Raadselachtig.
Amsterdam, 12 October 1900.
Tegenover de ook door ons meermalen gegeven voorstelling, dat in de meer exclusief Roomsche landen de bevolking voor het grooter deel aan den machtigen geloofsdrang ontzonken is, verklaart ds Maasbode, dat dit althans niet het geval is in Frankrijk en Oostenrijk.
Om ons nu tot Frankrijk te bepalen: hoe is het dan te verklaren dat de stembus over heel het land, keer op keer, de overgroote meerderheid geeft aan volksvertegenwoordigers, die van het anti-clericalisme een hartstocht maken, en er steeds op uit zijn, om het opbloeien van het geloof tegen te houden?
Want wel zegt de Maasbode, dat het volk zich liefst niet met Staatszaken bemoeit^i maar dit houdt geen steek, want die anticlericale meerderheid wordt door het volk gekozen, en dat niettegenstaande het waarlijk niet ontbreekt aan waarschuwing, om toch het mandaat van zulke vijanden der kerk niet te vernieuwen.
Ze blijven niet thuis, ze komen op, ze stemmen, al de breede volksscharen, niet minder sterk dan bij ons; maar als ze stemmen, brengen ze in groote meerderheid hun stem uit op de mannen van wie ze weten, dat ze de kerk niet alleen, maar alle geloof pogen terug te dringen.
Hierin ligt voor ons iets raadselachtigs, dat het ons niet gegund is te verklaren.
Toch wijzen we hier niet op, om te krenken.
Dat de Protestanten krachtens hun belijdenis en beginsel voor een eigen overtuiging, en voor die overtuiging met beslistheid hebben op te komen, ligt in den aard der zaak.
Maar het Protestantisme ondermijnt zich zelf, indien het zijn kracht zoekt in het wijzen op den splinter in anderer oog, en dan de balk in eigen oog vergeet.
Wat het Protestantisme zwak maakt, is zijn ongeredderde kerkelijke toestand.
De kerkelijke verdeeldheid verteert ons.
De Protestantsche kerken maken daardoor niet meer den indruk van een moeder die haar kinderen zoekt, gelijk Calvijn het uitdrukte; en daarvandaan komt het, dat van ongeloovige zijde zoo telkens geroepen wordt: Als ik mij weer aan een kerk aansloot, dan zou het aan de Roomsche zijn.
Het geloof zoekt in de kerk een steunpunt een rustpunt, iets dat den indruk maakt van eerwaardigheid en hooger vrede. En soms schijnt het wel alsof men in de Protestantsche jkerken niet beter wist tej doen, dan heil zoeken in Babylonische verwarring.
We zeggen dit niet van de Gereformeerde kerken. Haar toestand is in dat opzicht exceptioneel gunstig. Maar de geloovige Protestanten door heel het land genomen, zouden toch wel doen, met zich eens de vraag te stellen, of het niet eindelijk tijd werd, een meer vaste, meer blijvende constellatie te zoeken, en hun kerkelijk leven zoo in te richten dat het weer eerbied afdwong en de „vermoeiden en belasten” aantrok.
Antipapisme van buiten en verdeeldheid van binnen is stelselmatige afbreking van eigen kracht.
Iets wat ia die mate geldt, dat, al verkeeren onze Gereformeerde kerken voorshands in gelukkiger conditiën, er toch ook onder ons niet genoeg op kan worden aangedrongen, om toch strengelijk en stipt alles te mijden, wat het cement der liefde losmaakt, aan het kerkelijk wezen de uit* drukking van eenheid en vastheid ontneemt, en daardoor verdere ontwikkeling tegenhoudt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 oktober 1900
De Heraut | 4 Pagina's