Een levensteeken.
Amsterdam, 26 April 1901.
De oud-hoogleeraar J. H. Gunning had de vriendelijkheid ons zijn jongste vlugschrift toe te zenden, waarin hij voorstelt, dat de Classes der Hervormde kerk het initiatief zullen nemen, om de erkentenis van Christus als het Hoofd der kerk weer tot realiteit te brengen, en de Haagsche Synode alleen als administratief lichaam te laten bestaan.
Ziehier zijn eigen woorden:
Zoo stellen wij dan aan de klassikale Verga deringen onzer Kerk voor, eerlang aan onze Synode het volgend (of een soortgelijk) adres te richten
De klassikale Vergadering van X komt tot de Synode met het eerbiedig verzoek, dat zij de klassikale Vergaderingen onzer Kerk uitnoodige, aan de Synode voor te stellen een ontwerp tot organisatie onzer Kerk naar de beginselen der Belijdenis, in onze Kerk nog altijd wettelijk geldig; opdat in die Kerk de kracht des Heeren tot inwendige en uitwendige hervorming openbaar worde.
Uit al het voorafgaande volgt, dat om in 't leven te doen treden wat dit voorstel wenscht, aannemelijk schijnt:
Dat de klassikale Vergaderingen een gezamenlijke Vertegenwoordiging benoemen, een of meer leden uit eiken Kerkeraad. Dat de Synode deze Vertegenwoordiging erkenne, en met haar in overleg trede tot zoodanige verdeeling, dat aan de Synode verblijve de zorg voor de financieele en administratieve aangelegenheden en de Vertegenwoordiging der Kerk bij den Staat; en dat alle geestelijke belangen voor die Vertegenwoordiging blijven. Dat deze laatste uitspreke dat onze Kerk, overeenkomstig onze oude Belijdenis, den Heere Jezus als den Christus naar de H. Schriften belijdt, en naar die belijdenis van 's Heeren Naam vermanende en waarschuwende tucht wil oefenen. En dat elke verandering in de reglementen der Kerk door de Kerkeraden uit eigen beweging of op verzoek van gemeenteleden voorgesteld, in de klassikale Vergaderingen beoordeeld, en met hare adviezen aan de gezamenlijke Vertegenwoordiging der Kerk ter beslissing overgelaten worde.
Mocht dit verzoekt aan de Synode gedaan en door haar ingewilligd worden, zoo verkrijgt onze Kerk:
Dat de Heere Jezus niet slechts door afzonderlijke Voorgangers maar door de kerk zelve als Lichaam, weder erkend wordt als haar Hoofd, zoodat zijn leiding en kracht de kerk (zoover in onze gebrekkige toestanden mogelijk!) tot „inwendige en uitwendige hervorming" kan voeren
Dat de broederlijke tucht naar het Woord Gods weder in de kerk zal werken, niet tot uitbanning van anders gevoelenden en afwijkenden, maar tot versterking der liefde en geestdrift van hen die des Heeren Naam belijden, door samenwerking tot één doel. Dat, wanneer de vaste grondslag gelegd is, de Godgeleerdheid, d. i. de wetenschap die van God uitgaat en naar Zijn Woord denkt, van lieverlede kracht zal vinden om de Belijdenis der kerk te zuiveren en te ontwikkelen; want geen stilstand, maar „inwendige en uitwendige hervorming" is de eisch des geloofs voor leven, kerk en wetenschap.
Dat de kerk zich niet door pressie van een vreemde macht, partijbelang of wetenschappelijke coterie, maar vrij, d. i. uit eigen levensdrang en naar eigen levensbeginsel (zooveel mogelijk!) kan hervormen.
Dat, hoewel onze oude Belijdenis weer tot gelding komt, toch niet op de belijdenis de nadruk valt, maar op Hem dien zij belijdt, en op zijn besturing en heerschappij in de kerk door de tucht.
In dit voorstel is wat ons boeit, en wat ons teleurstelt.
Ons stelt teleur het wezenlijk droeve feit, dat een man van zijn jaren, die doorleefd heeft wat hij doorleefde, gezien heeft wat hij zag, en gelijk hij tot de meest schrandere en scherpzinnigste theologen behoort, nog niet inziet, dat van zulk een plan niets komt, dat het niets geeft, en dat het doodgeboren is en blijft.
Misschien dat een enkele Classis, waarin zijn vrienden de meerderheid hebben, zulk een initiatief beproeft, maar daar blijft het dan ook bij. Het woord van die Classis zal de stem eener roepende in de woestijn zijn. En de kerk als instituut zal practisch ten antwoord geven, dat met zulke volatile denkbeelden geen praecipitaat te verkrijgen is.
Voor niemand die het kerkelijk raderwerk kent, is dit ook maar een oogenblik aan twijfel onderhevig.
We beelden ons dan ook volstrekt niet in, profeet te zijn, omdat we met stellige zekerheid profeteeren, dat het, ook al komt er een begin van uitvoering, zoo en niet anders loopen zal.
Maar toch is er ook zoo in dit voorstel iets dat ons goed doet en boeit.
Onder de ethische theologen, met name onder de jongeren, zit men op de elpenbeenen banken, en trekt zich de nooden van het Huis Jozefs niet meer aan. Men gevoelt er niets meer voor. Men vindt de belijdenislooze kerk, waarin men leeft en dient, juist een kerk zoo als men die wenscht. Geen enkele band, niets dat kerkelijk teekent, en dan toch nog min of meer als orthodox te boek staan.
Wat wil men meer.?
De ethische theologen in Duitschland, Engeland en Amerika snakken er naar, of ook zij het zoo hebben mochten.
En onder alle dezen staat nu Gunning als de man, die toch zijn kerkelijk gevoel niet kan uitschudden, die toch voelt dat het zoo een zondige kerkelijke toestand voor God is, en die tast en zoekt naar iets beters.
Dit nu is ons een oorzaak van vreugde, omdat het kerkelijk een hooger getuigenis van zijn conscientie is, dat er zich in dit zacht protest uitspreekt.
Wat Gunning zijn leven lang in den weg stond, was zijn vreeze voor het intellectualisme, waartoe het confessioneele standpunt zoo licht verleidt. Hij ontvluchtte dit gevaar in het omtreklooze der mystiek. Doch ook hier vindt hij geen vrede. En nu strekt hij zoekend en tastend de hand uit, om iets beters te vinden.
En toch vindt hij het niet!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 28 april 1901
De Heraut | 4 Pagina's