INGEZONDEN STUKKEN.
ONS KERKGEZANG,
(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie).
In de Heraut van 8 April zegt Dr. Kuyper: De gemeente moet keren zingen. Welnu, de ondervinding bewijst hier in de Ger. kerk waar de heer C. G. Stomps organist is, lederen Zondag, dat de gemeente leert zingen, wanneer de organist speelt en de gemeente, door 't orgelspel daartoe gebracht, zingt, zooals ik in mijn artikel „Verbetering kerkgezang" aangaf,
Onder het gewone kerkgezang zingen er velen mee, die niet verstaan wat zij zingen, en voor een groot deel heeft daaraan schuld dat afbreken en rusten midden in een zin en het binden van het einde van den eenen zin aan het begin van den volgenden zin. Dat dit werkelijk zoo is, is mij meermalen gebleken, o. a. dikwijls bij kinderen, die psalmverzen van buiten geleerd hadden, waarvan zij blijkbaar weinig begrepen; doch zoodra hun 't psalmvers goed voorgelezen werd, ging hun een licht op.
Hier nu in onze kerk wordt niet alleen volgens de leesteekens gespeeld en gezongen, doch ook overeenkomstig de beteekenis der vroorden: niet zelden, wanneer de inhoud zulks vraagt, wisselt onder één en hetzelfde vers het piano en forto, het crescendo en deminuendo elkander af, verandert het karakter, de kleur van het orgelgeluid en ook het tempo.
Wat brengt dat met zich mee ? De gemeente kan nu niet gedachteloos er maar op los zingen.
Ze moet opletten, ze moet zich rekenschap geven van 't geen ze zingt. Dat doet ze.
En ’t gevolh is: de gemeente is zich bewust, gevoelt wat ze zingt en geeft uiting aan hetgeen 't psalmvers de ziel doorleven doet, en dat op beschaafde wijze.
Dat is toch het meest gewenschte. Zulk psalmgezang maakt indruk op wie het hoort.
Het onderscheidt zich gunstig van het gezang in zoo menige andere kerk.
Het vraagt echter van den organist veel liefde, veel toewijding, doch dat is deze aan zijne roeping verschuldigd.
Dit is nu niet een beeld in den geest ontworpen en slechts geteekend op papier, maar een beeld dat realiteit erlangde.
In die wijze van zingen ligt mijns inziens, en de praktijk bevestigt zulks, de oplossing om met de ons ten dienste staande psalmberijming en melodieën het kerkgezang zoo goed mogelijk te maken. Het ideale zal slechts bereikt kunnen worden, wanneer niet slechts „zangstuk en speelstuk in opzet, bouw en voleinding op elkander passen", doch wanneer ook de tijdduur en dé daling en stijging der tonen in overeenstemming met de woorden zijn.
Nog onlangs betuigde mij eene dame hare groote ingenomenheid met deze wijze van zingen en sprak hare verwondering uit, dat de gemeente zoo goed daarin met het orgel meeging en het gezang zooveel beter geworden was.
Wat aangaat hetgeen de heer v. d. Vlies over deze wijze van zingen zegt, is volkomen waar, en was ik mij er niet van onbewust. Doch gaat de symmetrie der regels van zulk een psalmvers ook niet teloor, wanneer het goed voorgelezen wordt; of moet daarbij de rythmus voorzitten en niet de beteekenis der woorden ? Hier is schuld bij den dichter, en niet bij hem die leest of zingt. En wat betreft de periodenbouw van de melodie, zeker, deze wordt op die wijs niet zelden uit elkaar gerukt. Doch waar men een van beiden moet prijsgeven en opofferen aan het andere, daar vraag ik: wat is het voornaamste, wat moet behouden blijven: de zin, de beteekenis der woorden of de melodie? Naar mijne meening het eerste; de melodie beschouw ik als illustratie van de woorden.
Nog een aanmerking op hetgeen J. E. Hauser zegt: „Der Dichter, welcher einer Melodie sein Lied anpassen will, darf den Periodenbau derselben nicht unbeachtet lassen." Hier worden de zaken omgekeerd. Niet een gedicht moet gemaakt op een bestaande melodie, maar een melodie moet gemaakt op een bestaand gedicht. Het eerste kan niet, wel te verstaan, indien men van een melodie niet slechts vraagt, dat ze in opzet en voleinding past op het gedicht, doch ook, dat haar tonen-gang overeenstemt met de woorden. Dat schijnt door velen niet ingezien te worden en zou aan dezen door voorbeelden en uitvoerige bespreking duidelijk gemaakt dienen te worden. Het gebruik, dat een vers op de eene of andere melodie gezongen wordt, wanneer slechts de bouw van deze zich daartoe leent, zal wel de oorzaak zijn, dat het gevoel daarvoor niet gewekt werd. Voor wie het eenmaal vatte, is het echter zoo helder als glas, en hij ziet dan tevens dadelijk in, dat één melodie voor twee of meer verschillende verzen een ongerijmdheid is.
Het ideale zou wezen een nieuwe, goede psalmberijming en daarop gemaakte nieuwe melodieën voor ieder vers. Dat is echter vooralsnog een utopie.
Ten slotte wensch ik er nog op te wijzen, dat ik, geen organist van beroep zijnde, doch dilettant, niet alleen sta met deze mijne meeningen. Zoo o. m. de heer A. van Os, de kundige organist der Nieuwe kerk te Middelburg, die stellig geteld kan worden onder hen, welke de heer v. d. Vlies „witte raven" noemt en die zich bovendien zeer interesseert voor vocale muziek; deze is geheel dezelfde denkbeelden toegedaan, welke ik in mijn vorig opstel en hier uiteenzette.
Middelburg.
[Juist de bescheidenheid va, n den geachten schrijver noopt ons hem plaats af te staan. RED.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 april 1900
De Heraut | 4 Pagina's