„Maar nu ziet u mijn oog.”
Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog. Job. 42 : 5.
Uit de vele uitverkorenen heeft de Heere onze God er enkele nog weer, altoos in anderen zin, verkoren tot een bij zonderen dienst, tot een geheel buitengewone roeping.
Personen, die God gebruikt heeft om door hen op anderen te werken. Die, om dat te kunnen doen, een bijzondere lotsbedeeling van God ontvingen. En ook mannen, die in den regel dieper dan anderen moesten drinken uit den beker des lijdens.
En nu is het opmerkelijk, hoe er in de Heilige Schrift bij zulke bijzonderlijk geroepenen gedurig sprake is, dat ze niet blijven staan bij enkel gelooven in God, maar ook reeds hier op aarde komen tot een ten deele zien van God.
Of staat van Mozes niet betuigd, dat hij was als ziende den Onzienlijke, en lezen we niet evenzoo van Job, dat hij aan het einde zijner worsteling in zalige ervaring uitriep: „Met het gehoor des oors heb ik u gehoord, maar nu ziet tl mijn oog".
Van Mozes wordt ons dit zien van den On zienlijke, in Exodus 33 in geheimzinnige taal beschreven. Dat Mozes in zijn angst over Israels afval bad en smeekte: „Heere, toon, toon mij uw heerlijkheid", en dat het Goddelijk antwoord luidde: „Zie er is een plaats bij Mij in de steenrots, daar zal mijn hand u bedekken, en gij zult mijn achterste deelen zien, maar mijn aangezicht niet".
En juist zooals Mozes bad: o God, mijn geloof is mij te weinig, toon, toon mij toch uw heerlijkheid, zoo lezen we ook van de apostelen, dat ze in hun angst, toen het met Jezus naar Gethsemané ging, op hun beurt, bij monde van Philippus, evenzoo smeekten: „Heere, toon ons den Vader".
Van zulke worstelingen als Mozes bij de Sinai, en de discipelen in de Opperzaal door worstelden, kunnen wij ons ternauwernood een denkbeeld vormen. Oogenblikken, waarin het scheen of de beslissing voor eeuwig tusschen hemel en hel aan een spinrag hing.
En nu zien we, hoe beide malen het ziels begeeren, het zielsverlangen opkomt om God te zien, en hoe beide malen aan dat hunkeren naar het zien van God een gedeeltelijke bevrediging wordt geschonken.
Volstrekt niet ten volle.
Het woord van Johannes blijft: „Niemand heeft ooit God gezien".
Maar wel gedeeltelijk.
Immers, bij Mozes was het een zien van „de achterste deelen", niet van het aangezicht van God; wat niet anders dan een plastische uitdrukking is voor een zien als door en in een beeld. Evenzoo hebben de discipelen in de Opperzaal niet Gods heerlijkheid met ongedekten aangezichte aanschouwd, maar ze hebben den Vader gezien in Jezus.
Philippus, ben ik zoo langen tijd met u? Die mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien, en hoe zegt gij: toon mij den Vader.
En niet anders was het bij Job.
Ook voor hem is het zien van aangezicht tot aangezicht eerst na zijn sterven gekomen. Maar toch werd ook hem reeds hier op aarde een ten deele zien van den Heilige gegund, toen het geloof in gedeeltelijke aanschouwing overging. Niet visionair als bij de profeten, gelijk b. V. Jesaia ons dit van zijn roeping tot profeet meldt; maar een zien in de klaarheid van een overweldigenden indruk, toen God hem zijn majesteit in het werk zijner schepping voor oogen had gesteld, en hij uitriep: „Dusver had ik wel met het gehoor des oors U gehoord, maar nu is er meer, nu is er een zielservaring van uw heilige tegenwoordigheid, nn ziet U mijn oog."
Het verlangen om God te zien, is geen zonde, maar, integendeel, de natuurlijke aandrift van het religieus gevoel. Wel hooren we telkens in de Schrift den uitroep: Hoe zal een mensch God zien en leven? Doch dat slaat op den zondaar.
Is daarentegen de zonde eenmaal te niet gedaan, dan zal het gelooven voor elk kind van God in aanschouwen verwisseld worden, en zal ook aan ons de belofte vervuld worden, dat we God zullen zien van aangezicht tot aangezicht; dat we Hem zien zullen gelijk Hij is; en dat we Hem kennen zullen, gelijk we ook gekend zijn.
Heel de profetie loopt daarom uit op wat Jesaja samenvat in de Stem die roept, en die m haar roepen het Israël aanzegt, dat de tijd komt, waarvan het heeten zal: „Zie, hier is is uw God."
God zou in Messias ons Zichzelven toonen, d. i. in Hem, die heet het beeld des Onzienlijken Gods. En veilig mag dan ook gezegd, dat het wezen der Afgoderij, wel begrepen, niets anders is, dan de aandrift van het menschelijk hart, om God als in een beeld voor zich te zien. Een op zichzelf natuurlijke aandrift, die alleen daardoor zoo ontzettende zonde werd, dat ze dit beeld van God zelf wilde maken, in stee van te wachten in ootmoed, tot God zelf dit beeld van Zichzelven in zijn Zoon gaf.
Dat we in ons aardsche leven nog moeten wandelen in enkel geloof, en en nog niet komen kunnen tot aanschouwing, is om der zonde wil. En zóó zal niet de zonde zijn teniet gedaan, of het aanschouwen komt.
Toch staat er nu reeds iets tusschen het nog niet ziende geloof en de volle aanschouwing in. Nog niet het volle aanschouwen, maar het zien als in een spiegel, het zien in dien spiegel als van een zwevend beeld, wat Paulus noemt: „als in een duistere rede."
En dit ten deele zien is juist aan die mannen gegund, die God als een keurgesteente van bijzondere waardij zich geschapen had, en die Hij voorts te scherper sleep, opdat te klaarder de glans van zijn heerlijkheid uit hen aan heel de kerk, aan de kerk aller eeuwen, zou toestralen.
Zulk een man was Mozes. Zulke mannen waren de apostelen, die om Jezus wille gedood zijn, maar die dan ook betuigen konden, dat ze predikten wat ze getast, en wat ze gezien hadden van het Woord des levens.
En zulk een diamant was nu ook Job. Scherper dan één onzer door God in het lijden geslepen, maar die dan ook als een getuige Gods voor de kerk aller eeuwen staat, om het pro-Jjleem des lijdens ons te verklaren.
Job is de man, in wien God ons het raadsel opklaart, dat alle eeuwen bezig hield, liet raadsel, hoe, als zonde Gods toorn werkt, en vroomheid de weg tot geluk is, dan toch de rechtvaardige zoo telkens in het lijden verzwolgen wordt, en de ondeugd triomfeert en geniet.
Daartoe maakt God Job eerst vroom en rijk. Dan neemt Hij hem plotseling alle weelde des levens en de weelde van zijn hart af. En nu zendt God hem die drie vrienden, die, naar de in den grond ware opvatting, hem het bange probleem op de ziel werpen: de ellende is om de zonde; waar dus zoo diepe ellende u orerkwam, moet ook diepe zonde in u schuilen.. En nu reageert Job hiertegen met zijn cons cientie, maar in den verkeerden weg tot hij ten leste zijn geboorte vervloekt, en roept om een Rechter boven God, die tusschen hem en God zal rechten. En als Job nu in de worstehng bezwijkt, en niet verder kan, dan zendt God hem eerst EUhu, en komt daarna zelf in een onweder tot hem, en toont hem zijn majesteit, zooals Job die nog nimmer had ingedacht. God redeneert niet met Job over het probleem, maar doet niets dan hem Zijn majesteit in de schepping voor oogen schilderen. En het beeld van die majesteit dringt in Jobs ziel door. En nu is hij er. Nu vallen hem de schellen van de oogen. En nu roept hij het uit: Voorheen had ik met het oor U gehoord, maar nu is er meer, nu is er beter, nxi ziet U mijn oog; en in dit zien is Job zalig geworden. Zahg eeuwiglijk door den overweldigenden indruk van Gods Almachtigheid.
Door niets dus dan door dit ééne: Ik geloof in God den Vader den Almachtige, den Schepper des hemels en der aarde.
Hij heeft nu Gods tegenwoordigheid in al wat hem omringde, gevoeld. Hij heeft Gods eigen Wezen op zich voelen aandringen. Hij heeft een gemeenschap met zijn God genoten als nooit voorheen. In één machtigen indruk is de majesteit des Heeren HEEREN voor hem opgegaan.
Zoo ging de Job van het tegenbetoog onder. „Daarom verfoei ik mij in stofenassche."Maar ook zoo leefde het kind van God in Job op. Begrijpen kon hij het niet. Maar nu had hij 't gezien.
Bij oor en oog is dit het blijvend verschil.
Met het oor hooren we de dingen afzonderlijk. Het ééne na het andere. Nu Gods heiligheid, dan Gods rechtvaardigheid, daarna Gods liefde. Het ééne na en naast het andere, en altoos in het afgetrokkene. Maar met het oog zien we de zaak opeens, in haar geheel, en in het wezen zelf. Met het oor hooren we van Gods gerechtigheid, hooren we van Gods heerlijkheid, hooren we van Gods liefde, maar met het oog zien we den heiligen, den rechtvaardigen, den genadigen God zelven.
Daarom komt bij het Woord, dat voor het oor is, hel Sacrament dat doelt op hei oog. Het Woord geeft de prediking voor het gehoor, het Sacrament een teeken en zegel voor uw oog, I dat gij het ziet.
En die worstehng om van het hooren tot het zien te geraken, gaat heel het leven door. En al staat het nu vast, dat het volle zien eerst hiernamaals komt, toch is er een ten deele zien, dat aan Gods ingeleide kinderen reeds hier op aarde wordt gegund.
„Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde nevens u toch lusten, niets is er daar ik in kan rusten."
Eerst hooren van God, dan het ritselen van God zelf hooren, en dan nog inniger, nóg zaliger in zijn heilige gemeenschap doordringen, en, in de stille eenzaamheid vooral, oogenblikken kennen, dat Gods heilige tegenwoordigheid zoo klaar en zoo overweldigend op ons aandringt, dat we onzen God in ons bidvertrek bij ons voelen, en dat het is of Hij de hand op ons legt, en ons zegent.
God niet in de gedachten alleen, maar wezenlijk, in zijn alomtegenwoordigheid bij ons, en ook zijn Heilige Geest in ons, en de presentie des Heeren HEEREN voor onze ziele bekend.
Zelfs mag men zeggen, dat ook in de vergadering der geloovigen het hoogste punt der stichting dan eerst bereikt wordt, als Gods kinderen, die daar saam zijn, ten slotte den prediker vergeten, en elkander vergeten, en het is of Gods heilige tegenwoordigheid in het midden der Gemeente bekend wordt.
Neen, nog niet het zien, dat eerst in de eeuwigheid komt, nog niet het zien van aangezicht tot aangezicht, maar toch iets er van, dat het der Gemeente wordt, zooals het Mozes werd: een zien van den Onzienlijke.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 17 maart 1901
De Heraut | 4 Pagina's