Uit be Pers.
Ds. Fernhout’s eerste stuk was te belangrijk, om het tweede en tevens slot-artikel niet te laten volgen.
Het was van dezen inhoud, en wordt insgelijks uit de Utr, Kekbode overgenomen:
De oorzaken van de tekorten voor den Kerke-, dienst zijn veel en velerlei Stellig is er óók onder te noemen de gierigheid, in den gewonen zin van het woord : de verkleefdheid aan 't geld, «het niets kunnen missen», zooals het volk het noemt; de laagste en schandelijkste vorm van de hebzucht, de mammondienst als naakte fetishvereering
Als er in den kleinen kring der twaalve, die Jezus veikoor, reeds een gierigaard was, hoeveel gierigaards zullen er dan allicht wezen onder de honderden en duizenden leden eener Gereformeerde Kerk. En als Judas het jarenlang uithouden kon in de tegenwoordigheid van Jezus zelf, met hoeveel meer vrijmoedigheid moet dit soort van geveinsden dan onder öns verkeeren
En het moet beleden, dat we het hun heel gemakkelijk maken ook; heel wat gemakkelijker dan het Judas moet gevallen zijn Want in Jezus' kring stond de zedelijke maatstaf hoog Geen zonde werd er vergoelijkt; ook de gierigheid niet. Daar zorgde de Meester wel voor. En hij zorgde ook, dat Judas buideldrager werd, en daardoor te moeie lijker zijn gierigheid schuil kon houden
Maar onder ons gaat de zedelijke standaard telkens weer zinken En dan heeft de gierigheid het voorrecht vaft het eerst met verschooning behandeld te worden
Vroom zijn en dronkaard-wezen ; , ^keerd-zijn en hoereeren — dat gaat niet Maar heel zijn leven gierig zijn en zalig afsterven dat schijnt beter te gaan. Alsof het Woord niet, bij de opsomming van hen, die het Koninkrijk Gods niet zullen beërven, naast de hoereerders en de dronkaards, ook de gierigaards noemde
Dit zou de Kerk van Christus moeten dringen om wie gierig is, vooral wie zich gierig toont jegens den Kerkedienst, niet minder ernstig te bestraffen en, als het moet, te tuchtigen, dan alle hoereerders en dronkaards. Maar zie, daartoe snijdt ze zich jelve, voorzooveel het aan haar hangt, onnoozel genoeg, den pas af
In plaats van deze zonde, , mét den ijver dien ze waard is, te vervolgen, verschaft ze haar, heel vriendelijk, de gelegenheid, om zich te verschuilen
We bedoelen dit, dat ze op endere manier dan door vaste bijdragen van haar leden zoekt te krijgen wat voor den Kerkendienst noodig is Mode is het collecteeren met een zak: een blind inzamelen, waarbij geen controle van de gaven mogelijk is.
Prachtige gelegenheid voor de gierigaards om in den zak te houden wat ze liever niet missen en toch voor een fatsoenlijk Christenmensch door te gaan!
Tien tegen één, dat één hunner den collectezak heeft uitgevonden
Of zou ze misschien een getuige zijn van betere tijden, waarin men vertrouwen mocht, dat niemand den blinden zak bedriegen zou ? Gelukkig dan voor den zak ; maar des te erger voor öns Want zooveel vertrouwen kunnen wij niet meer geven, en mogen we niet meer vragen.
En uit dien bedrogen zak zoekt men dan in menige Kerk al zijn inkomsten! Wat wonder dat men jaar op jaar tekort komt
Elders ging men wel den eenig goeden weg der vaste bijdragen op ; maar om tegelijk het onont heerlijke zakje aan te houden. Alsof het jammer zou zijn, zoo men gedurende de twee verzen van den tusschenzang, onder het aanroepen van den Naam des Heeren, de variatie van het kerkezakje missen moet, en — alsof het jammer zou wezen voor de gierige broeders en zusters zoo hun deze kostelijke gelegenheid voor 't schuilevinkje spelen werd benomen.
O, dat zakje is hun reddingsplank! Als dat zakje er niet was, moesten ze zonder pardon met hun vaste bijdrage voor den dag komen; en dan — dan moest hun gierigheid eraan oihyxa geld. Maar nü zijn ze veilig. Veilig achter dat dierbare zakje.
Vermaan hen om een vaste bijdrage toe te zegen, of hun vaste bijdrage te verhoogen ; en ze zullen u antwoorden met een beroep op het zakje: »ik doe het mijne in het zakjetc of »ik maak het in 't zakje goedj ; of — wat bedenkelijker - — «weet e dan, wat ik 's Zondags in 't zakje doe?
Neen, ik weet het met; en het zakje weet het ók niet Maar als Hij, die het wèl weet, eens sprak ? . . . .
Om kort te gaan, als de zonde van gierigheid tegenover den dienst des Heeren openbaar worden al, en haar bestraffing zal hebben, dan moet «het zakje voor de kerk» aan den kant, en het stelsel van vrijwillige maar vaste bijdragen consequent worden doorgevoerd Voor de betrekkelijk weinigen wier inkomsten te gering en daarbij te onzeker ijn om een vaste contributie te kunnen dragen, on men dan een bus bij de kerkdeur hangen
Zoo kwam er een eind aan de onzekerheid van nze kerkelijke administratiëh, en zou allengs hef besef doordringen, dat de uitgaven voor den kerkeienst een eereschuld zijn, waarvoor ieder, na sr hij welvaren verkreeg, mede verantwoordelijk is
En dan kwam er wat er noodig was Want elk ou leeren geven, of liever betalen, haar vermogen e jaarlijksche bijdrage voor den kerkedienst zou en zaak van overweging en van overleg worden n daarmee kwam men dan een kwaad te boven, at óók door den kerkezak wordt gevoed: het waad van geven in sleur, in onnadenkendheid, onder overweging van zijn roeping, al naar dat er oevaUig in de portemonnaie is
Want ook d^t doet ons zoo onberekenbare schade En dan wilden we nög op iets wijzen, dat hier de aandacht verdient.
Hoofdkwaal is, als we ons niet Vergissen, bij ons ereformeerde volk niet de gierigheid, maar (behalve het veel te hoog opvoeren van de levenswijie) het gemis aan overleg'm het geven.
Er wordt veel, op iommige plaatsen zeer veel gegeven Als ge eens optelt wat er jaarlijks door e leden der gereformeerde kerken, die toch voor 't meerendeel geen menschen »in bonis« zijn, bijeen gebracht wordt voor Vrije Universiteit, Theol School, Zending, kerkedienst, Diiakonale hulp, schoolonderwijs, enz enz, dan heeft niemand het recht ora te zeggen, dat de gereformeerden gierig ijn Dan is er, integendeel, reden om onzen God te danken, dat Hij in ons volk nog zooveel offervaardigheid werkt.
Doch, dat bij zooveel offervaardigheid, de Kerke ienst bijna overal met tekorten worstelt, en op tal van plaatsen allerjammerlijkst bedacht wordt igt hieraan, dat men niet geeft met overleg; of iever, — want dit is het — dat er in ons geven nog teveel liefhebberij en eigenwilligheid, en te weinig oefening van gehoorzaamheid is
Wie eigenwillig geeft, geeft aan wie het eerst vraagt of aan wat hem het meest lijkt
Maar wie geeft in gehoorzaamheid, Iaat zich in zijn geven leiden door de orde die God heeft gesteld Die begint met wat van Godswege het eerste recht heeft, en gaat voort tot zoover als hij omen kan.
Die begint met zijn schuld e betalen en denkt daarna eerst aan weldoen
En deze gehoorzaamheid ontbreekt te veel Verreweg de meesten geven aan wie het eerst komt het hardst roept en het taaist aanhoudt Anderen laten zich door niemand weet wat wonderlijke sympathie en antipathie leiden. N6g anderen worden altoos bekoord door het geven voor wat buiten-af is en hebben er niets meê op, te zorgen voor wat vlak bij ligt. En verreweg de meeste menschen geven duizendmaal liever wat ze niet verplicht zijn, dan naar schuld. Bij zondaren zoo ijdel als wij, best te begrijpen. Want voor betaling van schuld hoeft niemand ons te bedanken, en we leggen er niet de minste eer meê in. Maar geven uit vrije beweging, bezorgt ons den naam van barmhartig en mild
En nu heeft de Kerkdienst, gelijk we zagen, het ongeluk van geen bedelaar, maar een crediteur te zijn
Wat we didrvoor bijdragen, is geen gave der liefde, maar betaling van schuld. Daar ligt niet 'de minste eer in Daar blijven we eenvoudig eerlijk mensch meê. En daarom trekt het ons niet aan, maar vinden we het veel «mooiera en «prettiger», om te geven voor allerlei liefdadige stichtingen en allerlei hulpbehoevende stakkers. «Daar heb j« nog eens wat aan Daar zie je nog eens een dank baar gezicht voor Maar die Kerkdienst - als je geld jn de kist glijdt, dan zegt het even »ting« en kwijt ben je het. Je ziet of hoort er niet van; of het moest zijn om je te zeggen, dat je niet genoeg gaf
Ja, ja; en toch gaat de Kerkdienst vóór Hij is een rechthebbende van Godswege En het is goed en heerlijk allerlei werk van barmhartigheid en allerlei goede zaken te steunen; ook, zóoveelmoge lijk, niemand van het heir collectanten dat ons, in de groote steden vooral, bestormt, met leege handen weg te zenden; maar eerst moet eigen huis verzorgd: eerst moeten eigen armen weezen en weduwen geholpen; eigen zending voorzien; eigen scholen bedacht; en vó6r dit alles eigen Kerkedienst in stand gehouden
Doen we dat, en kunnen we dan niet meer — dan doen we wat de Heere vraagt; en we hebben een goede onscientie
Doen we dat niet, en geven we dan voor allerlei naar buiten — dan koopen we ons den naam van mild te zijn met geld dat ons niet toekomt.
Ook in Utrecht, waar zoo ontzaggelijk veel gecollecteerd wordt voor allerlei zaken, is het ons noodig orde op ons geven te stellen. Het is niet goed voor God, immers niet recht, dat men ons buitenaf roemt als «goedgeefsch» en dat we ons eigen huisgezin niet behoorlijk verzorgen.
Wij voor ons denken nog aan een andere oorzaak.
Jarenlang is onder alle Protestantsche gemeenten van den kansel geleeraard, dat het kerkgaan het niet deed, en dat het op de kerk niet aankwam, en dat het niet om de kerk te doen moest zijn, maar om het Koninkrijk Gods; en dat het eigenlijk Roomsch was zoo aan de kerk te hechten; en dat de kerk als kerk eigenlijk niet meetelde; zoodat ongemerkt onderschatting van de institutaire kerk in alle rangen der maatschappij insloop.
Doe de idéé van de kerk weer herleven, maak de beteekenis van de kerk weer voelbaar, laat het individualisme weer voor de actie der kerk terugtreden, en ook in geldelijk opzicht zal de winste niet gering zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 21 oktober 1900
De Heraut | 4 Pagina's