Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Het eigenlijke problema

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het eigenlijke problema

11 minuten leestijd

II.

Hoofdzaak is en blijft de allesbeheerschende vraag : Welke houding is door hen, die aan een bijzondere Openbaring gelooven, aan te nemen inzake Hooger Onderwijs, En zulks wel principeel en practisch.

Dr. Kuypers rede te Middelburg stelde feitelijk dezelfde quaestie: Hoe is eene Universiteit te binden aan Gods Woord; dit laatste in den ruimsten zin genomen. Toch werd deze quaestie in Middelburg in een bepaalde tegenstelling genomen. Twee denkbeelden waren onder ons dusver op den voorgrond geschoven, het ééne om de Universiteit te stichten of te doen rusten op den grondslag der Heilige Schrift, het andere om ze te doen staan op rf'i? « ^WWJ/Ö^ der gereformeerde beginselen. Verder ging dientengevolge de Middelburgsche rede op de zaak niet in. Ze bepaalde er zich toe, om aan te toonen, uit wat hoofde „de grondslag der Heilige Schrift", vooral thans, een te vage, te onzekere, te onvaste uitdruk king is, en hoe het deswege raadzaam is, dat elke groep nader preciseere, door tot grondslag te kiezen haar eigen methodologische, anthropologische enz., beginselen.

Had nu de heer Lohman, gelijk in een vroegere periode, in zijn critiek op deze rede het opgenomen voor den algemeenen grondslag van de Heilige Schrift, dan had het de moeite geloond, de gronden voor en tegen nogmaals te wegen.

Dit greep echter niet plaats.

Allengs was de heer Lohman tot de overtuiging gekomen, dat het, uit wat hoofde dan ook, niet goed was, langer aan die eens geliefkoosde formule's vast te houden, maar dat een nog veel breeder basis moet worden genomen. Niet de gereformeerde beginselen, niet de gereformeerde belijdenis, niet de Heilige Schrift, niet het Woord van God, maar Jeztis Christus, gelijk deze gekend wordt uit de kerkhistorie, uit de profeten, uit de apostelen en uit zijn werking in het Iiart der geloovigen.

Dit standpunt, dat dusver onder ons nog door niemand was ingenomen, was dan ook, gelijk vanzelf spreekt, in de Middelburgsche rede niet aan de orde gekomen. En zelfs na hetgeen de heer Lohman er meer vluchtig over aanstipte, dan grondig voor uitwerkte, kan er hier slechts zeer zijdelings notitie van worden genomen.

Dat de heer Lohman van de H. Schrift op den persoon van Jezus Christus is teruggegaan, is bij hem vermoedelijk niet toe te schrijven aan de zucht om aan de autoriteit der Schrift te ontkomen. Ook uit zijn jongste geschrift mag worden opgemaakt, dat hij de Schrift niet loslaat. Er mag in dit overgaan van de Heilige Schrift op Jezus alleen een poging worden gezien, om te ontkomen aan de moeilijkheden waarvoor de Schrift ons plaatst, zoodra we haar als grondslag van het wetenschappelijk onderzoek nemen. Dan toch vindt hij zelf tal van Christenen tegenover zich, die de Schrift als zoodanig loslieten, en die nochtans belijdenis doen van hun geloof in den Christus. Ten einde nu met deze niet in conflict te geraken, nam hij thans als uitgangspunt hetgeen hem ook met dezen gemeen was, t. w. het geloof in den Christus.

Toch brengt die ruil hem geen stap verder.

Hij moet toch, om zijn uitgangspunt in den persoon van den Christus te kunnen nemen, dien Christus kennen. Niet met een denkbeeldigen, maar met den wezenlijken Christus wil hij te doen hebben. Welnu, dien wezenlijken Christus verklaren alle Gereformeerden niet anders te kennen dan uit de Heilige Schrift. Reeds daarom is het vreemd, dat hij in dit verband het noemen van de Schrift weer opzettelijk mijdt, en spreekt van de Kerkhistorie als no. één, dan van „de Profeten", dan van „de Getuigen in het Nieuwe Testament", en dan ten 4"., en dat bovenal (hij zegt toch blz. 1%: „en meer nog) „van het leven zelf; want hij (de Christus) wil zich nog met een iegelijk onzer in verbinding stellen.”

Begin nu met de Kerkhistorie, gelijk hij zelf die op den voorgrond plaatst, en vraag u dan af: is de Kerkhistorie één? Of staat niet veeleer het feit vast, dat de Roomschen de Kerkhistorie heel anders voorstellen dan de Grieksche theologen, de Lutherschen geheel anders dan de Gereformeerden, de ethischen heel anders dan de supra-naturalisten, de Dooperschen en mystieken heel anders dan de Kerkgezinden.'' Zelfs nu weer de Darbisten heel anders dan de Irvingianen?

Reeds hier vordert de heer Lohman dus niets, tenzij hij eerst kieze tusschen deze onderscheidene kerkhistoriën.

Hoe zal hij dit nu doen? Ons dunkt, als Gereformeerde zal hij ook hier moeten antwoorden, dat hij in de historie der kerk den zuiveren van den valschen stroom alleen herkent, door hetgeen plaats greep te toetsen aan de Schrift. Ook in de kerk grepen werkingen van den Christus, werkingen van menschen en werkingen van Satan plaats. Om nu te weten wat al dan niet een werking van den Christus was, geeft alleen de Schrift hem een toetssteen in handen.

Zoo komt hij dan van zelf toch weer op de Schrift terug, en heeft de eerste door hem genoemde bron (de kerkhistorie) hoegenaamd geen waarde noch beteekenis, tenzij de tweede bron (profeten en getuigen) vooraf zij vastgesteld. En hierbij nu baat het hem weer niets, of hij al in de plaats voor de Schrift de schrijvers noemt en van Profeten n Getuigen gewaagt. Immers nauwelijks is hij hier aan toe, of al de moeilijkheden, v d h a d w d waarop in Baiid aan het Woord gewezen werd, keeren in vollen getale weder. Zijn de geschriften dier Profeten en Getuigen echt.? Welke autoriteit hebben deze geschriften.' Kunnen we op hun inhoud aan.' Hoe moeten ze uitgelegd.' Weerspreken ze elkaar, of zijn ze te nemen naar de analogie des geloofs.' Moet het apostolisch beeld van Jezus gecorrigeerd naar het beeld der Evangelisten.' Is het Johannes-Evangelie subjectieve reproductie.' Eindelooze vragen, die onmiddellijk toonen, dat men met zijn beroep op „Profeten en Getuigen" geen stap vordert, tenzij men vooraf elkander verstaan hebbe. Anders toch roept men wel allen saam van „geloof in Christus", maar de spraakverwarring is eindeloos, en de één richt zijn geloof op een heel anderen Christus dan de ander. Er is dan eenheid in schijn, maar geen eenheid in het wezen. Men drijft op een naam, maar waar geen gelijkheid van inhoud achter zit.

En precies evenzoo staat het met de vierde bron voor de kennisse van den Christus, waarop de heer Lohman wijst: „Wij kennen hem bovendien, en meer nog, door het leven zelf." Alzoo de persoonlijke inwerking van den Christus op ons hart, de mystieke gemeenschap met Jezus; en dit zal dan de rijkste bron zijn, rijker nog dan Kerkhistorie, Profeten en Getuigen, want hiervan zegt de heer Lohman: dat wij den Christus uit deze bron 7iog meer kennen, dan uit de andere.

Ook dit echter loopt óf op woordenspel uit, óf voert hem toch weer aanstonds op de Heilige Schrift terug.

Van tweeën één toch : Ik mag drijven op alles wat ik mij inbeeld, werking van den Christus in mij te zijn, of ik ben verplicht om ook hierbij het ware van het valsche te scheiden. Immers de historie is daar om te bewijzen, hoe onder allerlei groepen en in allerlei kringen aldoor allerlei verbeelde inwerking van Christus op het hart is rondgevent, die al spoedig bleek op niets te rusten dan op zelfbedrog. Er moet dus gekozen worden. Ik moet of een ieder laten drijven op wat hij zegt inwerking van Christus op zijn hart te zijn, of wel ik moet een toetssteen bezitten, die ook hier het ingebeelde van het ware leert onderscheiden.

Natuurlijk bedoelt de heer Lohman het laatste. Wilde dweperij zal hij wel het minst aanmoedigen. Bovendien zou, ook al koos hij dit standpunt, hiermede niets te vorderen zijn op wetenschappelijk terrein. Wat wetenschappelijk uitgangspunt zal zijn, moet te controleeren zijn en zich kunnen waarmaken.

En is dit nu zoo, welken anderen toetssteen bezit dan ook hier weer de heer Lohman, om tusschen de onzekere voorstelling van het ware en wezenlijke te onderscheiden, dan de Heilige Schrift.' Te meer geldt dit bij den heer Lohman die op blz. 65 zelf betuigt, dat faliekant uitkomt, wie telaat bemerkt, dat hij „niet den Zoon van God heeft gediend, maar alleen een Christusbeeld, een in eigen brein ontworpen ideaal, in plaats van den levenden Christus zelven.”

Er is dus geen ontkomen aan: teneinde het valsche beeld terug te dringen, en zeker te zijn, dat men in den wezenlijken levenden Christus gelooft, moet ook hij alle bezieling, alle geestelijke gewaarwording, die zich als werking van den Christus aan hem voordoet, altoos weer toetsen aan de Heilige Schrift.

Juist daarom hebben de Gereformeerden dan ook steeds beleden, dat het niet waar is, als zou de kerkhistorie en eigen zielsbevinding een aparte bron van kennis van den Christus naast de Schrift zijn. Zielsbevinding toch leert óf hetzelfde als de Schrift, en dan is het geen nieuwe bron, of ze leert ons anders dan de Heilige Schrift, en dan deugt ze als bron niet.

Hoezeer we dan ook ten volle verstaan, dat het den heer Lohman toelachte, om een standpunt in te nemen, waarop hij rijer zou staan dan „op den grondslag der Heilige Schrift" of op „den grondslag der gereformeerde beginselen", — zijn poging iertoe is als ten eenenmale mislukt te bechouwen. Zoo wel toch bij het schiften er kerkhistoriën als bij het toetsen van at zich voor zielsbevinding uitgeeft, komt hij ltoos en onverbiddelijk toch weer op de eilige Schrift als eenig beslissende autoiteit terug.

Liet hij de Schrift los, en beweerde hij at een ieder, op zijn eigen geloofsgevoel f, maar moest uitmaken, wat waar of niet aar was, dan natuurlijk zou hij aan deze utoriteit ontkomen, maar zonder er een ndere voor in de plaats te kunnen stellen. et werd dan al een drijven op gevoel en oedvinden. Er bleef dan niets dan zuivere enschelijke willekeur over. Vastheid, ekerheid ware er dan niet meer. En atuurlijk, van den toeleg, om den Christus ok tot een hoeksteen en grondslag der etenschap te maken, kwam dan geen prake meer.

Doch, gelijk gezegd, hiertoe is de heer ohman niet overgegaan. Op blz. 57 zegt ij nadrukkelijk : „Zij, die gelooven dat God ns in de Heilige Schrift een bijzondere openbaring gegeven heeft van Zijn wezen, an Zijn schepping, en van Zijn verlosingsplan — en ik behoor tot dezen, enz". ij het dus al; dat er hier en daar uitdrukingen in zijn geschrift voorkomen, die op it punt de mogelijkheid van twijfel openaten, we mogen dit bij een niet-theoloog iet te scherp nemen; de woorden van blz. 57 ie we aanhaalden, zijn o. i. beslissend.

Maar is dit zoo, dan geeft hem ook niets hoegenaamd, of hij naast de Schrift spreekt an een Kerkhistorie, van een zielsbevining, en voor de Schrift de Profeten en Getuigen in de plaats stelt; ten slotte kofflt et toch aldoor ook bij hem weer op de utoriteit der Heilige Schrift neer, en met it gezag der Heilige Schrift staat hij, op etenschappelijk terrein, toch weer onmidellijk voor al de bezwaren en moeilijk­-

heden, die in „Band aan 't Woord", we meenen niet al te onvolledig en in goede orde, zijn uiteengezet.

Niemand zal ons willen verdenken, alsof we daarom de beteekenis van de Kerkhistorie, of ook de beteekenis van den „Christus in ons", zouden onderschatten. Heel ons optreden, deze dertig jaren lang, zou tegen zulk door niets gerechtvaardigd vermoeden protest inwerpen. Beide, èn de historie èn de mystiek, zijn steeds ten volle door ons gewaardeerd geworden, gelijk zelfs door onze besliste tegenstanders is erkend. Onze artikelen tegen het Intellectualisme kunnen opnieuw als getuigen worden ingeroepen.

Maar nooit en nimmer kan óf de historie óf de zielsmystiek voor ons een nieuwe bron naast de Schrift plaatsen, of ook op zich zelve en zonder den toetssteen der Heilige Schrift vatbaar zijn voor geestelijke onderscheiding.

Zeer wel weten we, dat er zijn die met het Schriftgezag braken, en niet anders dan Historie en Bevinding vasthielden. We hebben terstond op de verwantschap van wat de heer Lohman nu voorstelde, met de Groningers van weleer, de jongere Ethischen, en de school van Ritschl, de aandacht gevestigd. Maar zoo lang de heer Lohman gestand doet wat hij op bl. 58 schreef, mag niemand hem verdenken, van met bewustheid tot een dezer scholen te zijn overgegaan. Hij is dan slechts een oogenbhk door de theorie dezer scholen verleid, om met een voorstelling mede te gaan, die op zijn standpunt geen beteekenis heeft.

We laten wat hij dienaangaande voorsloeg, dan ook verder rusten. Groningers en jongere Ethischen of Ritschlianen hebben zich nooit de quaestie gesteld, en zullen zich nooit de quaestie stellen, hoe de voorstanders van een Bijzondere Openbaring zich in zake het Hooger Onderwijs te gedragen hebben.

Dat doet daarentegen de heer Lohman wel, en zoo komen twee stelsels tegenover elkander te staan, i". het aanvullingssysteem, en 2". het stelsel van zelfstandige Universiteitsstichting.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 april 1900

De Heraut | 4 Pagina's

Het eigenlijke problema

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 april 1900

De Heraut | 4 Pagina's