Roman-literatuur
I.
Ook ten opzichte van de steeds in beteekenis winnende Roman-literatuur bestaat er in onze kringen nog een eenigszins verwarde stemming, gevolg van gebrek aan helder inzicht.
Er zijn er, die heel deze literatuur zonder onderscheid als uit den booze veroordeelen. Er zijn er, dié ze niet durven verdedigen, maar toch heimelijk er in genieten. En er zijn er in de derde plaats die schiften, inziende dat ook hier goed en kwaad zaad op den akker dooreen gemengd is, en, het kwade verwerpend, met het goede hun profijt doen.
Vooral tusschen de ouden van dagen en de jongeren geeft dit vaak geschil, als de ouden afkeuren wat de jongeren sterk aantrekt, zonder dat het ouderlijk verbod daarom altoos weerklank vindt in de consciëntie.
Ter opklaring van de nevelen, die hier nog hangen, kan het daarom zijn nut hebben, de Roman-literatnur eens in haar wezen toe te lichten, ten einde bij dit licht der wetenschap onze houding als Christenen ook tegenover dit levensverschijnsel te bepalen.
We houden ons, daartoe overgaande, niet op bij de vraag, of een verzonnen verhaal niet eigenlijk een leugenachtig v& r\\& di\ is, en of een kind van God niet al het leugenachtige als uit den booze van zich moet werpen.
Die zoo spreekt, vergist zich.
Leugenachtig is een verhaal, als de schrijver het wil doen voorkomen, alsof hij ware en gebeurde dingen verhaalde, en zoo dan van achteren blijkt, dat ze niet gebeurd zijn, maar door hem zelven werden verzonnen. En natuurlijk, zulk een boek zou ieder eerlijk man verachten.
Maar als iemand er voor uitkomt, dat zijn verhaal een roman of een novelle is, en dat, wat hij verhalen gaat, niet alzoo gebeurd is, maar door hem zoo werd uitgedacht, dan is er volkomen oprechtheid, en kan van leugen geen sprake zijn.
Iets te verzinnen, iets zelf uit te denken, iets uit eigen verbeelding in teekening te brengen, is niets anders dan gebruik maken van een vermogen, dat God zelf in den mensch heeft gelegd, het vermogen der verbeelding.
De Heilige Schrift zelve toont dan ook, at onze Heere en Heiland gedurig met dit ermogen der verbeelding werkzaam was. ij deed dit in zijn veelvuldige beeldspraak, n veel meer nog in zijn gelijkenissen of arabe left. g n
Ook die gelijkenissen toch zijn geen veralen van letterlijk aldus gebeurde zaken, aar voorstellingen in beeld van geestelijke aarheden.
In de gelijkenis van den Verloren Zoon preekt Jezus niet van een bepaalden jongen man, dien hij met naam en toenaatn gekend heeft, en met wicn het precies zóó toeging; maar Jezus neemt trekken uit het leven, en voegt die zelf in een beeld saam.
Zoo is het met den barmhartigen Samaritaan, met den koning die een bruiloft hield, en zooveel meer. Altegader geen verhalen van werkelijke geschiedenis, maar parabelen of gelijkenissen, door Jezus uit het leven wel gegrepen, maar toch niet uit het concrete leven, doch uit de verbeelding aldus in beeld gebracht.
Geheel hetzelfde vindt men reeds in het Oude Testament, én elders én in de visioenen der profeten. Het doodenveld bij Ezechïel is niet met zinlij ke oogen door hem gezien, alsof het zoo gebeurd ware, maar door God zelf alzoo in beeld aan Ezechïel getoond.
Hieraan spillen we dan ook geen v/oord meer. Moge al de verbeelding niet in elk mensch even sterk ontwikkeld zijn, niemand zal ontkennen, dat de verbeelditig een gave is, door God zelf aan den mensch geschonken. En verbeelding, wat is het anders, dan in teekening voor zijn geest te kunnen brengen, niet wat precies zoo gebeurd is, maar wat men zelf alzoo in beelden schept.
Evenmin houden we ons, in eersten aanloop, anders dan zeer vluchtig op bij de tweede aanklacht, die gemeenlijk tegen de Roman-literatuur gehoord werd, en die ergernis openbaart tegen haar zedeloos karakter.
Deze ergernis nu is volkomen gerechtigd. Er is een Roman-literatuur zoo verregaand slecht en zedeloos, zóó er op aangelegd om de zielen te vergiftigen, hartstochten te prikkelen en tot zonden op te wekken, dat uw roepen er tegen niet ernstig genoeg kan uitgaan.
Hierop dingen we niet alleen niets af, maar we wilden wel, dat het protest hiertegen nog veel luider uitging, en dat men in heel onzen kring al zulke roman-literatuur als een giftige adder van den arm slingerde.
Alle geschrijf van dien aard is in den volsten zin des woords demonisch.
Ware dan ook alle Roman-literatuur van dien aard, er zou geen quaestie van zijn, of we hadden op heel deze soort literatuur den ban te leggen, en elk woord haar ten goede gesproken, ware verraad aan de Gemeente.
Doch zoo is het niet.
Tegenover die giftplanten staan op dezen akker, naast heel wat niet meetellend gewas, ook edeler bloemen, en het zijn deze laatsten alleen, die onze belangstelling mogen prikkelen.
Schrijver dezes heeft in zijn Confidentie er getuigenis van afgelegd, hoe het God beliefd 'heeft, een roman, en wel de erfgenaam van Redclyffe van Miss Yonge, als middel te bezigen, om hem met zichzelf te doen breken; en reeds dit verklaart genoegzaam, hoe hij op hoogst ernstige ervaring pleit, als hij ook voor de Roman-literatuur van beter gehalte de aandacht vraagt.
Nog een laatste bedenking, die niet zelden aan de beide genoemde wordt toegevoegd, zij hier evenzoo slechts kortelijk besproken.
Deze derde bedenking wijst erop, dat wie eenmaal begint met Romans te lezen, er onwillekeurig aan verslaafd raakt, aldus zijn tijd verdoet, van plicht en roeping wordt afgetrokken, en al spoedig in Gods Woord geen lust meer heeft.
Ook hiertegenover stelt schrijver dezer het getuigenis, dat hij in de vijftig jaren van zijn intellectueel bewust leven, alles saam stellig niet meer dan twee dozijn romans las, en daarvan dat het hem van zijn Schriftonderzoek niet afbracht, gaf zijn weekblad nu jaar in jaar uit getuigenis.
Het is dus niet alzoo, dat het lezen van romans op zich zelf en met noodzakelijkheid leidt tot een verslaafd zijn aan deze soort literatuur. Ook in zijn kring kent schrijver dezes tal van ernstige mannen en vrouwen, die nooit iets van deze slavernij gevoeld of ondergaan hebben.
Toch erkent hij gaarne, dat hetgeen hier wordt aangevoerd, voorkomt. Er zijn metterdaad mannen, en vooral vrouwen, die de ééne roman niet uit hebben, of ze hunkeren reeds naar de volgende. Er zijn er, die er hun plicht om verzaakten. Een stuk van den nacht er zich in verdiepten. Om maar in hun roman te genieten, zich afzonderden van het gezelschap, en er in zoo boozen zin het bijna eenige voedsel voor hun geest van maakten, dat ze schier geen ander reëel boek lazen, en er zeker ook van de Heilige Schrift door werden afgeleid.
Doch wat is dit anders dan misbruik, en wie zal zeggen, dat om dit misbruik van sommigen, het gebruik voor allen geoordeeld zou zijn.'
Het is waar, dat er zijn die niet heerschen over hun geest, en, eenmaal door een boeiend verhaal gepakt, er niet van kunnen uitscheiden; en dan gaat het er mede als met sport en sterken drank; dan wordt het tot zonde, wijl zoo de geest er onder raakt.
Wie zich hierop nu betrapt, zal dan ook wel doen, zijn plicht voor God in te zien, om met deze zonde te breken. Men kan zich dronken drinken aan romans, even goed als aan sterken drank. En de ouders zullen toezien, dat ze dit kwaad bij hun kinderen niet ongekastijd laten voortslu^pen.
Maar voor den soberen lezer kan dat nooit het wettelijk gebruik te niet doen, en alles hangt ten slotte ook hier af van de vraag, of in het betere slag van deze literatuur al dan niet een wezenlijke gave, een waarlijk goed iets ons geboden is, dat we niet kunnen veronachtzamen, zonder een wezenlijke vi'inste te derven.
Blijkt dit niet zoo te zijn, dat alle roman dan onderga. Blijkt dit wel zoo te zijn, dan zal de zonde in het gebruik door geestelijke kracht moeten bezworen worden.
Hier nu vindt de opvoeding, op school, in het gezin, op de Catechisatie, en in de predicatie haar roeping; en in goede Christelijke kringen komt die zonde dan ook nauwelijks voor.
Meer behoeft hiervan dan ook niet gezegd te worden, daar immers misbruik een algemeen verschijnsel is, dat op elk gebied zich voordoet, en daarom in de ethiek, en niet bij een korte stude over de Romanliteratuur, aan de orde komt.
Om nu het wezen der Roman-literatuur naar eisch voor onze lezers toe te lichten, gaan we eerst terug op het Epos of Helde7idicht, omdat het Heldendicht zielkundig en historisch als de moeder van de Roman is te beschouwen.
Wie niet eerst klaar en helder de hooge beteekenis van het Heldendicht heeft doorgedacht, zal dientengevolge nooit ten volle de beteekenis van de Roman-literatuur verstaan.
Eerst moet op het Epos worden teruggegaan, en dat niet enkel om daaruit het opkomen van de Roman-literatitur te verklaren, maar tevens om aan dien overgang van het Heldendicht in de Roman en Novelle den hoogen kunstregel te ontkenen, waaraan de Roman, om dien eerenaam waard te zijn, moet beantwoorden.
Nu is het Heldendicht een der drie groote onderdeelen van de Dichtkunst in het gemeen.
Naast het Heldendicht staat het Lierdicht, en naast het Lierdicht het Drama, drie afzonderlijke terreinen van de Dichtkunst, maar die toch allen aan het wezen van de Dichtkunst als zoodanig hun wet ontkenen.
Daarbij worde nu van meet af elk denkbeeld ter zijde gezet, alsof dichten op zich zelf om maat en rijm vroeg; want het is juist deze verkeerde voorstelling die als van zelf maakt, dat men ter wereld niet vat, hoe een roman, die immers in proza geschreven is, ooit tot de dichtkunst zou te rekenen zijn.
Dat zou dan ook niet kunnen.
Zoo er niet anders dan op rijm en in maat kon gedicht worden, zou reeds het proza onzer huidige Romanschrijvers met het wezen der dichtkunst in onverzoenlijken strijd zijn.
Maar zoo is het niet.
Dichten is niet rijmen, en verzen maken is nog geen dichten. Er zijn boeken bij hoopen vol verzen, waar niet één enkel dichterlijk adertje in te ontdekken valt. En omgekeerd zijn er geschriften in legio zonder één enkel rijm er in, en die toch tot de beste openbaringen der dichtkunst moeten gerekend worden.
„Gevoel, verbeelding, heldenmoed, " zoo zong Da Costa, maakt een dichter bij Godes gratie, en rijm noch maat heeft zonder meer ooit één eenig dichter in naam der dichtkunst gediplomeerd.
Dichten is scheppen, dichten is een wereld uit zijn eigen geest voortbrengen, dichten is uit de goudmijn onzer verbeelding schatten uitstallen, die op het zien verrukken en bezielen.
Nu dient eerst dat hooge karakter van het „dichten" nader toegelicht, om te verstaan, wat in de schatkamer der Dichtkunst meer bepaaldelijk het heldendicht is, en zoo eerst komen we toe aan den Roman.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 13 januari 1901
De Heraut | 4 Pagina's