Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Eeredienst

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eeredienst

10 minuten leestijd

LXVI.

Na het Gebed vóór de Predicatie moet, zal het wel zijn, die predicatie, zonder inschuifsel van gezang of wat ook, onmiddellijk een aanvang nemen. Aldus blijft het verband met het voorafgaande gebed levendig, en zal prediker en gehoor onder den indruk verkeeren, dat het om een vrucht, om een zegen te doen is, en dat die zegen aan beiden van God moet toekomen.

Doch hier juist raakt veler blik verward, zoowel onder de predikers als onder de hoorders.

Indien, zoo zegt men dan, de zegen op de predicatie metterdaad van God moet komen, en vlak vóór de predicatie moet worden afgebeden, dan moet de prediker het ook op zijn God wagen, en niet met een geschreven of voorbereide predicatie den kansel opgaan, en mag hij in geen geval zijn predicatie lezen.

Wie, als hij op den kansel staat, en de Gemeente voor hem nederzit, „nog niets heeft", en dan bidt om hulpe van zijn God, die meent het, die gevoelt zich afhankelijk, en die verwacht het wel waarlijk van den Geest. Heeft de prediker daarentegen bij het beklimmen van den kansel heel het stuk gereed, en leest hij het van den kansel voor, dan is zijn gebed om hulpe een doode vorm, en staat zijn vertrouwen niet op zijn God, maar op zijn papier en op zijn oogen.

Ook het gebed van de Gemeente voor den Leeraar heeft, zoo gaat men dan voort, alleen zin, indien zij onderstelt, dat hij spreken zal, gelijk de Heere zijn mond opent; maar zulk een gebed kan nooit vurig, oprecht en bezield zijn, indien zij weet, dat hij zijn predicatie op schrift met zich brengt, en vooral niet, zoo ze ontwaart, dat de prediker, met steelsche oogen, half ongemerkt en toch gemerkt, gewoon is te lezen.

Wat is nu hiervan aan.?

Ge zet u aan tafel, om met uw gezin uw middagmaal te houden, en ge gaat als hoofd van uw gezin priesterlijk voor, en

bidt: „Vader, geefons heden ons dagelijksch brood." Meent ge dat nu, of meent ge het niet? En zoo ge het meent, en aldus Gods zegen inroept en zijn hulpe afsmeekt, beknort ge dan uw vrouw, zoo ze uw spijs vooraf gekookt heeft, en ze op tafel heeft gezet, vlak voor u, eer ge bidt? Zegt ge dan ook: Ik kan niet bidden: geef ons onze spiji, als die spijs er al staat? Is het ook dan voor een oprecht gebed eisch, dat er nog niets zij, eer ge bidt, en dat eerst op uw gebed God wonderbaar u uw spijs in huis zende ? En zult ge ook dan zeggen: Voor een leegen schotel kan ik bidden, maar voor volle borden niet?

Natuurlijk is uw antwoord op die vragen ontkennend, want dag aan dag bidt ge om uw spijs, terwijl ge moeder de vrouw van plichtsverzuim beschuldigen zoudt, als ze niet vooraf gezorgd had, en u liet aanzitten aan een leege tafel.

En toch, ook hier is het waar, dat wie gebrek lijdt, vuriger bidt, dan wie overvloed heeft, en dat, als de broodkast leeg is, het gebed: Geef ons heden ons dagelijksch brood, een veel dieper zin en veel ernstiger karakter verkrijgt.

Het is een feit, dat welgestelde lieden, die nooit één enkel maal om overvloed van spijze verlegen zaten, maar altoos aan een welgevulde tafel gingen aanzitten, dikwijls meer voor den vorm, dan wezenlijk bidden. En een feit ook, dat, omgekeerd, in de povere vertrekken onzer armen, als er bijna niets is om te eten, datzelfde gebed soms zoo hartroerend schoon tot God opgaat.

Zult ge nu daarom zeggen, dat een goed en oprecht gebed eischt, dat de tafel leeg zij eer ge bidt, en dat althans vrome heden altoos aan een ledige tafel moeten gaan aanzitten, om in diepe afhankelijkheid af te wachten, of God de raven van Eüa bestellen mocht om hun voedsel te brengen ? En zoo niet, houdt het dan ook wel steek, zoo ge met opzicht tot de predicatie zegt: Om in de kerk het gebed vóór de predicatie in oprechtheid en vuriglijk te kunnen bidden, moet de prediker zonder' iets op den kansel komen, en wachten wat God hem in dat eigen oogenblik geven zal?

Ge gevoelt hier zelf het ongerijmde van.

Dat het zich, op zichzelf genomen, zoo denken laat, is volkomen waar, en dat het, ware het zoo, hoog verheven zou wezen, erkennen we voetstoots.

En ook geven we toe, dat God het zou kunnen doen.

Hij heeft Israel veertig jaren gespijzigd met het manna in de woestijn. Hij heeft Elia aan de beek gevoed, met de brokken spijs, die de raven hem brachten. En ook heeft Jezus de duizenden aan Galilea's meer gevoed met enkele brooden en visschen.

En evenzoo heeft Jezus tot zijn jongeren gezegd: Als gij gesteld zult worden voor de Overheden, weest dan niet bezorgd wat ge spreken zult, want ik zal in die ure de woorden in uwen mond leggen.

Aan de macht Gods faalt het dus niet. Ook staat het vast, dat God het zoo gedaan heeft. Maar wat hieruit niet volgt, is, dat God het zoo voor alle personen en voor alle eeuwen verordend heeft.

Integendeel, God heeft Adam bevolen in het zweet zijns aanschijns zelf zijn brood te bereiden. God heeft in zijn verbond met Noach ons bezworen, dat zaaiïng en oogst voortaan niet zouden ophouden. En het leven zelf toont, dat niet dan bij uitzondering honger het volk verwoest. Te arbeiden voor zijn gezin is des mans plicht, en plicht der huisvrouw is het, voor haar huis spijze te bereiden. Zóó en niet anders is de gewone ordinantie Gods voor cns menschelijk leven.

En geheel hetzelfde geldt voor het geestelijk voedsel. Ook dat voedsel komt niet rechtsteeks van den Heiligen Geest, maar uit de Heilige Schrift. Die Heilige Schrift is een akker, die met veel studie en zorg bebouwd moet worden. Zal iemand de Schrift prediken, dan moet hij jaren lang vooruit zich daar op voorbereiden; dan moet hij telkens, vóór elke predicatie, die Heilige Schrift opnieuw bestudceren; dan moet hij het geestelijk verband onderzocht hebben tusschen die Heilige Schrift en het heilzoekend menschenhart; en dan moet hij, wat taal en gave van spreken betreft, zich door studie en oefening hebben bekwaamd.

Waar die studie ernstig en die voorbereiding degelijk was, is degelijke spijze aan de gemeente geboden en heeft de kerk gebloeid. Daarentegen waar men, gelijk onder de Doopers, deze studie verwierp, en op goed geluk af, zonder voorbereiding sprak, is in korten tijd heel de gemeente verloopen. En zoo al in Engeland enkele Doopersche secten hebben stand gehouden, danken ze dit enkel daaraan, dat ook zij tot de studie zijn teruggekeerd.

Hebben wij ons nu te gedragen, niet naar hetgeen wij ons voorstellen, dat God doen kon, maar naar de ordinantiën van zijn heiligen wil, dan volgt hieruit, dat de huisvrouw vooraf voor haar gezin spijze heeft te bereiden, en dat de prediker vooraf zich heeft voor te bereiden voor wat hij brengen zal aan Gods heilige gemeente.

En dan geldt dit als regel, dat de Christen die laag staat, goed bidt als de tafel leeg is, en slechts voor den vorm, als de spijze voor hem staat; maar dat het kind van God, dat dieper is ingeleid, ook al wacht hem overvloed, toch in dieper afhankelijkheid alle spijs uit Gods hand aanneemt, in zijn oprecht gebed Gode alleen de eere van zijn werk geeft, en God ernstelijk om Zijn zegen bidt.

En zoo ook is het in de kerk aldus gelegen, dat een gemeente die laag staat, den gebedsdrang mist, zoo ze weet, dat haar prediker geheel voorbereid op den kansel komt; maar dat een gemeente die dieper is ingeleid, even vurig en oprecht j in het gebed voor de predicatie gaat, het al vai liaar God verwacht, en Hem in alles de eere geeft.

Intusschen, al pr testeeren we op dien grond tegen de valsche öy^rgeestelijkheid, toch willen we geenszins geacht worden, deswege het koude lezen van de predicatie in bescherming te nemen.

Lezen hoort op den kansel niet. Het is met den aard van de predicatie in strijd. Niet, alsof het lezen op zich zelf verkeerd ware. Houdt iemand een lezing, dan leest hij natuurlijk. Dan hoort het lezen er bij. En als de man die een lezing houdt, vroom is, dan zal hij toch even oprechtelijk zijn God vooraf om Zijn bijstand en Zijn zegen aanroepen.

Het lezen is dus niet in strijd met het gebed, maar het is in strijd met den aard der predicatie.

In de hoog-kerkelijke kringen van Engeland volgt men den tegenovergestelden regel. Daar moet de prediker lezen. Zóó lezen, dat ieder ziet dat hij leest. Geen vrij woord mag er invloeien. Ook ziet de man nooit op. Zijn oogen zoeken het papier, en nooit één oogenblik de gemeente. Ook is er in zulk een prediker geen actie. Zijn armen liggen rustig naast zijn papier. Hij verroert niet. Hij staat te lezen als een sprekend beeld. Zulk een prediker neemt niet den schijn aan van te spreken uit het hoofd, onderwijl zijn oogen over het papier gluren. Neen, hij wil lezen, niets dan lezen, en wat hij houdt is dan ook niet een predicatie maar een lezing. Soms een zeer fijn gestileerde, hoogst interessante lezing; maar een predicatie is het nooit.

Doel hiervan is, op die wijs, den lezenden prediker slechts tot tolk en orgaan van de kerk te maken. Hij zelf mag niet uitkomen. Door zijn woord spreekt niet hij, maar de kerk. Hij moet schuil gaan en schuil blijven, en de kerk moet spreken door hem. Hij behoeft dan ook wat hij leest, niet zelf te hebben opgeschreven. Hij kan even goed een gedrukte predicatie van een ander lezen. Er wordt op die wijs een koud vertoog gehouden, maar bezielde predikatie is er niet, en mag er niet zijn. Het plechtige, het deftige, moet het doen; alle emotie moet uitblijven; geroerd, getroffen worden, mag de Gemeente niet.

Op die wijs nu gaat het wezenlijk karakter van de Predicatie geheel te loor. Een prediker toch moet met zijn gehoor in levend contact komen. Een levend getuigenis moet van hem uitgaan. Hij moet een doel hebben gekozen, en naar dat doel moet hij de Gemeente, als hij Amen zegt, hebben heengeleid. En dit nu moet en kan alleen bereikt worden, door bezielde, aangrijpende, roerende en meêsleepende toespraak.

Dit nu is, als men leest, onmogelijk. Wel kan, wie een sterk voorstellings-vermogen bezit, onder het schrijven zich indenken hoe hij spreken zou, als hij vrij uit tot de schare sprak. En is zóó zijn predicatie in schrift gebracht, dan kan hij wel het stuk voor zich houden, om niet af te dwalen, en zich gedurig de gedachten weer te binnen te brengen. Maar ook al ondersteunt hem zoo wat hij schreef, bij het uitspreken, toch mag de Gemeente geen oogenblik een anderen indruk ontvangen, dan dat de man, die predikt, haar aldus uit zichzelf toespreekt.

Zij moet onder den indruk verkeeren, en blijven, dat ze daar niet nedcrzit, om een stuk aan te hooren, maar om toegesproken, om vermaand, om getroost, om bezield te worden. En dit alles gaat door het lezen weg.

Het kwaad schuilt dus volstrekt niet in de voorbereiding. Die voorbereiding mag zelfs zoo volkomen zijn, dat de prediker geen vvoord spreekt, dat niet vooraf wel doordacht zij. Hoe beter en zorgvuldiger ook deze spijze toebereid is, des te degelijker zal het voedsel zijn.

Maar wat bij de Predicatie nooit mag teloorgaan, is het karakter van toespraak; en wie dit vervangt door vertoog of redeneering, gelijk bij de lezing, vergist zich, zoo hij zich nochtans inbeeldt, dat hij gepredikt heeft, en zal nooit in de Gemeente de vrucht vinden, die alleen op echte prediking volgen kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 januari 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Eeredienst

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 januari 1901

De Heraut | 4 Pagina's