Vrij of gehonden?
In ons nommer 1173 beloofden we, na het zomerreces, terug te komen op de klacht, alsof enkele studenten van de Theologische School te Kampen, die te Amsterdam aan de Vrije Universiteit wenschten te promoveeren in de theologie, niet naar den eisch der broederlijke liefde bejegend waren.
We hadden de „loop-mare" hiervan opgevangen, en het deswege raadzaam geacht, wat hierachter schuilen moest, in het licht te lokken. Prof. Bavinck voldeed aan ons desbetreffend verzoek in de Bazuin op breedvoerige wijze. En dank zij die inlichting, kwam men dan ook te weten, dat metterdaad de pijnlijke overtuiging bij veel broederen had post gevat, alsof de Vrije Universiteit in vriendelijke tegemoetkoming aan wat bedoelde studenten begeerden, zelfs bij ongeloovige, of althans niet-Gereformcerde Universiteiten achterstond.
Men begrijpt, hoe we, dit verwijt hoorende, ons gelukkig gestarnte prezen, dat ons tot het publiek aan de orde stellen van deze quaestie bewogen had. Het spreekt toch wel van zelf, dat ook op dit terrein overeenstemming van beginsel en in streven naar een verwant doel, nopen moet tot het zóó ver gaan in tegemoetkoming, als de u geschonken bevoegdheid ook maar eenigszins reikt. Bleek dus metterdaad, dat de Senaat der Vrije Universiteit of haar theologische faculteit faciliteiten, die ze hadden kunnen verleenen, aan bedoelde studenten geweigerd hadden, dan zou zulks ook o. i. afkeuring verdienen, en zou de klacht van het broederhart, die hier tegen opging, volkomen rechtmatig zijn.
Gevoeligheden zijn zoo licht opgewekt; niet ieder is gewapend tegen prikkelbaarheden; en al moge hierin nu men schel ij ke zwakheid schuilen, met die menschelijke zwakheden, zijn we ieder op onze beurt behept; en juist dat stelt het onder broeders ten duren plicht, om met teederheid jegens elkander te verkeeren.
Dit klemt te meer, waar zij, die hier tegenover elkander stonden, leden waren van eenzelfde kerkengroep, en alzoo niet alleen de kerkelijke band, maar ook in dien band de liefde die ons in Christus verbindt, haar hoogen eisch deed gelden.
Bij veelzijdige ontplooiing van wetenschappelijken studiegeest, heeft al wie de Gereformeerde beginselen en de Gereformeerde tradities lief heeft, belang. En ook waar dat belang door particulieren uit het oog mocht zijn verloren, had althans de Senaat der Vrije Universiteit de roeping om voor dit hooge belang te waken. Stond e het dus alzoo, dat deze Universiteit willekeurig drang naar hooger studie bij geestverwante broederen had tegengehouden, in stee van dien te bevorderen, dan zou er geen verontschuldiging zijn aan te voeren, maar zou volmondig dienen erkend te worden, dat zij zich aan de broederschap en aan den eisch onzer beginselen had vergrepen.
Nu komt het punt in quaestie hier op neer, dat de Senaat der Vrije Universiteit aan twee studenten van Kampen, die het doctoraal-examen in de theologie wenschten af te leggen, geen vrijstelling heeft gegeven van het candidaats-examen, terwijl dit te Lausanne wel zou geschied zijn, en ook te Heidelberg voetstoots admissie tot het doctoraal-examen in de Philosofie verleend is.
Strikt genomen komt bij de tegenstelling tusschen het buitenlaudsche licht der vriendelijkheid en de schaduw van onvriendelijkheid, die de Vrije Universiteit wierp, alleen het geval van Lausanne in aanmerking. Bij het geval van Heidelberg toch kon, gelijk Prof. Bavinck zelf terecht opmerkt, het candidaats-diploma van Kampen da; Crom niet in aanmerking komen, omdat het een candidaats in de theologie gold, en het doctoraal doelde op een heel andere faculteit.
Wel kon er ten aanzien van Heidelberg sprake van zijn, of men zeker aantal studiejaren, elders doorgebracht, al dan niet meerekende, maar overmits hieromtrent door den Senaat te Amsterdam niets bepaald was, kan ook dit buiten het geding blijven.
Ten principale komt dus de zaak hier op neer, dat genoemde Senaat den eisch heeft gesteld, dat men, om tot het doctoraal examen te worden toegelaten, eerst zijn candidaats-examen moet afleggen, terwijl deze eisch noch te Heidelberg noch te Lausanne gedaan is.
Het komt er alzoo vóór alle dingen op aan, om nauwkeurig te weten, hoe ver ten deze de bevoegdheid strekte van den Senaat te Heidelberg en van dien te Lausanne, en hoe ver die van den Senaat te Amsterdam.
Wat nu Heidelberg betreft, zoo blijkt uit Dr. MAX BAUMGART, Grundsatze und Bedingungen zur Erlangmig der Doctorwürde, p. 182 v.v. desaangaande, voor wat de Philosophische faculteit betreft, het volgende.
Wie den graad van doctor in de Philosophie te Heidelberg wenscht te halen, moet bij de faculteit indienen een schriftelijk verzoek, ver .oo\. gezeld van een dusgenaamd curriculum vitae., aangevende welke lessen de aanvrager gevolgd en welke opleiding hij genoten heeft. Daarbij is te voegen een getuigschrift omtrent zedelijk gedrag van de Universiteit of andere inrichting van Hooger Onderwijs, die hij bezocht heeft, zijn bewijs van toelatings-examen tot zoodanige inrichting (Maturitatszeugniss), zoo hij dat kan (wenn er ein solches vorzulegen im Fall ist), en voorts alle documenten die zijn opgave bevestigen kunnen.
Volledigheidshalve geven we hier het Duitsche origineel:
Wer den philosophischen Doctorgrad zu ervierben wünscht, hat sich zunachst in einer schriftlichen Eingabe an die philosophische Facultat zu wenden. Dieser Eingabe ist ein Curriculum vitae, welches über den bisherigen Lebens-unct Bildungsgang des Bewerbers und die von ihmgehörten Vorlesungen genügenden Aufschluss giebt, nebst den Abgangs-und Sittenzeugnissen der von ihm besuchten Universitaten oder andern, höhern Lehranstalten, dem Maturitatszeugniss, . wenn er ein solches vorzulegen im Fall ist, , und den übrigen zur Beglaubigung seiner Angaben etwe erforderlichen Documenten beizufügen..
Meer wordt niet verei-cht. Van het overleggen van een candidaats-diploma, of van het afleggen van een candidaats-(of licentiaat)
examen is geen sprake. Wie inlevert wat hier staat, kan zonder meer zijn doctoraal doen.
Zelfs het schrijven van .een dissertatie is niet volstrekt noodig. „Die Einreichung einer Dissertation ist keine unerlassliche Bedingung. Voor de promotie wordt in absoluten zin alleen het doctoraal examen vereischt, en ook hiervoor zijn de voorwaarden zeer licht gesteld.
Het examen toch loopt slechts over drie vakken, die men zelf uit de 25 vakken der faculteit kiezen mag. Bovendien is van die drie vakken, slechts één als hoofdvak aan te geven, terwijl de twee andere slechts als Nebenjdcher behandeld worden. En zelfs dit laat zich nog inkrimpen. Immers als nevenvakken kan men ook kiezen „grössere Theile, Seitenzweige und Hilfswissenschaften." Zelfs kan men volstaan met één nieuw nevenvak, en dan als tweede nevenvak een bijzonder deel van het hoofdvak nemen.
De kosten zijn 420 mark.
Wie geen Maturitatszeugniss kan overleggen, wordt, tenzij hij in de Philologie wil promoveeren, in één Latijnsch schrijver die op de Gymnasia behandeld wordt, geëxamineerd.
Voor den Senaat van Heidelberg is alzoo de bevoegdheid om iemand tot het doctoraat toe te laten, nagenoeg onbegrensd.
Men meldt zich aan, en zendt zijn curriculum vitae in. Heeft men geen toelatingsdiploma, dan doet men examen b.v. in Cicero. En voorts bereidt men zich voorop zijn doctoraal, door zich te bekwamen in één hoofdvak, met twee ncvenvakken, b.v. in de Philosophic, met de Geschiedenis en de oude philosophic als nevenvakken.
Een dissertatie is niet eens noodig.
Over deze uiterst gemakkelijke voorwaarden verwondere men zich niet Het is bekend, hoe ongemeen/««> /men van oudsher aan sommige Duitsche Universiteiten was. Er heerscht daaromtrent in Duitschland een geheel andere beschouwing dan ten onzent. Zelfs zijn er Duitsche Universiteiten die er een geldzaak van maakten, en u alles toestonden, mits ge maar betaaldet.
Dit geldt nu zeer zeker van Heidelberg niet, maar toch, althans voor het doctoraat in de Philosophie is men ook te Heidelberg zoo faciei als het zich slechts denken laat.
Een doctoraat in de Theologie daarentegen is te Heidelberg niet te verwerven. Dat verleent Heidelberg alleen honoris causa.
Er was alzoo geen enkele reden denkbaar, waarom men te Heidelberg voorafgaand candidaats-examen zou geëischt hebben. De Senaat kon dit niet vorderen. Hij had er het recht niet toe.
Zien we nu, hoe het te Lausanne stond. Daar bepaalde h.& t Reglement de la Faculté de Theologie in het vierde hoofdstuk art. 25 v.v. het navolgende.
Om den graad van Doctor in de Theologie te erlangen, moet men een doctoraalexamen afleggen. Om hiertoe te worden toegelaten, moet men zich schriftelijk tot de Faculteit wenden, onder overlegging van de navolgende stukken: i". Bewijs van in-, schrijving bij de Universiteit te Lausanne, 2». de diploma's en certificaten van dusver volbrachte studie, 3". een exemplaar van wat men mocht uitgegeven hebben, en 4". een currictdunt vitae.
Het doctoraal bestaat uit drie deelen: i". schriftelijk onderzoek, 2". mondeling onderzoek, en 3". het indienen van dissertatie met theses.
Zóó was het tot 7 Augustus I900.
Woordelijk luidden deze bepalingen aldus :
ART. 28. Le grade de docteur en théologie est décerné a qui fait preuve, au cours des examens ci-après specifies, d'une culture théologique d'un caractère general et scientifique.
ART. 29. Pour être admis ^ subir ces épreuves, le candidal doit adresser au doyen de la Faculté une demande écrite accompagnée des pieces suivantes:
d) l’immatriculation a l'Université de Lausanne;
b) les diplómes et certificats d'études déja acquis;
c) éventuellement, un exemplaire des travaux publiés par lui;
d) un curriculum vitae.
ART. 30 Les épreuves sont subies devant le Conseil de faculté, qui en fixe l’époque.
ART. 31. Ces épreuves comportent:
1. un examen écrit;
2. un exarnen oral;
3. la presentation d'une dissertation et la soutenance publique des theses qui l'accompagnent.
Daar het geval, waarop Prof. Bavinck doelde, vóór 7 Augustus igoo plaatsgreep, moest hiernaar verwezen.
Sinds echter is dit aldus gewijzigd, dat thans geëischt wordt: Le diplöme de licencié en théologie de FUniversité de Lausanne, OU de litres j'ugés equivalents, d. i. wat wij zouden zeggen, een diploma van geslaagd candidaats te Lausanne of van een ander examen, dat geoordeeld werd hiertegen op te wegen. (Zie Reglement 1900. p. 7. Art. 28).
Dat gold toen nog niet. Doch al had het gegolden, dan nog zou alzoo de Senaat te Lausanne, of de faculteit, volkomen gerechtigd en bevoegd zijn geweest, om het candidaats-diploma van Kampen te valideeren.
Er blijkt derhalve, dat de Senaten van Heidelberg en Lausanne op het tijdstip dat hier in aanmerking komt, onder geen enkele verplichting stonden, om den eisch te stellen, dat vooraf het candidaats-of licentiaats-examen zou worden afgelegd.
Ze waren volkomen vrij en bevoegd, en ten deele zelfs verplicht, om zonder zulk Voorafgaand candidaats, hen die zich aanmeldden, tot het doctoraal toe te laten.
Geheel anders daarentegen stond het met den Senaat van de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Bij deze Universiteit toch geldt als regeling voor het Doctoraal-examen in de Theologie, dat, om tot dat examen te worden toegelaten, moet worden overgelegd: i. Bewijs van inschrijving en recensie, 2''. het beivijs dat het candidaats-examen aan de Vrije Universiteit met ^oed gevolg is afgelegd, en 3". dat de som van ƒ 50 voor het doctoraal voldaan is. (Zie Statuten en Reglement van instructie p. 40).
Deze Senaat was alzoo gebonden door een Reglement, en dat Reglement bepaalde, dat tot het doctoraal alleen mocht worden toegelaten wie het candidaats in de Theologie aan de Vrije Universiteit met goed gevolg had afgelegd.
Is dan de Senaat niet bevoegd hiervan dispensatie te verleenen?
Neen.
Wel van het admissie-en propacdeutisch. Dat staat er in Art. ló van het Regl. dei School bij (zie blz. 29 {Collato p. 38) en blz. 39), maar van het candidaats-examen niet.
We voegen er bij, dat van een student uit Zuid-Afrika nog dezer dagert gelijk verzoek om dispensatie is ingekomen, maar dat dit eveneens moest worden afgewezen
Het Reglement verbiedt het.
De zaak staat dus zoo, dat de Reglementen te Heidelberg en Lausanne toelieten, wat het Reglement aan de Vrije Universiteit verbood.
Noch te Heidelberg noch te Lausanne kon men krachtens het Reglement den eisch van voorafgaand candidaats stellen, te Amsterdam moest men het doen.
Het recht van dispensatie zelfs ontbrak hier.
Natuurlijk is het een heel andere vraag of men later het Reglement zelf niet veranderen kon.
Maar in elk geval moesten de ingekomen aanvragen, waarop gedoeld werd, beoordeeld en beantwoord worden in voege als het bestaande en geldende Reglement dit voorschreef.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 oktober 1900
De Heraut | 4 Pagina's