„Trek het uit en werp het van u.”
Indien dan uw rechteroog u ergert, trek het uit, en werp het van u ; want het is u nut, dat één uwer leden verga en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen worde. Matth. 5 : 29.
Zonderling !
Eertijds was hel de Kerk die aan de wereld het Evangelie predikte en haar opriep tot bekeering. Thans daarentegen worden de rollen omgekeerd, en gaan er almeer stemmen uit de wereld op, die aan de Kerk verwijten, dat zij het Evangelie vergeten is en het spoor van Jezus verliet.
In de i6e eeuw zag men soortgelijk verschijnsel.
Eerst had de Kerk aan onze heidensche voorvaderen het Evangelie gebracht, en zoo waren de toenmalige geslachten gekerstend. Maar in de i6e eeuw traden onze vaderen tegen de Kerk op, om haar van verzaking van Gods heilig Woord aan te klagen, en de Kerk terug te roepen naar den Christus.
En juist zoo gaat het nu weer.
Het grooter deel van het thans levend geslacht is van de Kerk vervreemd geraakt. In eigen tente teruggetrokken, is toen de meer ernstige groep dezer kerkschuwen op eigen hand begonnen, het Evangelie te lezen. En die simpele lezing van het Evangelie heeft tal van vrouwen en mannen van hoogen aanleg tot de overtuiging gebracht, dat de Kerk, laat ons nu maar zeggen, het eigenlijke Evangelie in de Schrift heeft overgeslagen, en dat het alsnu hun roeping is, dat goud dat verdonkerd was, vveer in zijn glans te doen glinsteren, en niet alleen de afgedoolde wereld, maar in de eerste plaats zelfs de Kerk naar het Evangelie van Jezus terug te roepen
In pakkende, boeiende geschriften wordt deze overtuiging romantisch ingekleed. Vooral in de EngeU.ch-sprekende vi^ereld van Groot Brit tanje en Amerika wint die overtuiging veld. Talentvolle, haast kan men zeggen, geniale schrijvers treden als de apostelen van deze nieuwe richting op. En wat u deels goed doet, deels u bedroeft, maar in elk geval uw volle opmerkzaamheid verdient, de pleitredenen van deze richting worden door het meer ontwikkeld publiek in massa verslonden. In tal van kringen is het de lectuur van den dag.
Strekking van deze lectuur is, om u met Jezus m aanraking te brengen, om u uit de Evangeliën een beeld van Jezug in te prenten, dat u zelfverloochening, wereld verloochening en zinnenverioochening ten plicht stelt, en u, met dat beeld van Jezus voor u, poogt te overtuigen, dat de Kerk Jezus nooit recht heeft gehad; dat de Kerk ook wat ze nog van Jezus gehad heeit, kwijt is; dat de Christus dien de Kerk predikt, in niets gelijkt op den werkelijken Jezus, gelijk de Evangeliën ons dien teekenen; en dat alzoo niet alleen de wereld, maar in de eerste plaats zelfs de Kerk zich van haar valschen Christus tot den wezenlijken Jezus heeft te bekeeren.
Kan de Kerk van Christus zich hierbij doof houden ? Heeft ze het recht tegen dit ge roep het oor dicht te stoppen ? Kan ze de scherpe aanklacht, die tegen haar uitgaat, staande bij het Kruis van haar Heiland, zegevierend afwijzen ?
Ten deele zeer gewisselijk.
De nieuwe richting van dit ascetisme en practicisme dat zich in Tolstoï, den Rus, of in Ruskin en Sheldon op Jezus beroept en laatdunkend op „Christus' Kerk" neerziet, lijdt aan doodelijke oppervlakkigheid, speelt met bloem en blad zonder ooit naar den wortel te vragen, leest in de Evangeliën heen over de diepste uitspraken van onzen Heiland, en begaat de stuitende dwaasheid, te beweren, dat ze Jezus beter verstaan en klaarder begrepen heeft, dan zijn eigen discipelen.
Ze vervalscht het beeld van den Heiland der wereld in dat van een ascetischen philanthroop.
Ze verstaat het niet, als Jezus zijn van God ontvangen roeping saamtrekt in het wijzen op den beker der dankzegging, symbool van zijn bloed, dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonde. Ze begrijpt niets van wat Jezus voor Caiaphas betuigde, dat hij was de beloofde Messias en dat zij van nu aan zien zouden den Zoon des mcnschen komende op de wolken des hemels. Thabor is haar een legende. De jubel der verrijzenis van den Christus is haar het gejuich eener misleide verbeelding. Ze tuurt ^ zich blind op Je.'us' plechtige verklarmg, dat niemand den Zoon kent dan de Vader, en dat niemand den Vader kent dan de Zoon, en wien het de Zoon wil openbaren. Dat Jezus lot den Vader ging en van den Vader aan zijn jongeren den Heiligen Geest zou zenden, en, als 's werelds loop voleind was, op de wolken zou wederkeeren, zijn getuigenissen die voor haar niet geschreven staan, en waar ze over heen leest.
Ze wil redden, niet als Jezus van de eeuwige verdoemenis, maar uitsluitend van op aarde teleden leed.
Ze verstaat noch het mysterie van het Eeuwige Wezen, noch het diepe mysterie der zonde, en blijft staan bij krankheid en armoede en menschelijk verdriet.
Haar strijd gaat tegen misbruik van weelde en hardvochtigheid, maar Satan kent ze niet.
Kortom, ze klampt zich vast aan wat bij Jezus de buitenzijde van zijn optreden was, zonder ook maar op één punt tot de kern van zijn persoon, van zijn Konmkrijk en van zijn toekomst door te dringen.
Ze predikt u een Jezus voor de sociale nooden onder de heerschappij van het Mammonisme, maar is blind voor den nood der zielen.
Ze treedt op met het stout beweren, alsof ze den Christus beter kende dan de Kerk, en ze blijft staan bij zijn uitwendige verschijning, in zijn gewoon optreden, zonder op de hoogtepunten van zijn leven ook maar iets van zijn Goddelijke roeping te verstaan.
En toch, er ligt in haar getuigenis óók een deel onmiskenbare waarheid, en de Kerk van Christus heeft voor dit deel der waarheid aan den ernst van haar boetpredildng het oor te leenen.
Want ja, het is waar, dat de prediking van Jezus die in de Evangehën töt ons komt, in de prediking der Kerk al te zwak naklinkt, en dat de brieven der apostelen, veel meer dan de Evangeliën, den leidraad voor onze predicatiën leveren.
De gelijkenissen kan men uitzonderen, maar voor het overige wordt de Gemeente in haar samenkomsten veel meer onder het gehoor der apostelen, dan onder de rechtstreeksche prediking van Jezus gebracht.
Tien predikatiën zullen ontleend zijn aan de apostolische brieven, tegen één aan het woord van Jezus zelf uit de Evangeliën.
Voorzoover de wondere genezingen van Jezus ter sprake komen, worden ze meestal terstond geestelijk omgezet.
De verhouding waarin Jezus, de drie jaren van zijn omwandeling op aarde, zich tot de bevolking van het toenmalig Palestina plaatste, levert niet dan zelden de stof voor doordringend vermaan, ter rechtzetting van onzen wandel.
Op den Christus in het heiligdom daarboven wordt aller aandacht gericht; op den Christus gelijk Hij op aarde gezien en gekend is, wijst de prediking veel minder.
Meer Redder, dan richtsnoer, is de Christus die in de vergadering der geloovigen de saamgekomenen bezielt.
Een aanmerkelijk deel der Evangeliën is een veld gebleven dat nog braak ligt.
Het Evangelie is gepredikt, de Evangeliën zijn veelszins een gesloten boek gebleven.
En, gelijk het dan gemeenlijk gaat, dan komt er bij reactie een nieuwe richting op, die, voor het Evangelie doof, eenzijdig naar de Evangeliën de aandacht trekt.
Der Kerk tot verharding, zoo ze er het oor voor dicht stopt, maar aan de Kerk ten zegen, zoo ze winste doet met wal men haar verwijt.
Toch is het verzuim der Kerk hier begrijpelijk.
Wat ons van Jezus gesprekken met zijn jongeren en met de schare is overgeleverd, draagt bijna altoos den vorm van het volstrekte. Het is gekleed in den vorm van het meest absolute radicalisme, en in den regel symbolisch ingekleed.
Als Jezus u zegt, dat ge leenen zult aan hem die er u om vraagt, voelt ieder terstond, dat dit in dien letterlijken zin niet uitvoerbaar is. Immers zelfs wie tienduizenden bezat, zou bij de onbeschaamdheid der vragers in korten tijd doodarm zijn, en met vrouw en kind gebrek lijden. Als Jezus zegt, dat ge niet nooden zult, die u weder nooden, maar alleen hen, die u niet vergelden kunnen, zou, hieldt ge u aan de letter, alle vriendschappelijk verkeer, alle familieleven, alle gezellig samenzijn worden afgesneden, terwijl toch Jezus zelt herhaaldelijk aan den bruiloftsdisch en aan andere maaltijden aanzat.
Als Jezus zegt: wie u den mantel neemt, laat hem ook de rok, zou letterlijke toepassing van dien regel, bij het wandelen door een arme buurt, u straks half naakt op straat doen staan.
En als Jezus nog verder gaat, en u zegt, dat ge uw hand zult afkappen, en uw oog zult uitrukken als hand of oo^; u ergert, is het duidelijk, dat bij de verleiding die voor hand en oog eiken dag bestaat, in minder dan geen lijd, heel de gemeente van Christus, zoo ze letterlijk daarnaar handelde, bestaan zou uit blinde en handelooze personen, die omkwamen in gebrek.
Zeer terecht heeft men dan ook begrepen, dat dit alles niet in dien letterlijken zin kan bedoeld zijn. Als men spreekt van splinter en balk, vat een ieder wel, dat er niemand is die een balk in zijn oog draagt, zoodat, letterlijk opgevat, dit woord ons niets zou zeggen. En als Jezus zegt: „Als uw rechteroog u ergert, trek het uit", rijst vanzelf de vraag: waarom alleen het rechteroog 1 alsot men met zijn linkeroog, of linkerhand, niet evengoed kon zondigen.
Niet daarin ligt dus de schuld der kerk, dat ze al zulke uitspraken niet in letterlijken zin heeft aangedrongen. Tolstoï en de zijnen heb ben ook hun oogen niet uitgerukt, noch hun beide handen afgekapt. De forsche uitdrukking kan hier niet letterlijk gewild zijn. Anders had Jezus zijn eigen discipelen, den één na den ander, moeten verminken.
Maar dit is de fout, dat waar letterlijke toepassing niet bedoeld kan zijn, naar de wezenlijke, dieperliggende bedoeling te weinig gevraagd is, en dat Gods kinderen er zich aan hebben gewend, over zulke uitspraken kortweg heen te lezen, als hadden ze hun niets te zeggen.
Het radicalisme van Jezus, dat in zinlijken vorm was uitgedrukt, om forschen indruk te maken, heeft men om dien geweldigen vorm, opzij geschoven, en men is voor zijn woord, als stond het niet geschreven, met een toegestopt oor voorbijgegaan.
En daarop moet de Kerk terugkomen, wil ze het gevaar afweren, dat uit de nieuwe richting voor haar dreigt.
Ze moet Jezus weer spreken laten gelijk hij sprak; den zin en de bedoeling van zijn woord loswikkelen uit de krasse, korte vormen; en het der Gemeente verstaan doen, dat wie het radicalisme tegen de zonde en het ongeloof niet aandurft en in eigen leven toepast, tekort schiet in liefde voor zijn Heiland.
Jezus is geen ascfet geweest als Johannes de Dooper; zelfs schold men hem een vraat en wijnzuiper.
Maar in de richting, die Jezus aan het leven van zijn verlosten gaf, staat cordaatheid en beslistheid tegen de zonde steeds, in elk opzicht, op den voorgrond.
En hi: l IS die cordaatheid en beshstheid, die in het vermaan der kerk vaak al te zeer ontbreekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1901
De Heraut | 4 Pagina's