Is onze Kennis van de waarheid gelijk aan die waarheid zelve?
IV. (Slot).
Hoe is het dan te verklaren, dat onze opvatting van de waarheid zóó subjectief is, en dat toch de waarheid in breeden kring - voor ons absoluut vast staat?
De oplossing hiervan kan in niets anders liggen, dan daarin dat God eenerzijds onze kennis, zal ze zekerheid voor ons hebben, uist aan onze subjectieve overtuiging géhonen heeft, en dat diezelfde God toch anerzijds in dat subjectieve het gemeenchappelijke door het stellen van zekere norma heeft ingeweven.
Vergunne men ons deze beide onderstelingen nog nader toe te lichten, en daartoe met de laatste te beginnen.
Stel u de vraag: „Hoe ziet het bladb.v. an een kastanjeboom er uit? " Simpele raag, zult ge zeggen, neem er een en ie. En toch is die vraag lang niet zoo envoudig als het lijkt.
Of ziet ge niet heel iets anders wanneer e dat blad door een vergrootglas beziet, an dat ge het beziet met het bloote oog.' atuurlijk. Goed, maar hoe is het blad dan nu.' s het zoo, als ge het met uw ongewapend og, of zoo als ge het door de loep waareemt.' En dan moet ge wel antwoorden: et is allebeide, maar door de loep beien, is het nauwkeuriger waargenomen. uist zoo, maar dan zou er uit volgen, dat ge gemeenlijk nooit het werkelijke blad ziet zooals het is, maar slechts een zeer verflauwd beeld er van opvangt.
En toch, de loep is nog niet het scherpste instrument. De microsoop werkt veel scherper. Bezien door een microscoop die honderdmaal vergroot, ziet het stukje blad dat er onder ligt er weer heel anders uit, En toch is een microscoop die honderdmaal vergroot nog niets. Reeds eenigszins goede microscopen vergrooten zevenhonderdmaal, en de fijnere nog veel meer.
Zoo wordt hetzelfde blad dan altoos anders naar gelang van het instrument dat ge aanwendt. En toch, al ziet ge telkens in en aan dat blad iets anders en iets meer, toch blijft het hetzelfde blad, en ge kunt niets er aan zien of het moet er aan wezen. Als ge door een laan wandelt, en die duizenden bladeren aan de takken ziet wiegelen, ziet ge dus eigenlijk van die bladeren zoo goed als niets. Ge ziet een groen schijntje in zekere grove vormen. Maar het eigenlijke blad onttrekt zich aan uw oog.
En zij het nu al minder groot, toch gaat hetzelfde verschil door ook voor het ongewapend oog. Een neger ziet veel fijner dan een Europeaan. Onder de Europeanen de landman beter dan de stedeling. Onder de stedelingen de jongen beter dan de ouden. Zie al die brillen maar en al die knijpertjes op den neus.
Zelfs werkt het oog verschillend. De één is kortzichtig of bijziende, de ander is verziende, en de derde ziet gewoon. Zie het maar aan den verschillenden afstand waarop ze een boek voor zich nemen, als ze lezen.
En zooals het met de vormen en lijnen is, zoo is het ook met de kleuren. Het Duitsche oog ziet de kleuren anders dan het Engelsche oog. Vandaar in Duitschland de voorliefde voor de matte, zwakke tint, in Engeland voor de hooge kleur. Wij staan tusschen beide in.
En toch aarzelt niemand om te gelooven dat wat hij ziet, is zooals hij het ziet, al geeft de kenner toe, dat hij het altoos eenigszins anders ziet dan een ander.
Dat nu is alleen daaruit te verklaren, dat God, niettegenstaande alle deze verschillen, toch een norma in de verschijnselen gelegd heeft, en dat deze norma in overeenstemming is gebracht met ons menschelijk oog.
Denk u slechts een oogenblik, dat wij menschen morgen den dag een oog kregen zoo scherp als de lens van een miscroscoop, en we zouden van schrik voor wat we zagen, het oog onwillekeurig dichtsluiten Al het schoon der schepping zou onherroepelijk voor ons weg zijn. Slechts wan gestalten zouden we waarnemen.
Zelfs een adelaar moet reeds heel wat anders zien dan wij waarnemen, omdat zijn blik zooveel verder reikt, en zooveel doordringender is.
Er moet dus een scherpte van blik en een afstand van het gezicht als norma worden aangenomen; en bij die bepaalde scherpte en op dien bepaalden afstand, moet de schepping zich in het schoon van haar harmonieën vertoonen.
En dit zoo zijnde, kunnen we tot geen ander resultaat komen, dan dat God de wereld op het gewone menschenoog, en het gewone menschenoog op de schepping heeft aangelegd. Hij stelde in den mensch een maat voor het gezicht, en onder die maat schiep Hij de natuur om ons heen.
Zoodoende is dus in den mensch, d. i. in de menschelijke natuur zelve, zekere normale verhouding gegeven, die op de natuur past; en al bewijst nu de microscoop honderdmaal dat de beelden der dingen die wij zien, het ding volstrekt niet uitputten, toch brengt deze van God gewilde verhouding te weeg, dat wij met absolute zekerheid boom en blad waarnemen, en vastelijk gelooven in hun zijn 200 als ons oog ze ziet.
Dit voorbeeld kozen we opzettelijk uit de tastbare dingen, omdat zoo een iegelijk verstaat wat we bedoelen. Pasten we het gezegde toe op de geestelijke dingen, zoo zouden we ons in afgetrokkenheden moeten verliezen, die de meesten onzer lezers niet zouden kunnen volgen. Jezus deed bijna altoos evenzoo. Mits men nu maar niet vergete, dat ditzelfde ook van de geestelijke dingen geldt, en dat ook op dat terrein ons gevoel van absolute zekerheid alleen daaraan te danken is, dat God, afgezien van het verborgen wezen der dingen, zulk een norma voor hun verschijning aan ons gesteld heeft, dat daardoor een algemeen menschelijke waarneming mogelijk wordt.
Absoluut in dien zin, dat onze kennis het wezen zou uitputten, is ons weten dus nimmer, maar wel absoluut voor ons a/j »2Ê«jf-^, Alleen hierdoor is gemeenschap van overtuiging, van inzicht, van gewaarwording onder menschen mogelijk. Zonder dat zou er nóch in de maatschappij, nóch in de kerk, nóch in de wetenschap saamleven en saamwerken mogelijk zijn.
Alzoo vormt zich ook in den loop der eeuwen een menschelijke overtuiging omtrent den grondslag van het bestaande, en omtrent den regel die het bestaande beheerscht. Die grondovertuiging noemen we de waarheid. En het is voor die waarheid dat we den strijd aanbinden, zoo dikwijls een valsche voorstelling zich als leugen hiertegenover stelt.
Doch nu komt hier onze eerste stelling bij, die zegt dat God onze kennis, inzoover ze voor ons persoonlijke zekerheid zal bezitten, aan onze subjectieve, persoonlijke overtuiging heeft gebonden.
Dat vindt hierin zijn oorzaak, dat er wel een algemeene grondverhouding en grondovertuiging bestaat, maar zoo, dat toch geen twee menschen daarbij in volstrekten zin hetzelfde gevoelen of bedoelen. Zingt ieder vogeltje gelijk het gebekt is, ook ieder mensch grijpt en begrijpt de dingen met een eigen besef, dat nooit precies eender is als het besef van een ander.
Dat komt daarvandaan, dat we allen hoofd voor hoofd verschillend in ons hart bestaan; dat we een eigen kijk op de dingen hebben, een eigen verleden hebben, een eigen vorming ondergingen, een eigen ervaring en bevinding hadden, en dat als resultaat van dit alles ons innerlijk besef iets eigenaardigs heeft.
Doch wel verre dat hierdoor de zekerheid voor ons zou verminderd worden, wordt daardoor juist de zekerheid der dingen voor ons verhoogd.
Het is juist die eigen persoonlijke blik op de dingen, die ons vast doet staan. Dat merkt ge reeds hieraan, dat al wat ge maar van hooren zeggen hebt, veel minder zekerheid voor u biedt, dan hetgeen ge subjectief doorleefd hebt, en dus nu op uw manier kent.
Tengevolge hiervan nu ontstaan er drie categorieën voor ons: i". zekere grondovertuiging, die we als algemeen menschelijk niet allen gemeen hebben; 2". zekere inzichten en opvattingen, die samenhangen met ons individueel bestaan; maar ook ten 3". zekere nadere schakeeringen in de grondovertuiging, die we wel niet met allen, maar'toch met meerderen gemeen hebben. Drie categorieën, naar hetgeen allen, hetgeen velen en hetgeen slechts een enkele alzoo greep en begreep.
En hierin nu ligt de verklaring, waarom we ook bij ons wetenschappelijk onderzoek in groepen moeten uiteengaan, en toch in die groepen ons persoonlijk inzicht handhaven.
We zijn menschen, en dus blijft het algemeen menschelijk levensbesef bij alle onderzoek ook op wetenschapplijk gebied, de bodem waarop we staan.
We zijn Christenen, en dus staan we met allen die de gemeen-Christelijke grondovertuiging beamen, op een gemeenschappelijken grondslag en strijden samen tegen de heidensche wereldbeschouwing.
Maar nu is er ook onder Christenen allerlei variatiën. Variatiën, die deels uitvervalsching, deels uit de veelvormigheid opkwamen.
Te midden dier variatiën behooren wij ook zelve tot ééne dier variatiën; slechts zeer zelden door keuze, meest door geboorte, opvoeding en verleden. We zijn er van zelf ingegroeid.
Zoo zijn wij Gereformeerden, en zien naast ons Lutherschen, Ethischen e. a. staan.
Welnu, behalve de algemeen Christelijke grondovertuiging, hebben wij nu saam met allen die tot dezelfde variatie behooren, zekere beginselen gemeen, die de uitwerking van deze grondovertuiging nader bepalen.
Die nadere uitwerking komt daardoor te staan naast en tegenover die andere nadere uitwerking, die omtrent deze zelfde vraagstukken gegeven wordt in een andere Christelijke variatie. En daarbij nu onderscheiden we tusschen drie dingen:
Ten eerste stuiten we daarbij op tegenstellingen die we als beslist valsch verwerpen en belijden.
Ten tweede vinden we daarbij overtuigingen, die nog niet zoo zijn uitgewerkt als de onze.
En ten derde ontwaren we daarbij uitwerkingen, die in onzen kring niet alzoo aan de orde kwamen.
En in dier voege nu is het, dat we, zonder ook maar iets aan het absoluut karakter der waarheid te kort te doen, niettemin het recht van het subjectieve, den rijkdom van de schakeering, en den zegen der pluriformiteit handhaven.
Ons blijft nu nog de vraag te beantwoorden, hoe van uit dit vaste, met velen gedeelde uitgangspunt, wetenschappelijk onderzoek mogelijk is.
Doch hierover in een nadere reeks.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juli 1900
De Heraut | 4 Pagina's