Volkstelling.
Toen de jongste volkstelling van stapel zou glijden, wezen we er terstond op, dat toch weer de kerkelijke telling mis dreigde te loopen. Zelfs van de Portugeesch-Israëlieten werd gerept, maar van de Gereformeerde Kerken ganschelijk niet. En toen de telling begon, hoorde men aanstonds uit allerlei hoeken, hoe de tellers gemakshalve de lijsten maar voor veel goede lieden invulden, zonder zelven bijzonder op hoogte te zijn van de kerkelijke distinctiën. Iets waar bij komt, dat de heeren van de bureaux in negen van de tien gevallen er op uit zijn, de Ned. Herv. Kerk met statistieke zieltjes te bevoordeelen.
Dit laatste is niet te sterk gesproken.
Zoo weten we zelfs van een heer in hooge rechterlijke betrekking, die nog onlangs ten stadhuize, met zijn familie, doodleuk van de Gereformeerde Kerk op de Hervormde Kerk was overgeschreven, omdat hij verhuisd was; zijn dienstboden incluis. Eerst toen hij de biljetten van inschrijving voor de hervormde kerkvoogdij thuis ontving, ontdekte hij dat officieel abuis.
Viel op grond hiervan reeds te vermoeden, dat de kerkelijke statistiek fslikant zou uitkomen, ook de uitkomsten, voor zoover zij bekend zijn, bevestigen dit.
Zoo bleek nu dat het cijfer der Gereformeerden voor Amsterdam, uit de biljetten opgemaakt, kwam te staan op 21, 000 Daar dit nu bij de vorige telling aanmerkelijk hooger stond, concludeerden de heeren statistici tot achteruitgang.
Toch lijdt het geen twijfel, of deze uitkomst is getrokken uit foutieve opgaven.
Men kan dit narekenen uit de doopregisters, die aantoonen, dat jaarlijks in de Gereformeerde Kerken een kleine 800 kinderen gedoopt worden. Nu waren de geboorten in Amsterdam bij de vorige volkstelling, toen de toevoer van buiten nog kalmer was en het Neo-Malthusianisme zijn fatdie werking nog niet deed, ruim 34 per duizend inwoners. Sinds daalde dit cijfer, in tien jaar, op 29. Daar echter dit laatste booze kwaad onder ons, gelukkigerwijze, nog niets dan afkeer wekt, hebben wij bij onze kerken met deze daling niet veel te rekenen.
In dat cijfer van 34 geboorten per 1000 inwoners zijn intusschen a//e geborenen begrepen. Reeds dit geeft 7.4 pCt. voor de levenloos aangegevenen; waarbij dan nog te voegen zijn de kinderkens die in de eerste levensdagen stierven, en dientengevolge niet gedoopt worden. Men raamt dus zeker niet te hoog, zoo men als vermenigvuldiger het cijfer 2, 6 neemt, wat, gerekend tegen 775 doopen, reeds een cijfer van 28, 000 zielen geeft, en alzoo een verschil van 7000 oplevert met de uitkomst der volkstelling.
Doch ook zoo is men stellig nog te laag.
Het is toch bekend, dat tot onze kerk te Amsterdam een zeer groot aantal dienstboden van buitenaf behooren, die natuurlijk naar evenredigheid tot een hooger cijfer leiden, daar bij deze dienstboden van te doopen kinderen geen sprake is.
Slechts één middel van controle zou hierop bestaan, indien namelijk de kerkeraad zelf een telling in eigen boezem hield.
Dit was dusver onmogelijk, omdat men geen eigen bureau had, en de gestadige verhuizingen in Amsterdam het zoo uiterst moeilijk maken, om te weten vi^aar men de leden vinden moet. Ook bij het trouwste huisbezoek was er geen oog op te houden.
Thans echter is zulk een bureau ingesteld, met vast personeel, en thans zal het metterdaad mogelijk worden, eigen, vertrouwbare gegevens te verzamelen. Natuurlijk zal het eenigen tijd vorderen, eer deze registers volledig op orde zijn. Maar is dat doel eenmaal bereikt, dan zal controle alleszins mogelijk blijken.
Denkbaar ware het uiteraard, dat niet weinigen, die in 188Ó in den eersten aanloop mee gingen, later terugtraden; maar men vergete niet, dat de vorige telling die zooveel hooger cijfer gaf, vier jaar na dato plaats had, in 1890, en toen natuurlijk waren de renegaten reeds geweken.
En hier staat tegenover, dat sinds 1890 de bevolking van Amsterdam vermeerderd is met 22 pCt., o. a. door bijvoeging van een deel der buitengemeenten, waarin onze kerk, b.v. aan de Amstelzijde, naar evenredigheid, sterk vertegenwoordigd was.
Al nemen we dus aan, dat de strenge opvatting van de tucht, en niet minder de aanzienlijke geldelijke offers, die ons kerkelijk leven vraagt, voortdurend onder de onverschilligen zekere zuivering houdt, toch staat het tamelijk wel vast, dat de opgegeven cijfers van de volksteUing niet juist kunnen zijn.
Of gelijke onbetrouwbaarheid ook elders in het land voorkwam, is zonder nader onderzoek niet te zeggen.
In kleine dorpen zal dat minder het geval zijn, daar men in kleine plaatsen het wel van elkander weet, tot wat kerk men behoort, en fopperij al te spoedig aan het licht zou komen. Maar toch zou het, dunkt ons, wel goed zijn, zoo de kerkeraden, nadat de uitkomst der volkstelling voor hun gemeente publiek zal zijn gemaakt, zich de moeite gaven, om de opgegeven cijfers even te controleeren.
Eerst dan toch als men de noodige gegevens bijeen heeft verzameld, om te beivijzen, dat de gedane opgaven ten deele onjuist ingevuld waren, zal men het materiaal in handen hebben, om voor de eerstkomende volkstelling op maatregelen ter rectificatie bij het Landsbestuur aan te dringen.
Immers onverschillig voor de gaafheid en betrouwbaarheid zijn de heeren der statistiek niet. Integendeel, ze stellen er zelven prijs op, om tot juiste cijfers te geraken. Alleen maar, ze kennen het volk, ze kennen hun eigen agenten niet genoeg, en kunnen zich daarom geen juiste voorstelling vormen van de slechte wijs, waarop de gevolgde methode werkt.
Eerst als ze dit in cijfers voor zich zien, zullen ze overtuigd worden, en dan zonder twijfel tot het nemen van meer doeltreffende maatregelen bereid worden gevonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 26 mei 1901
De Heraut | 4 Pagina's