Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

6 minuten leestijd

In de Bazuin schrijft Dr. Bavinck:

In de stellingen van de Hoogleeraren der Theol. School (de Bazuin No. 12) werd uiteengezet, dat de Gereformeerde kerken de zorg voor de opleiding van de dienaren des Woords niet aan de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag mochten overlaten, zoolang deze op het standpunt bleef staan, dat zij bij hare op richting voor zichzelve en voor hare School had ingenomen.

Die Vereeniging toch, opgericht vóór de dolean tie v-as in kerkdijken zin geheel neutraal. Van kerkelijk lidmaatschap was toch bij Directeuren, noch bij Curatoren of Hoogleeraren sprake. Volgens Statuten en Reglementen kunnen zij allen leden zijn van andere kerken dan de Gereformeerde.

Voorts is het verband, dat later, in 1891, tus schen de Vereeniging en de Gereformeerde kerken tot stand kwam, geheel onvoldoende; immers heb ben de kerken trots dat verband, als het er op aankomt, over de Vereeniging en hare School niets te zeggen.

Alverder is Art. 3 der Statuten zoo geformuleerd, dat het — op zijn zachtst gesproken — de opvatting toelaat, dat de Gereformeerde beginselen de toetssteen zijn van de Gereformeerde belijdenisschriften.

En om niet meer te noemen, heel het standpunt der Vereeniging is van dien aard, dat het belang­ rijke wijziging moet ondergaan, eer de Geref. kerken er tor zouden mogen overgaan, om de zorg voor de opleiding geheel en al aan die Vereeniging toe te vertrouwen.

Op al deze punten worden de Stellingen van de Hoogleeraren der Theol. School thans zakelijk door de Heraut in hare juistheid erkend.

Zelfs zegt zij, dat zij zoo reeds in 1893 geoordeeld heeft.

En dit is ook zoo, maar dan toch met dit belangrijk, ook door haar zelf erkende onderscheid, dat de noodzakelijkheid van de Statuten wijziging der Vereeniging toen slechts in het algemeen werd uitgesproken, en dat zij nu het denkbeeld aan de hand doet om deze Statuten-wijziging op deneerstkomenden Universiteitsdag aan de orde e stellen en eene Commissie te benoemen, die hierover een concept in gereedheid brengt.

En vooits wordt thans ook de mogelijkheid geopend, dat aan Art. 2 der Statuten eene zoodanige verklaring wordt toegevoegd, dat alle onzekerheid in de opvatting ervan geheel wegvalt.

Dat noemen we eene aanmerkelijke schrede voorwaarts. Laat de Vereeniging voor Geref. Hooger Onderwijs dus maar allereerst eens beginnen, om haar standpunt te herzien en hare Statuten te wijzigen. Dan kunnen daarna de kerken oordeelen, of en in hoever en op wat wijze de kerken hare eigene opleiding met die aan de school der Vereeniging in verband kunnen brengen

Zonder twijfel ware het daarom veel beter geweest, als het denkbeeld eener conferentie tusschen Curatoren en Professoren van de Theol. School en de Vrije Universiteit eerst na de Statuten-wijziging aan de orde ware gesteld.

Want eerst als de Vereeniging haar vroeger ingenomen standpunt verlaten heeft kan de inhoud van de andere Stellingen, door de Hoogleeraren der Theol. School gepubliceerd, in overweging komen.

Onder andere zal het dan eene belangwekkende discussie kunnen geven over de vraag, •-• elk wetenschappelijk en universitair belang er toch door geschonden zou worden, als eene particuliere Veree • niging met de Gereformeerde kerken een contract sloot waarbij zij de Hoogleeraren, vanwege de kerken tot de taak der op eiding geroepen, benoemde tot Hoogleeraren in de Theol. Faculteit, hunne bezoldiging aan de kerken overliet, en hen ook schorste of ontsloeg, wanneer de kerken dit deden.

Misschien daagt hierover later meer licht, en komt er dan vanzelf ook meer overeenstemming. De winst, die aanvankelijk verkregen werd, geeft althans goede hope voor de toekomst.

Dit was ook onze indruk.

Er kan bij het verlangen om ingewikkelde problemen op te lossen, ook verhaasting in het spel komen; en vooral waar te rekenen valt met historisch verwrongen toestanden, is het zoo gewenscht dat zij tijd erlangen, om zich-te normaliseeren.

Voor ons is het dan ook volstrekt niet de vraag, of men reeds ie Arnhem in 1902 komen zal, waar we wezen moeten. Maar wel, of het ons gelukt, tot zulk een kalme, alomvattende bespreking der beginselen te geraken, dat er voor alles helderheid kome.

Met het oog op het bovenstaande lazen wij met genoegen wat Ds. Bos van Bedum schreef:

Laat ons de betwiste punten goed onder de oogen zien; helder en klaar er over schrijven en oordeelen; van alle kanten de kwesties bezien, en God bidden, dat door eene ernstige gedachtenwisseling heen, het ware tot helderheid kome en daardoor de eenheid bevorderd worde. En dat niet alleen door conferenties, alsof enkele broeders het maar eens uitvechten moeten; neen, ieder heelt er belang bij; allen moeten meedenken, meeleven en den gang der worsteling kunnen volgen. Het is niet de zaak van enkelen, al de kerken hebben er belang bij. Het is geen twistzieke broederstrijd, noch vechten om het eerst zijn. Het is hier overtuiging tegenover overtuiging. Het is een gewetenszaak van weerskanten.

Men mag niet zeggen: leg eens uw hand op het hart, en zoudt ge dan geen spijt hebben, geschreven te hebben. Men moet gelooven, dat alle die woordvoerders eerst hun hand op het hart hebben gelegd, en daarna hebben geschreven. Men mag niet van elkander onderstellen, dat het boven over het geweten, het beter weten, het hart heen gaat. Neen, ieder zegt, wat hij meent en zich voor God en terwiile der kerken verplicht te moeten zeggen; al zegt het dan ieder ook op zijn wijze.

Van groot belang is het echter in deze worsteling, dat de strijdende broeders elkander laten zeggen, wat zij gezegd hebben en zooals zij het bedoeld hebben. Elkander in een verkeerd daglicht stellen, is verkeerd.

En dat, meenen wij, is gedaan in de Heraut, toen in de stellingen der Hoogleeraren van Am» sterdam publiek de richting is aangegeven van hen, die het met die Broeders niets eens zijn.

Te stellen: wij, Hoogleeraren van de Vrije Universiteit en allen die met ons gelijk denken, staan op het goede. Gereformeerde, Bijbelsche standpunt; maar de voorstanders van eene eigene Inrichting der kerken zijn in den wortel ongereformeerd, onbijbelsch, dualistisch; — dat is geene juiste voorstelling der strijd voerende partijen, waartegen wij daarom opkomen, met al de kracht die in ons is, omdat zóó de andersdenkende reeds van tevoren veroordeeld is, en dat mag niet.

Dit stemmen we volkomen toe.

Gelijk Ds. Bos zich meer dan ééns vergiste in de voorstelling die hij van óns bedoelen gaf, nemen we volgaarne aan, dat ook wij op onze beurt ons meer dan eens vergisten in het teekenen van zijn stelsel.

En daarom verheugt het ons, dat ook hij nog eens de moeite wil nemen, om zijn denkbeelden en zijn bedoehngen uiteen te zetten.

Zoo alleen komen we verder.

Slechts zij opgemerkt, dat de quahficatie van dualistisch voorkomt in de Memorie, van de heeren Donner c. s., en slechts weergaf wat de 17 leden der Synode van Kampen oordeelden over de stemmen vóór het voorstel-Littooy.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 april 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 april 1901

De Heraut | 4 Pagina's