Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Niet aannemelijk.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Niet aannemelijk.

8 minuten leestijd

Amsterdam, 22 Maart I90I.

Van Ds. A. Littooy, te Middelburg, ontvingen we een ingezonden stuk, naar aanleiding van onze constateering van hetgeen in 1889, in zake de opleiding, is voorgevallen.

We verwijzen dit niet naar de rubriek ingezonden stukken, maar nemen het liefst onder onze leaders op.

Zie hier het stuk zelf:

Hooggeachte Redacteur!

Gij vergunt mij zeker, op hetgeen gij 3 en 10 Maart geschreven hebt in De Heraut, inet vermelding van mijn naam, enkele opmerkingen in dit uw blad te maken. De eerste is, dat cijfers menigmaal veel'.eggend zijn, en dientengevolge indruk kunnen maken; doch dat de mdruk dien zij maken, ook wel wat afhangt van het licht, waarin ze geplaatst en mitsdien bezien worden.

„Wij toonden aan, " schrijft gij, „hoe er toen èn te Utrecht èn te Kampen op twee Synodes beiderzijds 40 afgevaardigden zitting namen, en hoe op deze beide Synoden saamgenomen, 40 - f 17 afgevaardigden zich verklaarden voor de universitaire opleiding en 23 voor de seminaristische."

Doch het voorstel-Liltooy, waarvan gij, Hoog-Gel. heer, tegelijk gewag maakt, had niet tot inhoud en ook niet de strekking, eene beslissing te vragen over: „Universitaire" of „Semi naristische" opleiding; maar w.èl hierover: of de „eigen inrichting der Kerken" zal behouden worden en ze alzoo van de Kerken zal uit­ aan, met het recht om ook candidaten van de! n Vrije Universiteit der Vereeniging voor Hooger t Onderwijs op Geref. grondslag te beroepen. Het h uidt letterlijk als volgt:

„De gezamenlijke Kerken zullen hare eigene Theologische School hebben. Door die Kerken kunnen echter ook candidaten van de Vrije Universiteit der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag beroepen worden, indien deze Universiteit zich — wat de Theologische faculteit betreft, — onder toezicht dezer Kerken stelt, overeenkomstig de post-acta der Synode 1618, '19"

Of de Theologische opleiding, en wel in haar geheel, in de eerste plaats van de Kerken zou uitgaan, ja, dan neen, m. a. w. van haar of van de Universiteit der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag, daarover liep de strijd en viel de beslissing. Of ze universitair of seminaristisch zou wezen, werd er vaak wel bij genoemd en besproken; doch zoo stond de tegenstelling niet voor hen, die voor mijn voorstel hebben gestemd. Niet één van hen heeft zich tegen de universitaire opleiding verklaard, omdat de „seminaristische" opleiding de alleenuitverkorene was. Als de opleiding naar de behoefte is, dan was het ons en is het mij om het even of die inrichting Universiteit of Seminarium heet. De opleiding naar behoefte hangt m. i. niet van deze namen, maar wel van de bekwaamheid en het aantal professoren af. Door mij is ook op de Deputatenvergadering en op de Synode zelfs gevraagd, of, wanneer de Kerken hare theologische opleiding hielden, de overige faculteiten, daar niet omheen konden geplaatst worden en alzóo de quaestie worden opgelost. Wij hadden het dan, zeideik, kerkelijk en universitair beide. Een en andermaal is daarop geantwoord: Dat kan de Ver eeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag niet doen. Hoe dit zij, er blijkt in elk geval uit, dat het niet ging om Universitaire of Seminaristische opleiding. Verder. Dat op de Synode te Utrecht, al de afgevaardigden waren voor het voorstel uwer Deputaten, is wel te verklaren. Met Kampen toch was men in het algemeen, in uwe kringen weinig bekend en had men niet zooveel op, terwijl de liefde voor de Stichting der Vereeniging tot de eerste liefde behoorde en alzoo zeer groot was. En het voorstel uwer Deputaten, d. i. artikel 14 van de Concept acte, was geheel in het belang der Vereeniging voor Hooger Onderwijs te Amsterdam.

De eigen inrichting werd, naar dat voorstel, zoo goed als opgeruimd. Slechls een schaduw bleef van haar over.

Toen onzen hooggeachten Zendings-Director Ds. Donner Sr. en den ondergeteekende, door de Deputaten der Christelijke Gereformeerde Kerk werd opgedragen, den heer Kappeyne — die wat aangaat de Staatslieden van zijn tijd, met kerkelijke zaken het best op de hoogte was — te bezoeken, en hem te vragen naar een en ander, dat op Staat en Kerk betrekking had, zeide deze: „Donner, ik kende deze Con ceptacte reeds, behalve artikel 14. Dat artikel is een stoute zet. Eene Vereeniging namelijk zulk een voorname plaats in te ruimen bij eene Vereeniging van Kerken. Gij weet natuurlijk, dat met dit artikel uwe bloeiende Hoogeschool te Kampen, zoo goed als te gronde gaat."

Onze hooggeachte Ds. Donner zeide hierop: „Ja, dat weten wij, en mijn mede-afgevaardigde die langer dan ik tot de deputaten behoort, vestigde reeds een en andermaal daarop de aandacht. Het is zoo, het ging, gelijk ook Kappeyne zeide, hierom: Of de Kerken hare eigene inrichting behouden of zoo goed als kwijt raken zouden. Daarover liep ontegenzeggelijk de quaestie. Ook hebben reeds in die dagen de professoren Wielenga en Bavinck mij meer dan eens gezegd: Als de vereeniging der Kerken kan doorgaan en de opleiding voor het ambt, van de Kerken, zoo als gij en anderen wilt, kan uitgaan, zal het ons verheugen en verblijden. Ook ons verschil liep niet over Universitair of Seminaristisch, maar over de vraag: Is het offer dat geëischt wordt in artikel 14, niet te groot.

Ja, zeide later Ds. Beuker, dat is te groot. En het verheugt mij, dat nu het niet meer behoeft gebracht te worden, de professoren Ba vinck en Wielenga het niet, zelfs nu nog, willen brengen, 't Is ook dientengevolge geen 23 tegen 17 meer.

Als de vraag gedaan werd aan de vroegere Christelijke Gereformeerden: Wilt gij, dat de opleiding van de Kerken of van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag zal uitgaan? zou dit gewisselijk blijken.

Maar hoe ook dit zij, het is thans maatstaf noch richtsnoer; zooals gij Hooggeleerde Heer, op de Synode te Dordrecht, daarna en ook nu weer gezegd hebt, wij staan voor geen bedingen, maar voor hetgeen overeengekomen en aangenomen is.

Het innemen van dit standpunt is correct en blijk van uwe trouw. Doch meer dan een van de vroegere Nederduitsch Gereformeerden nam helaas, dat standpunt niet, althans niet zoo ridderlijk in. Dit smartte en benauwde. Onlangs nog schreef een redacteur van een der Kerkboden, bij het aanbevelen van de collecte, weifelend over haar voortdurend bestaan. Zouu dat aanstaan, indien in dien geest de collecte voor de theologische faculteit der Vrije Universiteit werd aanbevolen?

Een ander redacteur beval artikel 14 der Concept-acte, ter oplossing van hetgeen weer aanhangig is gemaakt, zelfs nu nog aan. Dat is het oude standpunt innemen, en Kampen, Den Haag, Amsterdam en Dordt negeeren. Ach, men schudt zoo dikwerf aan dien door God gegeven en door middel onzer vaderen geplanten boom. Mijn standpunt en bede was en is: Dat de beide Inrichtingen, die de Heere ons gaf, groeien en bloeien en vruchten dragen. Hem tot eere, de Kerken en het volk tot heil.

Met de meeste hoogachting.

Uw Dw. Dr. en Br. in Chr

Middelburg, II Maart 1901.

Hierop diene drieërlei ten antwoord:

Ten eerste, dat wij niet onze opinie over het gebeurde in 1889 aan onze lezers hebben medegedeeld, maar dat hetgeen we mededeelden, was: De officieele verklaring, door van wege de Synode der Christelijke Gereformeerde kerk gelaste Deputaten, namens haar aan de kerken toegezonden. Deze Deputaten waren de heeren Donner, Van Andel, Noordtzij, Bavinck.... en Ds. A. Littooy. Daar nu in deze officieele verklaring uitsluitend de tegenstelling tusschen de universitaire en de seminaristische opleiding aan de orde was, moet Ds. Littooy - ons ten goede houden, dat wij zijn geheel afwijkende verklaring, (daargelaten natuurlijk de bedoeling van zijn eigen voorstel) na 12 jaar gegeven, niet kunnen aannemen tegenover de officieele verklaring, die in et eigen jaar der Synode door haar Deputaten is gegeven.

Ten tweede, dat in bedoelde officieele verklaring met geen woord van het dusgenaamde recht der kerken of van de exclu­ i m sieve benoeming van theologische hoog­ e leeraren door de kerken, gerept wordt. l Van de zijde der 27 broederen worden t uitsluitend deze drie bezwaren aangevoerd:1". dat een particuliere vereeniging niet de d eereplaats mag hebben; 2^. dat een particuliere vereeniging confessioneel niet den noodigen waarborg biedt; en 3". dat de studenten in een groote stad aan meer verleiding bloot staan. En tegenover deze drie bezwaren wordt door de 17 broederen de noodzakelijkheid gesteld, om, krachtens onze beginselen, en in aansluiting aan de historie, voor de Universiteit te kiezen.

En ten derde, moet het ons toch van het hart, dat het luisteren naar de insinuatie van een geheel ongeloovig man als wijlen den heer Kappeyne van de Copello, hier een zonderlingen indruk maakt.

Zeker, Kappeyne was een kundig rechtsgeleerde, en in den regel genegen, om het voor de vrijheid der kerken tegen den Staat op te nemen. Maar vergeten moet toch nooit, dat Kappeyne onz& principieele vijand was, de man van „de scherpe resolutie", en een man, geslepen als weinigen, die zeer goed doorzag, hoc het de macht van het Gereformeerde volk sterken zou, zoo al het Gereformeerde volk zich nauw aaneensloot, en die er alzoo politiek belang bij had, niet om ons te vereenigen, maar om ons te verdeelen.

Die insinuatie nu blijkt doel te hebben getroffen, eu het is aan het daardoor blijkbaar gestichte kwaad, dat we nu reeds twaalf jaar lijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 maart 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Niet aannemelijk.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 maart 1901

De Heraut | 4 Pagina's