Mysticisme.
I.
Onze drieërlei levensuiting wordt verzinbeeld door hoofd, hart en hand. Overwicht van het Jioofd over hart en hand leidt tot Intellectualisme, maar evenzoo van het Itart over hoofd en hand tot Mysticisme. Na gewaarschuwd te hebben tegen het Intellectualisme, willen we daarom thans kortelijk den aard, het wezen en het gevaar van het Mysticisme in het licht stellen.
We gewagen van het Mysticisme; niet van het Sensualisme. Ook dit laatste kon, maar het zou tot misverstand leiden. Sen sualisme is enkel gevoelsuiting, overwicht van het sentiment. Op godsdienstig gebied intusschen is het niet het gewone sentiment, dat een afzonderlijke sfeer schept. Het sentiment, het gevoel, genomen inden zin van het lichtbewogen gemoed is enkel een v/ijze van aandoening en uiting. En wel een wijze van uiting en aandoening, die op elk gebied voorkomt, zonder het minst tot het gebied van de religie beperkt te zijn.
Op het hart komt het hier aan, en het .sentiment oefent zijn valsche speling uit, niet in het hart, maar op het zenuzuleven. Slagers zijn door het altoos omgaan met bloed vaak zeer prikkelbaar van zenuwen, en soms zeer sentimenteel, zonder dat dit iets met het hart te maken heeft. Ruwe matrozen zijn eveneens door het gestadig in gevaar verkeeren vaak zeer slap van zenuwen, en daarom dikwijls meewarig van aard, zonder dat dit iets bewijst voor de gesteldheid van hun hart. En zoo komt het ook voor, dat allerlei andere menschen, door temperament of door het leven dat ze achter zich hebben, o, zoo spoedig tot tranen toe geroerd zijn, en schier altoos tusschen huilen en lachen slingeren, zonder dat hieruit' iets ware af te leiden voor de gesteldheid van hun hart. Het hart klopt in den meer stroeve en min-gulle met zijn tranen, vaak veel ernstiger en dieper, dan in den lichtbewogene, voor wie het sentiment een tweede natuur is geworden.
In de dagen der Reformatie, toen het hart diep gevoelde en sterk sprak, is deze sentimentaliteit dan ook verre gebleven; en eerst in de laatste dagen van het laatst der vorige eeuw, toen men meer met maneschijn en grafstilte dweepte, en Feith de geliefkoosde zanger was, is die weeke sentimentaliteit opgekomen, die, ook op 't kerkelijk leven overgebracht, de deugdelijkheid van een predicatie afmat naar het aantal vrouwen dat flauw viel. De zakdoek was toen hoofdingrediënt, en slap aangelegde vrouwennaturen waren voor den roep en den roem van een gevierd prediker onmisbaar.
Wie nu nog de predicatiën, die daarop mikten, naleest, walgt van het zeeziek gewiegel, waarin kracht werd gezocht. Leze men b. v. maar eens de jubileumspredicatie van wijlen Dr. A. Kuyper, die in die dagen predikant in Amsterdam was, en die, naar hij zei, met zijn staf over den Jordaan, alias den Amstel, was getrokken, en nu hier in Amsterdam tot twee heiren geworden was.
Van die zenuw-aandoenlijkheid zijn we nu gelukkig af. Gereformeerde vrouwen zijn er toch nooit geschikte mediums voor geweest. Wat onder een anderen dominee Kuyper destijds op de Veluwe voorviel, en naar Zeeland oversloeg, droeg een exceptioneel karakter. Slapen in de kerk komt onder ons nog voor, flauwvallen gelukkig zou goed als nooit meer.
Zij het dus al, dat, hier of daar, in zeer enkele kringen nog soms het te groot overwicht van het sentiment gevoeld wordt, dit is geen algemeen verschijnsel, dat bestrijding eischt; en in geen geval draagt dit verschijnsel, ook waar het opduikt, een specifiek godsdienstig karakter.
Huilgrage lieden huilen evengraag bij het zien van een brand of ander ongeluk, of ook als ze boos zijn, en hun boosheid geen uiting kan vinden in bitterheid.
Men versta dat niet, als wilden we de zenuwen op nonactiviteit stellen.
Ook onze zenuwen heoben wc van God; en het vermogen om wat ons hart vervult door het voertuig onzer zenuwen naar buiten te brengen en voor anderen merkbaar te maken, is ongetwijfeld een Goddelijke gave waarvoor we dankbaar hebben te zijn.
Er is ook een stroefheid die afstuit, een stilzwijgendheid die koud maakt, een onaandoenlijkheid, die u het hart toesluit.
In sommige streken van ons land is die stroefheid zelfs een kwaad dat bestreden moet worden. We zijn geen marmeren beelden noch figuren van was, maar levende personen, en dat leven moet uitkomen en zich toonen. Zich toonen ook in ons oog, in onze gelaatstrekken, in onzen handdruk, in den vriendelijken lach, in het gevoelvolle woord, en, als er waarlijk medelijden met anderer smart is, ook in de traan van ons oog.
Zulk een zenuwwerktng is gezond, en doet goed. En wat we in het sentimenteele aan de kaak stelden, is niet die gezonde, maar de ziekelijke zenuwuiting. Een uiting van zenuwaandoening, die zich niet uit het hart naar de zenuwen voortplant, maar die pas in de zenuwen zelve geboren wordt.
Doch, gelijk gezegd, op godsdienstig gebied ligt het principieele kwaad niet in deze werking der zenuwen, maar in een tuchtlooze werking van het hart. En in dien vorm genomen, doet het zich voor niet als Sentimentalisme, maar als Mysticisme. Mysticisme als zoodanig wel van mystiek te onderscheiden. Mystiek is het goede, het noodige, het onmisbare. Mysticisme is de ontaarding hiervan, haar verbastering, haar langzame verkankering.
Het verschil tusschen deze beide gevoelt men het best aan het Filioque.
Gelijk men weet, is Filioque de term van de belijdenis omtrent den Heiligen Geest, dien de Roomsche en Protestantsche kerken handhaven, en dien de Grieksche kerk geschrapt heeft.
Filioque beduidt: en van den Zoon.
Het verschil nu bestond hierin, dat de Grieksche kerk beleed, dat de Heilige Geest uitgaat van den Vader (en niet van den Zoon), terwijl daarentegen de overige Christelijke kerken belijden, dat de Heilige Geest uitgaat van den Vader en van den Zoon, d. i. e Patre Filioque.
Het geding van het Filioque loopt dus hierover, of de Heilige Geest alleen van den Vader, of wel ook van den Zoon uitgaat, en hierin nu ligt tevens het grondverschil tusschen de ware mystiek en het valsche mysticisme.
Gelijk men dan ook weet, is het valsche mysticisme nergens meer overheerschend dan in Rusland, en de zonderlinge secten, die gedurig in dit groote rijk opkomen, en waarvan het meest bekend is de secte die haar beste leden bij levenden lijve in steenen groeven inmetselde, toonen telkens opnieuw tot wat extravagantie dit mysticisme leidt.
Vraagt men, hoe dit dan met het Filioqtie samenhangt, zie dan hier het antwoord.
Indien de Heilige Geest niet alleen uit den Vader, maar ook van den Zoon uitgaat, dan zijn de werkingen van den Heiligen Geest gebonden aan de Openbaring des Zoons, gelijk Jezus sprak dat de Heilige Geest het tiit het zijne nemen zou, en het ons verkondigen.
Bij die belijdenis blijft dus de werking van den Heiligen Geest aan het werk van den Zoon gebonden. Ze gaat dan niet buiten het verlossingswerk van den Zoon om, maar hangt er mede sa& m, en vloeit er uit voort. En waar wij in ons werkingen van den Heiligen Geest achten waar te nemen, spreekt het dus vanzelf, dat het Woord onze toetssteen blijft, en dat we weten, hoe alle inwendige werking, die met dit Woord niet overeenkomt, er tegenin of er boven uitgaat, niet is een werking van den Heiligen Geest, maar of een spel van onzen eigen geest, óf een inwerking van demonen.
Er is dus met het Filioque een band, een band aan Christus, een band aan het vleesch geworden en aan het geschreven Woord.
Er is dan keur en onderscheiding mogelijk, want het Filioque gaat altoos door, en alleen in de Openbaring van den Christus openbaart zich de Heilige Geest.
Er is dan samenhang tusschen het groote werk onzer Verlossing en het uitwerkende werk van den Heiligen Geest.
En, om er ook dit nog bij te voegen, er blijft dan eenheid van correspondentie bestaan tusschen ons innerlijk en tusschen ons kerkelijk leven, want de Kerk is de openbaring van het werk des Zoons.
Laat men daarentegen het Filioque glippen, maakt men het werk van den Heiligen Geest los van het werk des .2ÖÖ»J, en dus ook los van het Woord en van de Kerk van Christus, dan wordt het iets op zich zelf, iets naast den Christus, iets naast het Woord, iets naast de Kerk. En is die scheiding eenmaal aanvaard, dan kan het niet anders, of dit mystieke werk van den Heiligen Geest wordt al spoedig geschat boven het werk van den Christus, boven het Woord, en boven de Kerk.
Reeds de Doopers ontzagen zich dan ook niet, reeds in de dagen der Reformatie het aldoor zoo voor te stellen, dat, ja, voor de gewone lieden en voor de kinderen de Schrift goed genoeg was, maar dat wie het werk van den Heiligen Geest in zich ontving, op een hooger standpunt stond, en dus de Schrift niet meer noodig had. Een „verlicht" man w^s aan de Schrift ontgroeid. Van de Schrift ging dat op den Christus, en evenzoo op de Kerk, over. En het einde is dan ook geweest, dat de meeste dezer dweepzieken eerst het Woord, toen de Kerk, en ten slotte ook den Christus verworpen hebben. Zij waren tot een hooger standpunt opgeklommen. Zij ontvingen onmiddellijke gemeenschap met het Eeuwige Wezen. Hunner was een eigen, een innerlijk licht. En het gemeene licht, waarbij de anderen wandelden, had voor hen alle bekoring verloren.
Doch dan volgde hier ook uit, dat elke maatstaf, elke norma, elke toetssteen wegviel, om de ware van de valsche inwerking te onderscheiden, en dat ten slotte de meest ongezonde inbeeldingen, de dwaaste voorstellingen, de zondigste inwerpselen door allerlei heethoofden en dweepzieke menschen als inspraak van den Heiligen Geest werden voorgewend, en dat er bijna geen zonde te bedenken is, overspel, ontucht, moord en wat niet al, die niet in naam van den Heiligen Geest bedreven is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 mei 1900
De Heraut | 4 Pagina's