Uit de Pers.
Over het gebruik van den zegen uit Numeri f van Paulus schrijft Prof. H. H. Kuyper in e Friesche Kerkbode dit:
Onder de vragen, die in den laatsten tijd op iturgisch gebied de aandacht trekken, behoort ook e«e, of de zegen, aan het einde van de bediening es Woords aan de gemeente op te leggen, de aronitische zegen (Num 6 : 23, 24) of de Aposolische zegen (2 Cor 13 : 13) moet zijn? Beide inden hun voorstanders, en de strijd, welke for ule de beste is voor de Christelijke gemeente, indt zelfs in de Christelijke pers reeds weerklank
Liturgisch en kerkrechterlijk is het niet moeilijk eze kwestie uit te maken. Onze Gereformeerde iturgie kent geen anderen zegen dan den Aaroitischen, Calvijn, evenals Luther, gebruikte alleen ezen zegen Op de Synode van Dordt in 1574, aar deze kwestie ter sprake kwam, werd uitdruk eiijk voorgeschreven, dat in onze Kerken alleen et den Aaronitischen zegen de bediening des D D f d G v v j r p e V h Woords mocht gesloten worden. En in al de uitgaven onzer liturgie, door verschillende Synodes bekrachtigd, komt alleen de Aaronitische zegen voor. Zelfs de jongste schrijvers over liturgie, zoo wel van Luthersche als van Gereformeerde zijde, erkennen dan ook eenparig, dat historisch in de Protestantsche Kerken als benedictio alleen de Aaronitische zegen recht van bestaan heeft. De zoogenaamde Apostolische zegen is door onze vaderen nooit gebruikt.
En evenmin is het moeilijk de redenen aan te geven, waarom Calvijn en Luther en de Protestantsche Kerken in het gemeen wel den Aaronitischen, maar niet den Apostolischen zegen gebruikten. De zegening der gemeente is een heilige priesterlijke daad, waarbij de dienaar des Woords als instrument van den HoogeprieSter in de hemelen den zegen des Heeren op de gemeente legt. Men hield zich daarom bij deze zegening liefst letterlijk aan de woorden, waarmede God de Heere zelf bevolen had de gemeente te zegenen Juist de ernstige opvatting, die men van deze heilige handeling had, maakte dat men zich zoo nauw mogelijk aan de oorspronkelijke inzetting hield. En waar men wel een gebod des Heeren had om de gemeente te zegenen met den Aaronitischen zegen, maar de zoogenaamde Apostolische zegen nergens was voorgeschreven als vervanging voor den Oud-Testamentischen zegen, daar wilde men liefst niet eigendunkelijk een verandering in de ordinantie Gods aanbrengen Wat uit deze handelwijze onzer vaderen sprak, was eerbied voor de instelling Gods.
Eerst in veel later tijd is het gebruik opgekomen om den Apostolischen zegen te gebruiken; eerst naast, daarna ter vervanging van den Aaronitischen zegen. En niet zelden werd daarbij het argument gebezigd, dat deze N Testamentische zegen veel rijker en voller dan de Aaronitische den rijkdom van den Goddelijken zegen openbaarde Vooral toen het Oude Testament op den achtergrond .raakte, de eenheid van Gods operjbaring werd geloochend en het Nieuwe Testament als het eigenlijke Woord Gods gold, vond deze redeneering ingang bij de gemeente Wie den Aaro nitjschen zegen nog gebruikte, werd half verdacht van oud Joodsche sympathie en scheen nog niet gekomen te zijn tot het rijke Evangelie van Jezus Christus. Eenzelfde beweging als er toe leidde om de psalmen door de gezangen te vervangen, omdat in de psalmen een oud testamentische geest heerschte en de naam van onzen Heiland niet genoemd werd
Intusschen, al staat historisch zonder eenigen twijfel vast, dat de Gereformeerde liturgie geen anderen dan den Aaronitischen zegen kent, en zij, die dezen zegen alleen gebruiken, daartoe ten volle het recht hebben, toch make men van deze zaak geen twistappel en meene niet, dat hierbij de uitnemendste ook de eenige weg is, die bewandeld kan en mag worden.
Voetius bespreekt het feit, dat reeds in zijne dagen enkele dienaren des Woords andere formules voor den zegen gebruikten en geeft den wijzen raad, dat niemand zijn eigen praktijk anderen als een wet zou voorschrijven en daardoor de vrijheid, die Christus on« geeft, zal belemmeren. Vooral waarschuwt hij er tegen, dat men niet in Roomschen zin aan bepaalde woorden een magische kracht zal toekennen, alsof van die woorden de zegen zelf zou afhangen. Er is maar een eisch, dat de formule aan de Schrift moet ontleend zijn en dienen moet tot goed verstand en opbouwing der hoorders
Bij dien wijzen raad van onzen grooten Cano nicus sluiten wij ons gaarne aan. Al meent men voor zich zelf op degelijke en afdoende gronden, dat men alleen den Aaronitischen zegen gebruiken mag, men oordeele daarom niet dezulken, die ter afwisseling ook den Apostolischen zegen gebruiken. Liturgisch moge het laatste minder juist zijn, een zonde is het zeker niet.
Maar wel dient er streng de hand aan gehouden, en hierop worde nadruk gelegd, dat meu bij het gebruik van een andere formule dan de bekende Oud-Testamentische, zich althans stipt binde aan de woorden der H Schrift en daarin niet eigenmachtig veranderingen ga aanbrengen, om het Woord Gods te verbeteren. Wie dat doet verklaart feitelijk, dat hij de meening des Heiligen Geestes beter weet dan de Apostelen des Heeren
Wij doelen hiermede op tweeërlei misstand.
In de eerste plaats moet de zegen een zege7i blijven, een verklaring zijn van Godswege aan de gemeente, dat God om Christus wil dezen zegen geeft. Het mag dus nooit worden een luensch, een bede: de Heere moge u zegenen: Zijn genadsmoge met u zijn; het moet zijn, gelijk de Schrift het noemt, een opleggen van den naam Gods op zijn volk: De Heere zegene u; de genade van den Heere Jezus zij met u. Alleen dan, wanneer iemand optreedt, die m'et in het ambt staat en dus de macht niet heeft om den zegen op te leggen, be hoort de gebedsvorm te worden gebruikt, maar een dienaar des Woords mag het in dien vorm niet doen. - "
En in de tweede plaats moet de zegen geschonken worden aan de gemeente als gemeente van ware Christgeloovigen. In de gemeente zijn ook onbekeerden of hypocrieten, maar hun geldt de zegen niet en met hen kan de predikant geen rekening houden. Vandaar dat alle veranderingen in den Apostolischen zegen, als: de genade van den Heere Jezus Christus, worde u geschonken cf rijkelijk vermenigviildtgd, ongeoorloofd zijn. Men deelt dan de gemeente in twee partijen; hier de »onbegenadigden", wien de prediker toebidt, dat zij voor het eerst die genade ontvangen mogen daar de begenadigden bij wie deze genade vermeerderd moge worden De Apostel des Heeren zegt: sij met 11 allen, en aan dat woord iets toe of af te doen, komt aan geen mensch toe.
Ook hierbij is de strijd tusschen het individualisme en de gemeente in het geding. Niet A of B, maar de kerken hebben te beslissen, welke formule bij de Liturgische handeling gelden zal.
Slechts moet worden toegegeven, dat men thans moeilijk, na de Babylonische spraakverwarring, die achter ons ligt, de Liturgische bepalingen van vóór drie eeuwen aan een iegelijk op kan leggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 mei 1900
De Heraut | 4 Pagina's