GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Uwe zonden wit als sneeuw.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Uwe zonden wit als sneeuw.”

9 minuten leestijd

Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere. Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw ; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wolle. Jesaia 1 : 18.

Telkens als het duchtig wintert, en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en vrieskoude de vlok hard houdt, toovert die sneeuw. Ze toovert een wonderland, een wonderwereld voor ons oog.

Ze verandert geheel het gelaat des aardrijks; ze verbreedt alle lijnen; ze verlengt de afstanden; ze lost alle kleur en tint in smettelooze kleurloosheid op; ze omzoomt als met wit bont gewaad en hoed; ze bepluimt de takken; ze verhoogt de torenspitsen; en ze doopt al wat ons omgeeft in een klaarheid en helderheid, die als de zon er op inschijnt, schittert als diamantgruis.

De sneeuw is vol symboliek, en daarom is de eerste uitwerking, als het gesneeuwd heeft. dat de kijk op die witte wereld ons vervroolijkt, En als uw gemoed maar niet afgestompt is, ondergingt ook gij, in uw jeugd anders dan nu, maar toch niet minder diep, bij den aanblik van die besneeuwde huizen in uw dorp of in uw besneeuwde stad, prikkelende, en daardoor u opbeurende gewaarwordingen. En nooit werd de dichterlijke aandrift moede, om die zich verdringende gewaarwordingen te vertolken

Een sneeuwlied was nooit anders dan een jubelzang, en de Kribbe van Betlehem heeft het sneeuwlied voor altoos aan den zang der engelen, aan het gejubel der hemelsche koren verbonden. Kerstmis, als de boomen botten en bloeien, spreekt niet. Om haar Heiland te ontvangen, moest de aarde met een tapijt van hemelsche blankheid bedekt zijn.

Want de sneeuw komt van boven. Ijs is ook bevroren water, maar bevroren hier beneden, en daarom doet het ijs u zoo heel anders aan dan de sneeuw.

De sneeuw wordt in den hemel gemaakt, en daalt in blanke vlokken uit den hemel op de aarde neder, om ons sprake te brengen van een reinheid en van een lichtglans, die ons vreemd, die boven den toon van ons leven is, en die daarom een zoo aantrekkelijk contrast vormt met het min reine en vaak zoo doffe van ons leven hierbeneden.

Het sterkst spreekt dat in het plotselinge, waarmee de neergezegen vlokken de onreinheid van onze wegen, de goorheid van onze straten, het vuile van vaalt en plas aan ons oog onttrekken, en het alles omtooveren in blank, in uitstralend, in glanzig, in kristallijn wit.

En nu komt de Schrift u zeggen, dat hierin de heilige symboliek van vergevende genade, van een verzoenend erbarmen spreekt.

„Al waren uwe zonden als scharlaken zoo rood, ze zullen worden, spreekt de HEERE, wit als de sneeuw.”

Dat verstaat niet, wie het nederknielen bij het eenig Kruis niet kent.

Dan waant ge dat God, in zijn goedheid, u vergeeft, gelijk gij vergeeft, bij stukje en beetje, zonde voor zonde. Gij zondigt dan telkens weer. En na elke zonde waagt ge een nieuw beroep op Gods barmhartigheid. En God kan dat niet aanzien, en scheldt u dan eiken keer weer kwijt wat ge misdeedt. En zoo blijft het van dag op dag voortgaan. Gij met uw zondigen, God met zijn vergeven uit louter goedertierenheid. En uwer blijft de onrust, of uw ergste zonden nu wel waarlijk, nu wel geheel vergeven zijn, en of er toch bij God niet iets van bleef hangen.

Maar zoo is het Evangelie niet. Het gelie is heel anders.

Naar ons heerlijk Evangelie, gaat het niet om tien en niet om twaalf, en niet om honderd zondetjes, die verrekend moeten worden, maar om heel uw zondigen persoon, om uw zondigen oorsprong, om uw zondige existentie, om heel uw zondig wezen. Het Evangelie gaat zoo diep. Het dringt door tot in den wortel der dingen. Het omvat heel uw leven als één geheel. En het doet u heel uw existentie kennen als bemorst, als bevlekt, als besmet, als bezoedeld, als door en door onrein voor het heilig oog van uw God.

Zooals uw dorp, zooals uw stad zich aan uw oog vertoont, na aanhoudenden piasregen, als het alles besmeurd is en in hopelooze morsigheid u bang maakt om uw voet te verzetten, in het kleffe, weeke modder van weg en straat, zoo zijt gij dan, zoo is uw leven, dat ge er zelf een weerzin van krijgt en terugschrikt van u zelf.

En nu daalt plotseling uit den hemel van boven de sneeuw van Gods genade in volle lagen op deze uw bezoedelde existentie neder, en als in een oogwenk is het alles hemelsch blank, als in engelengewaad rein, glinsterend van witheid geworden. En in dit blanke wit van Gods genade staat ge nu, met heel uw wezen, met heel uw existentie, met heel uw eerst zoo bezoedeld leven, door ontferming en erbarmen gedekt.

Niets onreins meer. Geen enkele vuile plek meer zichtbaar. Geen spat van vroegere zonde meer te ontdekken.

Alles, alles wit als sneeuw geworden.

En God betuigt u: Zoo zie ik uw God u nu.

Dat is de ommekeer. Dit is het tooveren, als men zoo zeggen mag, van de Goddelijke genade.

Zooals bij het nedervallen van de sneeuw zelfs de vuilste, goorste vaalt zilverwit wordt, zoo staat hier de diepst gevallen zondaar, de verst afgedoolde, in het reine, fijne, witte lijnwaad voor God.

De rechtvaardigmaking der heiligen.

De vrede door het bloed des Kruises.

Het verzoende kind bij zijn God.

Lees, en herlees het maar, wat in aangrijpende taal onze Catechismus zegt, als er gevraagd wordt: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Want hoor, dan luidt het schier tooverachtige antwoord; en let nu eens op elke uitdrukking:

„Alleen door een waar geloof in Jezus Christus ; alzoo dat, al is het dat mij mijne conscientie aanklaagt, dat ik tegen alle de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder eenige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij deyolkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals hadde ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als hadde ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zooverre ik zulke weldaad met een geloovig harte aanneem.”

En zeg zelf, wat is dit nu anders, dan de zondaar, onrein en bezoedeld in zichzelf, maar niets dan hemelsche reinheid vertoonend, zoodra hij oversneeuwd is met genade.

Met een genade, die opeens alles overdekt, die geen plekje overslaat, dat niet blank is geworden, en die maakt dat ge niets, niets van zonde, of zondige existentie meer ziet.

Ge weet dan wel, dat onder die sneeuw van Gods genade uw zondig wezen en uw zondig leven ligt.

Het staat er immers: „Dat al is het dat mij mijne conscientie beklaagt, dat ik tegen al Gods geboden gezondigd, en geen derzelve gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben.”

Maar met die wetenschap in uw conscientie, ziet ge wat God gedaan heeft, hoe God het alles voor eeuwig heeft toegedekt, en hoe het nu, om Christus wille, alles, alles door het sneeuwwit der genade overspreid is.

Dat te zien is gelooven.

Dat is de vrede van Gods kinderen.

Dat is de aanblik van uw hemelsche reinheid in Christus, die u den jubel van het lied der Verlossing op de lippen doet nemen.

En nu is het wel zoo, dat de sneeuw, die de aarde overdekt, niet blijft. Als straks de vorst gebonden wordt, smelt ze op, en als de lente komt is niet één enkel sneeuwkristal in onze lage landen meer te ontdekken.

Maar op de bergen van Gods heiligheid houdt de eeuwige sneeuw stand. En als de winter terug keert, zendt God de opgetrokken vochten weer in sneeuw op deze aarde neder, en telkens vernieuwt God in zijn natuur deze symbolische sprake van zijn alles verzoenende genade.

En weer ligt het aardrijk voor u wit als de sneeuw.

En weer hernieuwt zich uw geloof in de alles toedekkende genade van Gods ontferminge. Gij in uzelf de onheilige, maar, in Jezus, als de engelen rein bij uw God.

En dit werkt vanzelf heiligend.

Uw conscientie zou u prikkelen, om telkens weer aan uw zonden te denken, en dit booze denken aan u zonden, zou u ongemerkt weer in uw zonden inwikkelen, en u tot nieuwe zonden verlokken. Maar in zijn sneeuwkleed zegt uw God u, dat Hij uw zonden onzichtbaar voor u heeft gemaakt; dat ge niet, door de sneeuw van zijn genade heen, wroeten zult naar uw zonden die daaronder liggen; maar dat ge u verlustigen zult aan het schitterend diamant van zijn genade, en dat dit zien op niets dan genade u heiligen zal.

Vergis u daarin niet.

Gij neigt telkens er toe, om weer in uw zonden u terug: te denken, en dat juist is zoo doodelijk gevaarlijk. God daarentegen zegt u, dat Hij uw zonden in de diepte der zee wierp, zoo dat ge ze niet meer vinden kunt, en dat zoover het oosten is van het westen. Hij uw zonden van u heeft weggedaan.

God wil dus, dat ge uw zonden ganschelijk vergeten zult, en op niets dan op zijn genade zult zien. Ze liggen nog wel onder de sneeuw van zijn genade, maar alleen zijn genade laat Hij u zien.

Zien op uw zonden besmet u.

Zien op genade heiligt u.

Elke aanraking met het vuile maakt vuil. Elke aanraking met het blanke en reine maakt rein.

En dat is de heiligende kracht, die van genade uitgaat.

„Ik ben van mijn zonden af, ik ben in Jezus heilig, ik ben een kind, niet meer van den Booze, maar een kind van mijn God geworden!" Dat verheft, dat bezielt, dat geeft Koningsmoed en hemelsche fierheid.

Wie zoo staat, die jaagt zijn zonde weg, als ze zich ook maar even door de kieren van zijn hart vertoont.

Dit is het geloof dat de wereld overwint, en in die wereld zichzelf, en in zichzelf de macht der zonde, en in die booze macht der zonde den gruwelijken prikkel van Satan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1901

De Heraut | 4 Pagina's

„Uwe zonden wit als sneeuw.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken