Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Nieuwe richting.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nieuwe richting.

10 minuten leestijd

In het Fransche tijdschrift La foi et la vie vestigt Doumergue de aandacht op de nieuwe richting die steeds meer veld wint, en die haar uitdrukking vond in de werken van Sheldon en Ruskin, en nu weer in Stead, en die, onder hoe verschillenden vorm ook, toch altoos weer op dit ééne neerkomt, dat heel onze Christelijke rehgieeen principieele verandering moet ondergaan, hierin bestaande, dat we in plaats van belijders navolgers, ja nabootsers van den Christus moeten worden.

Men aarzelt dan ook niet dit zóó uit te drukken, dat men dusver er naar streefde om een Christen te zijn, maar dat thans de tijd gekomen is om elk op onze beurt een soort Christussen te worden, Christussen in het klein, maar Christussen dan toch, doende wat Jezus deed, sprekende zooals Jezus sprak, optredende zooals Jezus optrad, lijdende zooals Jezus leed, en daardoor zegenende zooals Jezus zegende.

Hierin hgt, wie zal het ontkennen, een aangrijpende gedachte.

Vraagt men zich, bij al wat men doet, af, wat zou Jezus in dit mijn geval doen, hoe zou Jezus bij deze ontmoeting handelen, wat zou Jezus van zulk een geval zeggen, zoo kan dit een ernst over heel ons optreden uitstorten, waar kracht van uitgaat.

Nieuw is deze gedachte dan ook niet. Nieuw is alleen de vorm, waarin ze gegoten wordt.

Dat Jezus ons ten voorbeeld is, ontkent niemand; dat wij zijn voetstappen moeten drukken, zegt de Schrift zelve ons. Dat we navolgers van Jeziis moeten zijn, heeft niemand dieper ontwikkeld dan Thomas a Kempis. Dat Jezus ons gedurig beschaamt, voelt ieder Christen. Alleen maar, dusver is deze navolging van den Christus nooit in zulk een zin verstaan.

Dusver heeft men steeds den onmetelijken afstand gevoeld die ons van Jezus scheidde, en daarom wel erkend dat in den Christus ook voor ons een regel voor ons religieus en zedelijk leven geopenbaard was, maar nooit nog was de gedachte ingeslopen, dat wij op hadden te treden, alsof wij zelf in onzen kring een soort Christus hadden te zijn, en te doen hadden wat Christus deed.

Ruskin past ditzelfde denkbeeld zelfs toe op onze navolging van God. Moeten wij navolgers van God zijn als geliefde kinderen, leest dan zegt Ruskin Genesis i maar. God schiep licht, schep ook gij licht in de donkere woningen der armen en in de donkere cel van den gevangene. God schiep het plantenrijk, breng gij bloemen aan de kranken, en zet bloempotten voor de vensters der armen. En zoo gaat het heel de Scheppingsactie door.

En evenzoo nu wil deze school, die in Engeland en in Amerika ongemeenen opgang maakt, dat ieders leven een soort copie van Jezus leven zal worden. Dat wij op kleine schaal zullen doen, wat Jezus in het groot deed. Maar zoo, dat toch overal waar wij optreden, en waar wij handelen en spreken, iets gezien en gehoord worde, alsof Christus zelf er geweest ware.

Zoo spreekt men in deze school van een te geven feestmaal, en vraagt zich dan af, als Jezus op dit feestmaal kwam, hoe zou dan het menu zijn, wie zou naast Jezus mogen zitten, over welke onderwerpen zou moeten gesproken worden. Enz.

Steeds wil men Christus tegenwoordig maken, in onze nabootsende personen cf in onze levende verbeelding, en op die wijs wil men dat de indruk van Christus op het leven zich uitzette en verdiepe.

Nu oordeelen we over deze richting allerminst uit de hoogte.

Met diepe schaamte moet erkend worden, dat tal van Christenen, die vurig inj het belijden en trotsch op den Christennaam zijn, zich al zeer weinig moeite geven, om metterdaad en in waarheid tot een navolging van den Christus te komen, en maar al te dikwijls in heel hun optreden er zich op schijnen toe te leggen, om juist het omgekeerde te doen zien, van wat in Jezus zou bewonderd worden.

Ongetwijfeld heeft de kerk van Christus de navolging Christi veel te veel verwaarloosd. Als men hoort hoe Christenbroeders elkander met bittere woorden kunnen aanvechten, booze oogen kunnen toonen, rancune tegen elkander in het hart kunnen omdragen, koel en koud voor anderer lijden kunnen zijn, hun tijd in nietigheden verdoen, aan geld en nogmaals geld gehecht zijn, in het werktuigélijke zich verliezen, en steeds de dienstknechten van hun oude zonden blijven, dan is het te verstaan, dat er ten slotte buiten de kerk een actie begint, die, aan alle belijdenis vervreemd, zich aan het zedelijk ideaal in Christus vastklemt, en nu zich opmaakt, om de kerk te toonen op wat wijs de Christus waarlijk te dienen zij.

Ge vordert dan ook niet, met als belijder van uit de hoogte deze nieuwe richting te veroordeelen. En dan eerst zal ze in haar vaart gestuit worden, als de belijdende Christenheid, de navolging Christi weer in practijk brengende, toont dat zij hierdoor hooger en edeler kracht ontving, dan waarover deze nieuwe richting beschikt.

Voorshands echter kan niet ontkend-worden, dat de aanhangers van deze nieuwe richting, ook bij veel kleingeestigheid, hoogen ernst betoonen, tot wezenlijke offers in staat blijken te zijn, en aan hun leven een hoogere richting weten te geven dan in veel kerken onder de belijdende Christenen gezien wordt. Zelfs dient erkend, dat terwijl de gewone prediking breede kringen van het verdoolde volk koud en onaandoenlijk vindt, deze prediking breede Kringen van dien aard geweldig heeft aangegrepen, en door de enkele gedachte van als Christus te zijn, te spreken, te handelen en op te treden, honderden en honderden uit hun zelfzucht en nietsdoen, overgezet heeft in een leven van toewijding en zelfverloochening.

En toch, er kan geen oogenblik twijfel over bestaan, of heel deze richting loopt op vernietiging van de Christelijke religie uit.

Doumergue zegt het terecht:

Je constate ainsi un renversement de direction dans Ie Christianisme et je dis: est-il bien sur que cela soit bien Ie Christianisme ? Car ce que Ie croyant devenu un christ, un Sauveur, apporte au monde ce peuvent bien être encore et toujours les idees du Christ, résentes, sa puissance présente, son axaouxfrése? tt. Il peut bien apporter F esprit du Christ, mais il ne peut apporter aux hommes la personne du Christ. Il n'est pas lui même Ie Christ. Tandis que tous ces christs vont et viennent dans Ie monde, Ie Christ, la personne vivante du Christ, demeure toujours dans l'au dela. Mais en vérité, elle de moins, n'est-ce pas tout? Que peuvent être un salut, une vie, une transfiguration du monde oü la personne du Christ n'est pas? Que les christs s'écartent: par dela ses idees, sa vérité, sa puissance rénovatrice c'est Ie Christ que l'homme cherche. De l'approcher déja de loin par dela les siècles dans l'Evangile, de sentir aujourd'hui son action directe, immediate dans la conscience, et comme l'enveloppement de son amour, c'est déja vivre: mais il demeure toujours vrai que la terre sans Ie Christ n'est pas Ie ciel: que partir „et être auprès du Christ" est toujours „meiQeur". Tant que Ie Christ demeure dans l'au dela, tant qu'il n'est point venu pour faire les nouveaux cieux et la nouvelle terre, la direction de lame humaine — étant vers lui — est vers l'au-dela. )

Zoo is het.

Van een doen zooals Christus deed, zou alleen sprake kunnen zijn, zoo wij waren gelijk Christus is. In den diepsten grond heft deze richting dan ook het onderscheid tusschen ons en den Christus op. De Christus wordt als onzer één, in dien zin, dat hij als mensch onder de menschen is, en dat alle belijdenis van zijn Godheid wegvalt. Hij houdt op de Eeuwige te zijn, die alles doen kan, wat geen onzer vermocht of vermag. De Christus wordt naar beneden getrokken opdat wij hem gelijk zouden kunnen zijn. Hij is niet meer het Hoofd en wij de leden van zijn lichaam, die door Hem geleid en bezield worden, maar Hij is onze voorganger, die het aanwees, die het ons voordeed, opdat wij het doen zouden gelijk Hij.

Het treden in zijn voetstappen wil niet meer zeggen, dat Hij alleen den weg vond en de weg is, maar dat wij even als hij wandelen moeten op den weg des levens. Er is niet meer een werk der verlossing, dat volbracht is, .en waarvan de vrucht ons toevloeit. Er is niet meer een verhoogde Middelaar, die ons met zijn Heiligen Geest troost, steunt en leidt. Er is geen voorwerp onzer aanbidding meer, waarvoor

1) Ik constateer alzoo een algeheelen omkeer der richting van het Christendom en vraag: Ismen wel zeker, dat dit het Christendom is? Want wat de geloovige, een christus, een heiland geworden, aan de wereld brengt, kunnen nog wel, en steeds, zijn : idéëen van Christus, zijn hedendaagsche denkbeelden, zijn hedendaagsche macht, zijn hedendaagsche liefde Hij kan wel den geest van Christus brengen, maar niet aan de menschen brengen den persoon van Christus. Hij is zelf de Christus niet. Terwijl al die Christussen gaan en komen in de wereld, blijft de Christus, de levende persoon van den Christus, er buiten. En in waarheid, waar die ontbreekt, is dat niet alles? Wat vermogen een redding, een leven, een omzetting der wereld, waar de persoon van den Christus niet is ? Dat de Christussen dus van ons uitgaan: f uiten en boven zijn denkbeelden, zijn waarheid, zijn herscheppende macht, is het de Christus dien de mensch zoekt. Hem van verre reeds nabij te komen in het Evangelie, in vroeger tijdsbedeeling; thans zijn rechtstreeksche, onmiddellijke werking in de conscientie te gevoelen, en als, door zijn liefde te worden omringd; — dat is reeds leven; maar het blijft altijd waar, dat de aarde zonder Christus niet de hemel is; dat ontbonden en met Christus te zijn, altijd het beste is. Zoolang de Christus aan gene zijde blijft, zoolang hij niet is gekomen om een nieuwen hemel en een nieuwe aarde te scheppen, zal de richting van de ziel, — die naar hem uitgaat — naar gene zijde zijn ge keerd.

we met de betuiging: „Mijn Hcere en mijn God", eerbiedig de knieën buigen.

o, Neen, dat alles wordt weggecijferd.

Dat alles is dogmatiek. Dat alles is zinlooze mystiek. En het eenige waarop het aankomt, is het doen, het zich erbarmen, het zich ontfermen, het zich beheerschen, en bij dat alles bezield en aangetrokken worden door hetgeen ons van Jezus gemeld staat.

Altoos wel te verstaan, wat ons van Jezus onder het opzicht van erbarming met het leed gemeld staat.

Zijn wonderen kunt ge niet nadoen, maar zoo wordt het almeer de vraag, of Jezus zelf wel wonderen deed. Gij kunt niet opstaan en opvaren ten hemel. Maar is het verhaal daarvan dan wel iets meer dan een legende.' Gij zult niet sterven aan een kruis, maar neen dat hoeft niet, gij hebt soms toch verdriet, ook wel teleurstelling, welnu, dat is uw kruis.

En zoo maakt dan een ieder van het Evangelie wat hij wil. De socialist zegt u dat Jezus een socialist was, en dat het echte Christendom is, met de socialisten op te trekken. Er zijn ook anarchisten opgestaan, die geheel hetzelfde hebben gezegd.

En ten slotte komt heel deze richting hierop neer, dat ieder zich een eigen ideale levensopvatting vormt, met enkele uitspraken van het Evangelie u aantoont, dat Jezus precies diezelfde levensopvatting koesterde, en u nu zoekt diets te maken, dat al wat dusver Christelijke religie heette, het niet is, maar, dat te spreken, te handelen, te leven, zooals zijn eigen theorie meebrengt, de echte Christelijke religie zal verwerkelijken.

Men ziet dan ook in Engeland, hoe ditzelfde volk, waaronder deze richting zoo ongemeenen bijval vond, niet het minst op hooger zedelijk terrein, nu reeds het spoor zoo ten eenenmale bijster is, dat de vraag hoe zou Christus in Transvaal doen, zelfs niet bij hen opkomt. Zeker, van Stead geldt dit niet. Ilij hield moedig vol, om voor vrede ook in Zuid-Afrika te pleiten. Maar voor verreweg de meesten van wie deze richting volgen, is het wel een levensvraag, of zegeen bloem naar den kranke zullen brengen, maar steekt overigens in wat Engeland in Transvaal aan gruwelen bestaat, geen contrast met hun zedelijken eisch.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 juni 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Nieuwe richting.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 juni 1901

De Heraut | 4 Pagina's