaarsoffer; - en dan natuurlijk ware elk spreken in dit verband van Universiteitsstichting de ongerijmdheid zelve.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1900
De Heraut | 4 Pagina's