Een laat antwoord.
Er bestaat thans voor ons geen reden meer, om antwoord te weigeren op de vraag, waarom de Heraut, kort voor de Groninger Synode, plotseling de discussie over de opleiding gestaakt heeft.
Van meer dan één zijde is dit vreemd gevonden.
Een enkele, wat zwartgallig van humeur uitgevallen, zag er zelfs gemis aan vriendelijkheid in.
Waarom, zoo vroeg men, kon de Heraut niet rustig zijn bespreking voortzetten, en vooral, waarom voldeed dat blad niet aan wat het eerst in uitzicht stelde.' Het had laten doorschemeren, dat het voorstel destijds door Dr. Bavinck door den druk gemeen gemaakt, wel niet zóó, maar dan toch na wijziging, aannemelijk kon zijn. Zoo kon het blad niet spreken, of het moest voor zich zelf zich ecnig denkbeeld hebben gevormd omtrent hetgeen die wijziging moest inhouden. En dit zoo zijnde, ware het dan geen plicht geweest, zulk een denkbeeld althans van ter zijde aan te duiden.' Wie weet, het had misschien in het rechte spoor kunnen leiden, en hoe heel anders had dan niet de uitslag te Groningen kunnen zijn.
Dat men zoo geredeneerd, geoordeeld, geklaagd heeft, is voor ons volkomen begrijpelijk, maar dit kon noch mocht op zich zelf een dringende reden zijn, o/n een andere positie in te nemen, dan we deden.
Wie aan het publiek debat over ernstige aangelegenheden in Kerk of Staat deel neemt, heeft te verstaan, dat hij hiermede een zeer ernstige verantwoordelijkheid op zich laadt. Dat deze eenvoudige, nuchtere waarheid keer op keer uit het oog wordt verloren, geven we toe, en nimmer beweerden we, dat ons eigen blad steeds en te allen tijde die verantwoordelijkheid in volle lengte en volle breedte heeft laten wegen. Velen schrijven, als ze voor de pers werken, zóó maar, voor het vaderland weg, al wat hun in 't zin, en uit den zin in de pen komt; en wie buiten de pers staat, moet hierover niet te hard oordeelen. De journalistiek is een vak dat drijft en prikkelt, en juist door dien drang zoo dikwijls de bezonnenheid verschalkt. Vooral van jongere publicisten is het daarom verstaanbaar, dat ze huneerste veld wel eens te wild afjagen. Ook onze hoofdredacteur weet dat zeer wel uit eigen oude herinnering.
Maar.... met de jaren verheldert zich dan toch het inzicht en begint het gevoel van verantwoordelijkheid voor wat men schrijft en publiceert, te ernstiger te wegen. Men begint dan in te zien, dat het niet anders kan, of in veel gevallen heeft de redacteur van een blad de opinie zijner lezers uit te drukken, in andere gevallen moet hij ze helpen vormen, maar ook in enkele gevallen moet hij het zijn, die hun een opinie eeft.
Dit laatste komt vooral voor in quaesties, die of te ingewikkeld zijn, om door het groote publiek helder doorzien te worden, of zóó snel tot oplossing moeten komen, dat een eenparige opinie geen tijd heeft van zelf te rijpen. Is er dan een orgaan, dat zekeren invloed op een breeden kring van lezers bezit, en over zulk een quaestie op eenmaal een beslist gevoelen uitspreekt, dan acht men zich het veiligst, zoo men dat gevoelen eenvoudig overneemt, en op zulk een wijs kan een publicist in een gegeven oogenblik geheel den toestand behecrschen. Geschiedt dit nu door een min beleidvol publicist, zoo wordt onnoemlijk en vaak onherstelbaar kwaad gesticht. En dan alleen kwijt de pers zich, in zulk een oogenblik, van haar plicht, zoo de man die spreekt, zich van zijn verantwoordelijkheid ten volle bewust is, zich door geen geroep van buiten hiervan af laat brengen, en zich alleen door het diep besef van zijn verantwoordelijkheid voor zijn God laat leiden.
Of dit dan door wie buiten staat begrepen en gewaardeerd, dan wel verdacht gemaakt en veroordeeld wordt, doet niets ter zake. Ook de pers is geroepen liefde te betrachten en vriendelijk te zijn. Hooghartigheid past ook haar niet. Zoo ver de ernst der zaak het gedoogt, mag ze en moet ze aan de wenschen van haar lezers toegeven. Maar toch werpt ze haar eere weg en verloochent ze alle karakter, zoo ze den moed mist, om waar hooger belang dit eischt, 0ok tegen de wenschen van haar publiek te gaan.
Naar dien regel nu hebben ook wij gehandeld, toen het voorstel van Dr. Bavinck voor nu twee jaren in het licht werd gezonden; en we zouden ons zelven aanklagen, indien destijds niet de ernst en de moed bij ons waren gevonden, waartoe de beteekenis van dat voorstel ons opriep.
Het voorstel, gelijk het destijds afkwam, errastte en verbaasde. Iets wat terstond uitkwam in de sympathieën die het wakker riep, en in de bedenkingen die het deed rijzen.
Immers er had daarbij van stonde aan een opmerkelijke verplaatsing van de verhoudingen plaats. Tot dusver had in de bespreking van de opleidingsquaestie Dr. Bavinck, tien jaren lang, steeds een standpunt ingenomen, dat door de heeren Lindeboom c. s met leede oogen werd aangezien, en dat meer verwantschap vertoonde met wat ook oor ons blad was voorgestaan.
Nu echter bleek op eenmaal, dat de eeren Lindeboom c. s. voor dit voorstel ympathetisch gestemd waren, en dat daarntegen zij, die meer met ons blad homoeen waren, er zeer ernstige bedenkingen egen koesterden.
Een verrassing, die nog versterkt werd oor de omstandigheid, dat het voorstel ooraf besproken was met de curatoren en oogleeraren te Kampen, terwijl slechts twee hoogleeraren der Vrije Universiteit, en dan nog pas ter elfder ure, er in gekend waren.
Dit gaf toen aanstonds aanleiding tot beoordeelingen van dit voorstel, die, hoe goed ook bedoeld, noch altoos billijk, noch steeds aan wat kwetsen kon, gespeend waren.
Verstaande, hoe dit kwaad bloed kon zetten, en aan wat objectief behandeld moest worden, een te persoonlijk karakter kon geven, heeft ons blad het zich toen ten taak gesteld, het gepubliceerde voorstel. waardeerend, kalm en geheel objectief te bespreken.
Ons was het nimmer een geheim gebleven, dat Dr. Bavinck, hoe beslist hij ook steeds tegen het standpunt van de heeren Lindeboom c. s. had overgestaan, en hoe na hij ook aan ons standpunt was gekomen, toch altoos een eenigszins afwijkende lijn was gevolgd, niet op het hoofdpunt, maar in de uitwerking van het beginsel; en we konden het verstaan, hoe voor een oogenblik dat afwijkende zoozeer het overwicht kon verkrijgen, dat de wederzijdsche verhouding een bedenkelijke wijziging onderging.
We waren deswege van oordeel, dat alleen kalme, rustige uiteenzetting van het punt in quaestie, deze onderscheidene stroomingen in de juiste bedding kon leiden; en we hielden het nog altoos voor mogelijk, dat ten slotte de oplossing, die allen kon bevredigen, gevonden zou worden, gelijk wc die hoop ook nu nog niet hebben opgegeven.
Toen echter is er door over-en weergeschrijf zekere onrust in de gemoederen gekomen. Men heeft de kalmte verloren. De voorsteller zelf is door die onrust meegesleept. En, wanende dat een forsch woord de zaak tot beslissing kon brengen, heeft hij het toen noodig geoordeeld, het einde dezer bespreking en ons nader voorstel niet te mogen afwachten, maar door een geharnast woord de positie pogen te forceeren.
Weinig dingen hebben ons in onzen kerkdijken strijd zoo leed gedaan, omdat we terstond gevoelden, hoe dit niet alleen op dat oogenblik heel de zaak bedierf, maar ook oorzaak van een tweespalt dreigde te worden, die een voorstel, dat zijnerzijds de eenheid der kerk bedoelde, tot een bron van spanning, twist en tweedracht moest doen worden.
We zijn overtuigd dat ook Dr. Bavinck zelf hieronder geleden heeft, en dat hij niet dan met moeite er toe kwam, om in den tijd, die sinds verliep, de tweeheid van richting van onze kerken, die hij eerst verklaard had zoo uiterst verderfelijk te achten, noodgedrongen zelf te verscherpen.
Toch schoot ons toen niets anders over dan te zwijgen.
Geen onvertogen woord was door ons geschreven, geen onvriendelijk woord was aan onze pen ontsnapt. Men kan er onze artikelen van '98 over nalezen. Alleen maar hadden we ons verplicht gezien, op kalme, bezadigde wijze uit te spreken, dat het gedane voorstel, gelijk het daar lag, voor ons stuitte op een non possumus. Wat zeggen wilde, dat er voor ons iets in school, dat rechtstreeks inging tegen een beginsel, dat we om Gods wil niet prijsgeven konden noch mochten.
Toen nu daarop geantwoord werd, dat de voorsteller achtte dat de kerken ook voor zulk een non possumus niet uit den weg mochten gaan, d. w. z. dat hij de kerken opriep, om in weerwil van dit non possumus toch door te gaan, was de zaak voor ons beslist. We mochten toen opdat oogenblik de discussie niet verder voortzetten.
Als mannen van éénzelfde belijdenis met een non possumus tegenover elkander komen te staan, beduidt dit in het minst niet, dat geen eenheid meer te verkrijgen is. Dat is wel zoo, waar het mannen geldt die in de opvatting der diepste levensbeginselen verschillen. Als een Kappeyne zegt: „De neutrale school, en liefst haar alleen, " en wij stellen daar ons non possumiis tegenover, dan blijft er niets anders over dan een bittere worsteling om de macht.
Maar als tegen Iets wat wij voorstellen, een non possumus wordt uitgesproken door mannen met wie we in levensbeginsel en levensopvatting één zijn, dan voegt ons daarvoor eerbied, al is niet gezegd, dat wc daarvoor wijken moeten, maar wel, dat we naar de reden van dit non posstimus te luisteren hebben, en er niet over mogen heenstappen eer het uiterste beproefd is, om elkanders bedenkingen te ondervangen.
Wordt nu daarentegen op zulk een nonpossumus geantwoord: Ik kan mij daaraan niet storen, noch mij daarbij ophouden, dan blijft er niet anders over dan voorshands de gedachtenwisseling te staken, tot tijd en wijle kalmer gemoedsstemming, weer ernstige bespreking van de beginselen mogelijk maakt.
Ons zwijgen had dan ook de strekking, niet om te zeggen: Nu moeten we maar vierkant tegenover elkander blijven staan, maar, omgekeerd, om rustiger tijd af te wachten, en dan de bespreking weer op te vatten.
Reeds voor een jaar is daartoe onzerzijds het initiatief genomen, en heeft er een persoonlijke bespreking tusschen schrijver dezes en den voorsteller over weeropvatting der bespreking van de quaestie plaats gehad. Zoodra er zich dan ook, naar aanleiding van het zoeken van Duitsche doctoraten aan niet-Gereformeerde Hoogescholen door studenten van Kampen, een ongezochte gelegenheid voordeed, om publiek op de zaak terug te komen, is dit onzerzijds geschied; en zulks met het gelukkig gevolg, dat nu reeds een eerste conferentie plaats had, en een tweede in het najaar staat te volgen.
Feitelijk is alzoo het bewijs geleverd, dat ons staken van de discussie in '98, in het minst geen sluiting bedoelde van het debat.
Maar in '98 mochten we er niet mede voortgaan.
Blijkbaar toch had Dr. Bavinck er destijds geen vermoeden van, op wat principieel bezwaar bij ons zijn voorstel stuitte. Hij scheen onder den indruk te verkeeren, alsof alleen de band, die ons aan de Vrije Universiteit bond, ons verleidde om op eenzijdige wijze voor haar belangen op te komen. En zelfs scheen hij een oogenblik zich zelve diets te maken, dat het spreken van een non possumus voor ons slechts een uitvlucht was, om met een heilig schild eigen positie te dekken.
Alleen toch de onderstelling, dat zulke gedachten bij hem hadden post gevat, maakt het verklaarbaar, dat hij van dit ons stellig uitgeproken non possumus geen andere notitie nam, dan met de tegenverklaring, dat hij er zich, ter handhaving van wat hij het recht der kerken noemde, niet aan dacht te storen.
Wel werd er bij verklaard, dat hij bereid was, eventueel een amendement in overweging te nemen; maar toch ook dit werd in zulke bewoordingen uitgesproken, alsof zulk een amendement al zeer in zijn lijn zou moeten zijn om door hem te worden aangenomen.
De stand der quaestie werd hierdoor alzoo deze, dat één der broederen een denkbeeld geformuleerd had, en dat aan hem nu het recht zou staan, om te beslissen of er van een tegenvoorstel tot wijziging iets in kon komen.
Aan zoo iets mag men nu wel toegeven, waar het persoonlijk of particulier belang geldt; maar voor iets dergelijks mag geen man van ernst uit den weg gaan, zoodra zulk toegeven schade zou toebrengen aan wat hem als beginsel heilig is, wijl er de eere van Gods naam mee is verbonden.
En dit nu was hier voor ons het geval.
Het opkomen voor het universitaire onderwijs in de godgeleerdheid, vloeit naar onze vaste overtuiging voort uit de ordlnantie of levenswet, die God de Heere aan de wetenschap in het algemeen en aan de godgeleerde wetenschap in het bijzonder gegeven heeft. En deze ordinantie wederom vloeit voort uit de verhouding, door Hem gesteld tusschen het leven der schepping en het leven der herschepping, of wil men, tusschen het leven der natuur en het leven der particuliere Genade.
Er was alzoo noch gril noch wilkeur in het spel, maar een alles beheerschend beginsel. Immers het destijds gedane voorstel strekte tot niets minder, dan om het universitaire karakter der theologie te vernietigen, en er het seminaristische voor in de plaats te stellen.
Benoeming, ontslag, salarieering en instructie van het theologisch onderwijs, het zou alles aan de kerken als instituut worden overgegeven.
Nu weten we wel, dat de voorsteller er dat kwaad niet in zag, veel min het bedoelde. Anders had hij natuurlijk zijn voorstel nooit gedaan. Maar dit kon noch mocht ons ontslaan van de verplichting, om te handelen naar eigen overtuiging.
Zoodra derhalve voor ons vaststond, dat Dr. Bavinck's voorstel, hoe uitnemend ook bedoeld, rechtstreeks tot dit noodlottig gevolg zou en moest leiden, was voor ons de zaak beslist, en bleef ons niet anders over, dan tot uitstel van het geheele geding te concludecren.
Een amendement onzerzijds, waardoor het universitaire beginsel zou worden gered, zou in die stemming des gemoeds door den voorsteller onaannemelijk zijn verklaard, en daarmee de geheele zaak voor goed bedorven zijn geweest.
Vraagt men ons nu toch van achteren, welke wijziging we destijds op het oog hadden, dan lag niet anders in onze bedoeling, dan om het geschil te deelen, en de helft der hoogleeraren te laten onder de jurisdictie der ééne en de wederhelft onder de jurisdictie der tweede constitueerendc macht. Halveerde men de benoeming en de salarieering, en deelde men evenzoo de instructie, dan kon er van handhaving van het universitair karakter bij de ééne helft althans sprake zijn.
Thans echter heeft dit geen belang meer. Het zou toen slechts een poging zijn geweest, om in het voorstel van Dr. Bavinck het beginsel van de universitaire studie veilig te stellen, en in zooverre ware het een concessie geweest aan de omstandigheden.
Veel beter echter is het, dat, gelijk nu, de zaak op vrij terrein besproken wordt, en dat men niet construecren gaat in een gedaan voorstel, maar het fundament zuiverlijk legt voor gezonden bouw in goed-Gereformeerden stijl.
Slechts in zooverre men ons van meer dan ééne zijde merken liet, dat het raadselachtige in ons plotseling zwijgen van '98, aan den goeden gang der discussie in den weg stond, hebben we het onzen plicht geacht, dit ons afbreken van de toenmalige discussie thans toe te lichten.
Het zal nu van achteren duidelijk zijn, dat we toentertijd niet anders handelen kondefi.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 28 april 1901
De Heraut | 4 Pagina's