Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Recensie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Recensie.

19 minuten leestijd

Dr. H. BAVINCK, Ouders of CetiiigeiH Kampen, Zalsman 1901.

I.

De artikelen, die Prof. Bavinck eenigen tijd geleden in de Bazuin geschreven had, onder den titel: „Ouders of Getuigen" hebben in breeden kring de aandacht getrok­ ken, omdat zij een zeer actueel onderwerp behandelden, waarover in onze kerken nog altijd geen gering geschil van gevoelen bestaat. Nu Prof. Bavinck deze artikelenreeks op „veler uitdrukkelijken wensch" in brochurevorm verkrijgbaar heeft gesteld, opdat zij ook „in dezen vorm aan het recht verstand van Gereformeerde leer en practijk bevorderlijk (mogen) zijn, " behoort bij de recensie van dit geschrift de vraag te worden overwogen, i". of de quaestie, die hij behandelt, door Prof. Bavinck wel juist is gesteld; 2". of hetgeen hij uit den rijken schat der historie aanvoert, wel geheel correct is weergegeven; en 3", of de conclusies, die hij uit het gevonden materiaal trekt, bondig mogen worden geacht.

Het geschilpunt, waarover Prof. Bavinck handelt, is bekend. Het loopt over de vraag, , of de ouders goed doen, met den doop voor hun kinderen zoo spoedig mogelijk te zoeken, Hefst in de eerste samenkomst der geloovigen, waarin de doop bediend kan worden; dan wel, of men beter doet, met te wachten, tot dat de moeder er bij kan zijn, om met den vader de doopbelofte af te leggen.

Gelijk men weet, hebben onze Gereformeerde kerken in haar bloeitijd zulk een uitstel van den doop niet wenschelijk geoordeeld. In alle liturgiën en kerkenordeningen van Gereformeerde herkomst, wordt als regel ondersteld of voorgeschreven, dat de doop liefst binnen enkele dagen na de geboorte behoort plaats te vinden, en dat het voldoende is, vt'anneer de vader alleen daarbij de doopbelofte aflegt. Dit geschiedde natuurlijk niet, omdat onze Gereformeerde kerken er eenig principieel bezwaar tegen hadden, dat de moeder bij den doop tegenv/oordig was of mede de doopbelofte aflegde, maar omdat zij van oordeel waren, dat de tegenwoordigheid der moeder bij den doop geen noodzakelijk vereischte was, en dienvolgens het wachten op de herstelling der moeder uit het kraambed niet als wettige reden kan beschouwd worden, om de doopsbediening te vertragen. De doop behoorde, gelijk onze K.O. in Art. 65 het beginsel zoo zuiver mogelijk uitdrukt, „zoo haast als men de bediening des ze hen hebben kan", te worden gezocht.

In overeenstemming met dezen regel liep dan ook vrij algemeen de doopspractijk in onze Gereformeerde kerken. In den aanvang der Reformatie mochten onze vaderen veel te strijden hebben gehad met noodeloos uitstel van den doop, deels als gevolg van de Anabaptistische ketterij, deels als vrucht van de onverschiUigheid van veel ouders omtrent den doop, allengs vestigde zich zekere Gereformeerde zede, en gemeenlijk werd de doop nog in de eerste levensweek van het kindeke bediend. Natuurlijk waren er altijd uitzonderingen, maar wanneer men de oude doopregisters naziet, (die in later tijd, omdat zij tevens als geboorteregisters dienst deden, naar het gemeentehuis zijn overgebracht en dus niet meer bij den kerkeraad te vinden zijn), dan zal men wel overal tot hetzelfde resultaat komen als te Amsterdam, dat n.l. nauwelijks één op de honderd kinderen later dan acht dagen na de geboorte den doop ontving. In sommige provinciën werden zelfs door de Overheid verordeningen gemaakt tegen het late doopen, zooals bijv. in Drenthe, waar de voor dien tijd vrij aanzienlijke boete van tien goudguldens werd geëischt tegen ieder die langer dan veertien dagen met den doop van zijn kind wachtte. (MAGNIN, Overz. der Kerk. Gesch. van Drenthe, p. 133).

Een verandering in dezen toestand is eerst gekomen sinds de door Koning Willem I ingestelde „Algemeene Synode der Hervormde kerk" in 1817 een geheele reorganisatie van den eeredienst ter hand nam, en aan de Kerkeraden allerlei besluiten en raadgevingen ten dien opzichte deed toekomen. Om de beteekenis van deze reorganisatie te leeren kennen, zal men goed doen m.et Heringa's „Kerkelijke raadvrager en raadgever" na te slaan, waaruit men den geest leert kennen, die deze Synode bezielde. Het was de tijd, toen het Rationalisme de heerschappij in de kerk had verkregen en de orthodoxie, die reeds lang versteend was, zoo goed als overwonnen had. Dit Rationahsme met zijn innerlijken afkeer van alle heilige mystiek, gevoelde niets meer voor de diepere geestelijke beteekenis der Sacramenten en verlaagde ze van „teekenen en zegelen van Gods genade" tot plechtige handelingen der kerk om godsdienstzin en deugd aan te kweeken. En om nu het gebrek aan waarachtig geestelijk leven goed te maken en de innerlijke leegheid en .holheid van dit verstandsgeloof voor het oog der gemeente te bedekken, werd het gevoelsleven te hulp geroepen. Rationalisme en Sentimentaliteit gingen ook nu hand aan hand. Het was de tijd, dat Kinker de Kantiaansche philosophic aanprees en Rhijnvis Feith zijn grafzangen zong vol zuchten en tranen. Uit zulk een tijd en zulk een geest is het plan tot reformatie van onzen eeredienst geboren, en men behoeft niet te vragen welke vruchten zulk een pogen heeft opgeleverd.

Onze schoone liturgische formulieren, aangrijpend door stoeren eenvoud, werden in het gebruik verkort, besnoeid, soms geheel ter zijde gesteld. iVIen ging wedijveren in het uitdenken van allerlei nieuwe plechtigheden, waardoor men bij Doop en Avondmaal op het gevoel kon werken, de zenuwen kon prikkelen en de aandoeningen gaande maken. Men ging het Avondmaal bij voorkeur vieren op Goeden Vrijdag „den gedenkdag van Jezus' dood". Liefst deed men het in de avondure, omdat het schemerduister in de kerk, het flikkerend kaarslicht op de tafel enz, het gemoed week maakten en de plechtigheid verhoogden (HERINGA II p. 441).

En zoo nu ook ging men te werk met den Doop. De Synode achtte, dat de Doop veel te vaak bediend werd; van „bijgeloof'' was het haastig zoeken van den Doop niet vrij te pleiten. En ook een Doop, die

telkens bediend werd, maakte niet genoeg indruk. Daarom moesten de kerkeraden de gelegenheid tot doopen beperken. De weekdoopbeurten moesten worden afgeschaft, liefst vaste „doop-Zondagen" worden ingesteld, en nu en dan een opzettelijke dooprede worden gehouden. En dan, zoo vervolgde de Synode, „zal de indruk van den Doop nog vergroot worden, wanneer niet alleen de vader, maar ook de moeder met het kind mede ten doop komt." De kerkeraden moesten er daarom op aandringen, dat de moeders bij den Doop tegenwoordig waren (HERINGA I. p. 24). Mannen, hebben nu eenmaal niet zoo veel gevoel als de vrouwen, en de moeders zijn bij den Doop lichter tot tranen te bewegen dan de vaders!

De gemeente was helaas te verslapt, te ingezonken in haar geloofsleven, om tegen zulk een desorganisatie van haar^ eeredienst haar protest te doen hooren. Even stilzwijgend als men het juk der synodale hiërarchie zich op de schouders had laten leggen, even gedwee volgde men nu den weg, dien de Synode voor den eeredien.st voorschreef. Het vroeg-doopen onzer vaderen werd steeds meer uitzondering; het wachten op de moeder al meer regel. En er waren nog geen vijftig jaar verloopen, of de oude „Gereformeerde zede" was zoo geheel uit de heugenis van ons volk uitgewischt, dat men niet beter wist, of het was „Roomsch" om terstond met zijn kind naar den Doop te gaan, en „Gereformeerd, " om te wachten tot de moeder hersteld was. Tenslotte voegde de boekdrukker eigenmachtig zelfs den naam der moeder, naast dien des vaders, in de derde doopvraag van ons Doopsform ulier in. De moeder was er immers toch altijd bij.

Eerst toen, dank zij Gods genade, het Calvinisme in ons land weer begon op te leven en men gevoelde, dat men niet alleen in de belijdenis der waarheid, maar ook in den eeredienst der Kerk tot de oude, beproefde paden moest terugkeeren, kwam er verandering ten goede. De lange toespraken bij den Doop werden weer achterwege gelaten en het Doopsformulier onbesnoeid gelezen. De vaste „Doop-Zondagen" werden afgeschaft en althans eiken Zondag de gelegenheid tot den doop opengesteld. En ook kv/am men in enkele kerken er reeds toe, om door voorbeeld en prediking er weer op aan te dringen, dat de Doop niet weken zou worden uitgesteld ter wille der moeder, maar dat men bij de eerste gelegenheid zijn kind zou laten doopen.

En wat daarbij de voorstanders van den vroegen doop dreef, was in het minst niet een valsche repristinatie-zucht, of een slaafsch navolgen van al wat onze vaderen hadden gedaan, alsof het daarom reeds goed was, maar het feit dat men weer had leeren inzien de iuistheid van het Gereformeerde beginsel, dat de genadige verzegeling des Verbonds, dien God in den doop aan het kind geven wil, niet door onze schuld wekenlang mag worden vertraagd.

Gelijk van zelf spreekt, is deze terugkeer naar de oude Gereformeerde doopspractijk niet zonder strijd én moeite gegaan. De gemeenten, die jarenlang aan deze doopspractijk ontwend waren, zagen in dat zoeken van den vroegen Doop weinig anders dan Roomsch bijgeloof, en menig vader, die met zijn kind vroeg ten doop kwam, heeft er bespotting en verdachtmaking om moeten lijden. De moeders, die gewend waren zelve hare kinderen ten doop te heffen en die dit als een soort heilig recht beschouwden, waren niet het minst opstandig. Er werd zelfs een geheele theorie uitgedacht, die met allerlei Schriftuurplaatsen zich te dekken zocht, om aan te toonen dat de moeders de eigenlijke geestelijke verzorgsters waren van het kind; dat de vader slechts een zeer ondergeschikte plaats in de opvoeding bekleedde; en dat daarom de doopbelofte niet volkomen was, wanneer de moeder niet persoonlijk er in had meegestemd.

En aan de andere zijde, het valt niet te ontkennen, hebben de voorstanders van den vroegen Doop, wel eens te veel uit het oog verloren, dat de verandering van een zoo ingewortelde gewoonte met beleid moest geschieden. Men heeft in jeugdigen ijver wel eens met gev/eld willen doorzetten, wat alleen in den weg van overreding kon worden verkregen. Aan een punt van betrekkelijk ondergeschikt belang is een waarde gehecht, ais hing er de zaligheid aan. En naar het schijnt, is het beginsel hier en daar zoo op de spits gedreven, en zijn (jaaruit zoo dwaze consequentiën getrokken, dat de gemeente recht had om haar beklag te doen.

Het is deze quaestie, die Prof. Bavinck aanleiding heeft gegeven, nog eens een opzettelijk onderzoek in te stellen naar hetgeen de historie ons aangaande dit punt leert. Gelijk ieder stuk, dat uit de handen van Prof. Bavinck komt, zoo getuigt ook deze studie van groote belezenheid, wordt door hem een breed standpunt ingenomen, en is hij van eenzijdigheid aan beide zijden wars. Zijn hoofddoel is alleen, de a'. te ijverige drijvers van den vroegen Doop tot de orde te roepen. En voor zooverre zijn brochure daartoe medewerken kan, zal ze door ieder, die den vrede van Sion lief heeft, met ingenomenheid worden begroet.

Ook op dit punt is er, het mag gelukkig op den voorgrond worden gesteld, van een principieel verschil tusschen de theologen onzer kerken geen sprake. Want wel is het waar, dat de vroegere Christelijk Gereformeerde kerken, vooral ten plattelande, nog meestal den „vasten doop-Zondag" handhaafden, en daarmede een noodeloos uitstel van den Doop in de hand werkten, maar aan de Theologische School te Kamgen handelde en leerde men aldus niet. Het is bijv. bekend genoeg, dat Prof. Bavinck, bij den Doop van zijn eigen kind, het herstel der moeder niet afwachtte, maar het terstond liet doopen. En evenzoo, dat de hoogleeraar belast met het onderwijs in de liturgie, Prof. Biesterveld, op zijn colleges, de oude Gereformeerde doopspractijk principieel verdedigt. Kampen en de Vrije Universiteit gingen hierin dus volkomen accoord.

En evenmin is er geschil over de vraag, of bij dergelijke ondergeschikte punten tot behoedzaamheid en voorzichtigheid moet worden gemaand. Niet alleen Prof. Bavinck deed dit in de Bazuin, maar gelijk de heer G. de Leeuw indertijd in zijn brochure over „Doop en Dooperschen" met allerlei citaten aantoonde, evenzoo de hoogleeraar in het kerkrecht aan de Vrije Universiteit, Prof Rutgers.

En toch... zal niet • ieder, die Prof. Bavinck's brochure leest, den indruk ontvangen, dat hij, een onverstandige toepassing van een goed beginsel willende bestrijden, ongemerkt er toe gekomen is, om zijn vi^apenen tegen het beginsel zelf te richten.'

Het is wel waar, dat hij met nadruk zegt, dat de voorstanders van den vroegen Doop in onze kerken niet mogen verketterd worden, maar hij tracht dan toch op allerlei manier aan te toonen, dat hun beroep op de historie groofendeels onjuist is.

Reeds in den titel van zijn b.ochure komt dit uit. Volgens hem, en hierop komt, kort saamgevat, heel zijn betoog neer, hebben onze Gereformeerde kerken er steeds nadruk op gelegd, dat bij den Doop niet, gelijk de Roomsche kerk dit wilde, de getuigen, of peters en meters, als geestelijke verzorgers van het kind zouden optreden, maar de natuurlijke ouders, en dat dezen daarom de doopbelofte in de eerste plaats zouden afleggen. De tegenstelling gaat dus, zoo beredeneert hij, niet tusschen de aanwezigheid van vader of moeder bij den Doop, maar van ouders of getuigen. Het onloochenbare feit, dat in alle Gereformeerde K.O. en Liturgiën toch nooit de beide ouders bij den Doop genoemd worden, maar de vader alleen, is volgens hem te wijten niet aan eenig bezwaar tegen de aanwezigheid der moeder, maar aan de destijds algemeen bestaande gewoonte, om zoo vroeg mogelijk te laten doopen, waardoor de moeder van zelf verhinderd was er bij te zijn.

Deze „vroege Doop" was dus, volgens Prof. Bavinck, geen beginselzaak. Hij was voor een deel te verklaren uit nawerking van de vroegere Roomsche gewoonte, voor een deel concessie aan de practijk. Indien, zoo luidde dan ook zijn oordeel, onze vaderen gestaan hadden tegenover den tegenwoordigen toestand, waarin de Doop een paar weken wordt uitgesteld, om de moeder gelegenheid te geven er bij te zijn, dan is het zeer de vraag, of zij dien toestand zouden hebben afgekeurd. En tot bewijs hiervan haalt hij dan enkele kerkelijke bepalingen uit de i6e en 17c eeuw aan, waaruit zou moeten blijken dat onze Gereformeerde kerken reeds destijds er prijs op hebben gesteld, dat beide ouders bij den Doop tegenwoordig waren.

Het noemen van den vader alleen in onze K. O. en liturgie, bewijst dus, volgens hem, niets ten gunste van hen, die den vroegen Doop willen handhaven. Veeleer zou uit het Gereformeerde beginsel, consequent doorgedacht en toegepast op onze omstandigheden, moeten volgen, dat men wijs zou doen met den Doop uit te stellen tot dat beide ouders aanwezig konden zijn.

Prof. Bavinck mag nu deze laatste conclusie wellicht niet zoo scherp hebben uitgesproken noch zelfs bedoeld, maar volgt ze toch niet noodwendig uit geheel zijn betoog, en zou ze niet volkomen gewettigd zijn, indien de door hem gestelde praemissen juist waren.-' Wij vreezen dan ook, dat deze brochure, die als pacificatie-middel zich aankondigt, den strijd in de gemeente veeleer zal verscherpen, en dat alle aandrang van de zijde der predikanten, om den Doop niet noodeloos uit te stellen, keer op keer met een beroep op Prof. Bavinck's woord zal worden weerstaan.

Wat nu de brochure zelf aangaat, zoo behandelt Prof. Bavinck eerst in een zeer breed gedeelte, dat bijna de helft van zijn brochure inneemt, den doop met al wat daaraan verbonden is, van de eerste Christelijke kerk af tot aan de dagen der Reformatie toe. De verhouding van de besnijdenis van Israël tot die der Heidenen, van de besnijdenis tot den doop, van den doop van Johannes tot dien van Jezus, van den bejaardendoop der Apostelen tot den kinderdoop in later tijd; het catechumenaat, dat aan den doop der bejaarden voorafging en de roomsche ceremoniën, die bij den doop plaats vonden; de inrichting van den eeredienst der oudste christenen en de later opgekomen scheiding tusschen de missa catechumenorum et fidelium, worden breed en uitvoerig behandeld om dan ten slotte tot het resultaat te komen, dat Rome] bij den doop de ouders op zij schoof en dezen door geestelijke ouders of peters en meters verving. Nog (daargelaten nu, dat in dit gedeelte allerlei voorkomt wat slechts zeer zijdelings met het behandelde, onderwerp in verband staat, komt het ons voor, dat Prof Bavinck, vooral bij de schildering van het leven der eerste Christelijke Kerk, wel eens concession gedaan heeft aan de onder Schleiermacher's leiding gevormde school, die niet geheel vrij van bedenking zijn. Wanneer Prof. Bavinck bijvoorbeeld op pag. 24 zegt, dat de „Avondmaalsviering" bij de eerste Christelijke Gemeente „het jhart en middelpunt was van heel den Christelijken eerdienst", dan stem* hij hierin wel geheel overeen met de voorstelling, die bijvoorbeeld G. VON ZiczscHWiTi in ZÖCKLER'S Haiidbuch der Thegf: Wissenschaften T. IV. p. 24 enz. geeft, maar vergeet hij, dat onze Gereformeerden steeds hebben volgehouden, dat juist niet het Avondmaal, zooals Rome het wil, maar de prediking des Woords hart en middelpunt van den eeredienst bij de eerste Christen*» was en altijd zijn moet. Reeds uit den aard der zaak kan dit niet anders, omdat de sacramenten teekenen en zegelen bij het Woord Gods zijn en dus de prediking van dat woord; gelijk Luther het zoo juist uitdrukte: -„alles Gottesdienstes grösstes und vornehmstes stuck" is. Ongetwijfeld is Prof Bavinck dit van harte met ons eens, maar juist daarom moest een dergelijke uitdrukking, die licht tot misverstand aanleiding kan geven, liever niet door hem gebruikt zijn.

Wellicht is het aan de groote uitgebreidheid van dit eerste deel te wijten, dat het tijdvak der reformatie, in vergelijking met het voorafgaande, veel te stiefmoederlijk is bedeeld. Want wel heeft Prof. Bavinck op meesterlijke wijze uiteengezet, waarom onze reformatoren het Getuigenstelsel van Rome veroordeeld hebben, en hoe hun geheel andere opvatting van den Doop in verband met het Genadeverbond medebracht, dat zij de natimrlijke rechten der ouders herstelden; maar het eigenlijke punt waarop het aankwam, te weten of volgens de reformatoren de vroegdoop eisch was, en of de moeder bij den Doop al dan niet kon gemist worden, wordt slechts met enkele woorden afgedaan. Prof Bavinck erkent n.l., dat in de verschillende K.O. en hturgiën op spoedigen Doop wordt aangedrongen, en dat alleen de vader genoemd wordt. Maar hij deelt niet mede, wat Calvijn en onze voornaamste theologen hierover schreven, evenmin als hetgeen in de oudere K.O. en liturgiën over dat punt te vinden is; en stelt zijn lezers zoodoende 7tiet tot een zelfstandig en onpartijdig oordeel in staat.

Des te meer aandacht wordt daarentegen geschonken aan de besluiten van enkele Nederlandsche Synoden, zoowel generaal als particulier, uit lateren tijd, en aan enkele schrijvers, die als dogmatici onder de grootheden van den derden en vierden rang tellen, als Johannes de Swaef en Jac. Koelman. Maar het meest is het te betreuren, dat Prof. Bavinck, nu hij eenmaal de tegenstelling „ouders óf getuigen" tot onderwerp koos, niet dieper is ingegaan op het vraagstuk, dat voor onze kerken ook nu nog van zoo hoog belang is, in hoeverre namelijk volgens het Gereformeerde kerkrecht ook thans nog getuigen bij den den Doop moeten worden toegelaten, bijv. wanneer de ouders geen belijdenis des geloofs hebben afgelegd. Ook is de gansch verschillende opvatting van het getuigenstelsel, die men vindt bij Calvijn, a Lasco, onze oude Synoden en Voetius, dientengevolge niet voldoende tot haar recht gekomen.

Ernstiger bezwaar is ons echter, dat Prof. Bavinck in heel deze brochure den staat van het geschil, waarom het gaat, niet met genoegzame juistheid heeft voorgesteld. Reeds in den aanvang wordt uit enkele opgevangen geruchten een caricatuur geteekend van de voorstanders van den vroegen Doop, waarin deze hun beeld moeilijk zullen herkennen. En op dezelfde wijze gaat het heel deze brochure door. De voorstanders van den vroegen Doop worden overal voorgesteld als een soort „vrouwenhaters, " die geen oog zouden hebben voor de hooge roeping der vrouw bij de opvoeding van haar kind; miskennen zouden, dat in Christus „man noch vrouw" is; op schromelijke wijze de rechten van den man zouden overdrijven; en daarom principieel en absoluut de moeder van den Doop zouden willen buitensluiten. Nu zijn er allicht ook ten deze excessen voorgekomen, die tot zulk een voorstelling aanleiding hebben gegeven, en indien het Prof Bavinck alleen te doen ware geweest, om deze excessen met den geesel der satyre te striemen, dan zou hij ten volle in zijn recht zijn geweest. Maar nu zijn betoog zich niet alleen tegen enkele buitensporigheden richt, maar tegen de voorstanders van den vroegen doop in het algemeen, nu is deze voorstelling toch allerminst billijk.

De vraag waarom het hier gaat is niet, of de moeder per se van de doopbelofte moet worden buitengesloten, wat zeker geen enkel verstandig mensch beweren zal, maar of het geoorloofd is ter wille van de moeder den doop weken, ja soms maanden uit te stellen?

Wat de voorstanders van den vroegen doop drijft, is in geen enkel opzicht een mindere waardeering van de roeping, die God aan de moeder in de opvoeding van haar kind heeft opgelegd, maar de eisch van het gebod Gods, dat de Doop niet noodeloos mag worden vertraagd.

Al wat Prof. Bavinck dus aanvoert om te betoogen, dat de Geref. kerken steeds ook met de moeder rekening hebben gehouden bij de opvoeding van haar kind, heeft hun volle sympathie, maar het raakt het geschil niet. Of om dit geschil in zijn meest eenvoudigen vorm voor te stellen: Zou er iemand worden gevonden, die, gesteld dat de moeder reeds enkele dagen na haar bevalling sterk genoeg was om mede ter kerk te gaan, haar dan een eereplaats naast haar man weigeren zou en het niet ook als haar plicht zou beschouwen de doopbelofte af te leggen.?

Maar nu dit veelal niet zoo is, en de volkomen herstelling der moeder in den regel drie a vier vi^eken duurt, is de eenige vraag, waarop het hier aankomt, deze: of de tegentvoordigheid der moeder bij den doop zoo onmisbaar is, dat de doop van het kindeke daarop wachten moet?

Op die vraag antwoorden de voorstanders van den vroegen doop met neen, i". omdat in Gods Woord geen enkel bewijs te vinden is, dat de moeder bij den Doop tegenwoordig moet zijn; 2". omdat onze K. O. en liturgie van zulk een noodzakelijkheid evenmin weten; en 3". omdat een door de Haagsche Synode ingevoerde gewoonte voor onze Geref kerken allerminst een grond oplevert om daarop die noodzakelijkheid te bouwen,

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Recensie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1901

De Heraut | 4 Pagina's