Dr. Bavinck's Dogmatiek voltooid.
Amsterdam, 14 Juni 1901.
Het vierde deel van Dr. Bavinck's Dogmatiek ontvingen we eerst den 3den Juni, en daar op dien dag de inhoud van ons eerstvolgend nummer reeds geheel vol was, kunnen we thans eerst onze ingenomenheid met de voltooiing van dit belangrijk werk uitspreken.
Schrijver dezes, die aanleiding had, om zelf van de Dogmatiek eenige studie te maken, is misschien beter dan menig ander in staat, om de hooge beteekenis van dit werk te waardeeren. En dan sta het hier dankbaar uitgesproken, dat dit uitgebreide en met zorg geschreven werk, na de Moor's commentaar op a Marck, de eerste wetenschappelijke uiteenzetting van de Gereformeerde Dogmatiek is, die hier te lande verschijnt. Dat in dit werk, dank zij de aansluiting ervan aan ons hedendaagsch denkbewustzijn, een wel gefundeerd getuigenis voor de Waarheid uitgaat, dat ook in meer intelHgenten kring overtuigen kan. Dat de Gereformeerde lijnen der belijdenis in dit werk duidelijk en in hoofdzaak juist zijn blootgelegd, zonder dat een oogenblik die lijnen los zijn gemaakt van den algemeen Christelijken bodem, waarop ook de Gereformeerde kerken staan en leven. Dat de geschiedenis van het dogma in dit werk zoo breedvoerig is opgenomen, dat het voor Dogmatiek én Dogmengeschiedenis beide dienst doet. Dat de hoofdproblemen in dit werk zoo helder op den voorgrond zijn geschoven, dat er orde in den chaos van quaestiën en geschilpunten is gebracht. Dat dit werk voor de studeerenden eene zoo rijke aanwijzing van de dogmatische en philosophische litteratuur bevat, dat het tevens den practischen dienst bewijst van in de Bibliographic in te leiden. Dat, wat meer zegt, geheel dit breede werk niet anders bedoelt, dan de openbaring der Heilige Schrift, in aansluiting aan de historie der kerk, zuiver en bondig uit te leggen en ineen te zetten, en daardoor vanzelf Gereformeerd in zijn opvatting is. En eindelijk, dat dit werk eene uiteenzetting der v/aarheid geeft, die, hoezeer op geheel zelfstandige wijze bewerkt, in alle hoofdpunten geheel overeenkomt met wat omtrent tal van dogmatische vraagstukken, ook in ons blad is aanbevolen.
Dat het ontvangen van zulk een werk de kerken verrijkt, den Gereformeerden invloed bevestigt, aan onze mannen van studie een schat ter beschikking stelt, en een machtigen stoot geeft aan de handhaving van ons goed en deugdelijk recht, ook op het gebied dsr wetenschap, volgt hier vanzelf uit.
Het stemt tot dank aan den Koning der Kerk, die ons in Dr. Bavinck, in Zijn Vrijmacht, een zoo helder denkend hoofd, en een man van zulk een werkkracht gegeven heeft. Iets wat ons te m.eer behoefte is uit te spreken, opdat niemand wane, dat onze waardeering van Dr. Bavinck's wezenlijke verdiensten bij ons geleden zou hebben door de stelselmatige oppositie, die onder hem als hoofdredacteur, de laatste jaren in de Bazuin tegen ons gevoerd is.
We laten het aan geesten van andere constellatie over, ter wille van bijzaken de hoofdzaak op den achtergrond te schuiven. En al verhelen we niet, dat we harmonie missen tusschen den schrijver van dit monumentale werk en den hoofdredacteur van genoemd weekblad, — dat weekblad is als een dagvlinder vergeleken bij het blijvend karakter van dit uitnemende werk. En daarom weigert onze pen, ook maai; iets op de uitnemendheid van dit werk af te dingen om wat ons in den redacteur, ter wille van den vrede der kerken, bedroeft.
Natuurlijk is hiermede niet gezegd, dat er tegen één en ander in dit werk geen bedenkingen zijn temaken, noch ook, dat er niet hier en daar voorstellingen van de waarheid in voorkomen, die o. i. niet geheel zijn wat ze wezen moesten. De onfeilbaarheid is niet der Gereformeerden pretentie, en in eenvormigheid is nooit door ons sterkte gezocht. Ook op den aanleg van het werk zijn terecht aanmerkingen gemaakt. Stond ons een wetenschappelijk tijdschrift ten dienste, en ware er tijd te vinden, zoo zou het ons een voorrecht zijn, dit alles in bijzonderheden aan te toonen. In een weekblad als de Heraut daarentegen is het voegzaam, dat het gevoel van bewondering niet door de critiek overstemd worde.
Slechts op één punt moeten we v/el de aandacht vestigen, omdat Dr. Bavinck ons blad, wat dit punt betreft, opzettelijk ter sprake brengt.
Hij schrijft namelijk op blz. 269 van dit 4de deel:
Hier te lande trachtte Dr. Kuyper het objectief karakter van den doop te handhaven, door er een bijzondere genade aan toe te kennen. Deze bestaat niet in de wedergeboorte, welke bij den doop ondersteld wordt en dus niet meer behoeft geschonken te worden, maar in een bijzondere, anders niet te verkrijgen weldaad, nl. in de inlijving in het lichaam van Christus, of liever in de inplanting in ons geloof van de hebbelijkheid of den drang, om niet op ons zelf te staan, maar om ons één te voelen met heel het lichaam van Christus.
Deze voorstelling van ons gevoelen, die Dr. Bavinck natuurlijk niet aanvaardt, eischt op zichzelve correctie. Dat de genade, die in den Doop ons toekomt, „een anders niet te verkrijgen weldaad" zou zijn, ligt verre van onze bedoehng. Gods vrijmacht, om wat Hij in den regel instrumenteel door een middel, daartoe door Hem verordend, doet, desvereischt ook zonder dat middel te kunnen doen, is nooit door ons betv/ist. Veeleer staat onze overtuiging vast, dat God de Heere machtig is, om, mits onzerzijds geen verachting van het verordende middel aanwezig zij, en de noodzakelijkheid het gebruik van het middel uitsloot, ons dezelfde genade ook onmiddellijk te doen toekomen. Dat geldt bij het Heilig Avondmaal voor kranken en zeevarenden, en zoo ook bij den Heiligen Doop voor het wicht dat bezwijkt in de geboorte. Wat we alleen staande hielden was, dat het Sacrament niet alleen redelijk werkt door onze herinnering, door onze voorstelling en door ons gevoel, maar dat, gelijk onder de prediking van het Woord, zoo ook bij het Sacrament, een verborgen werk van den Heiligen Geest plaats grijpt in den geloovige, die het Woord of het Sacrament ontvangt. Of om het duidelijk te onderscheiden, dat zich aan de redelijke werking een bovennatuurlijke werking paart, gelijk Calvijn sprak van een Supernaturale privilegium (Appendix ad Interim, p. 679), of gelijk hij duidelijker nog in zijn Institutie, IV. IS, 14, zich uitliet, toen hij schreef: „Neque tantum mcdo spectaculopascit oculos, sed in rem praesentum nos adducit, et quod figurat, efficaciter simul imp let." Wat zeggen wil, dat God in het Sacrament niet alleen onze oogen met een bloote aanschouwing verkwikt, maar ook onszelven trekt naar wat voorgesteld wordt, en tegelijk daadwerkelijk ons vervult met datgene wat Hij (in zijn Sacrament) ons afbeeldt.
Verder gaan we hierop niet in, daar, nu de gemeene Gratie ten einde loopt, vanzelf zich de gelegenheid zal voordoen, om ook dit punt nader toe te lichten. Zelfs zouden we, indien ons blad niet met name genoemd ware, met geen woord hiervan in deze aankondiging van dit grcotsche werk gerept hebben.
Ook zoo echter doet dit geschilpunt in geen enkel opzicht afbreuk aan den lof, door ons in deze aankondiging aan deze Dogmatiek toegekend.
Steeds was het onze overtuiging, dat in de Gereformeerde kerken vrijheid van feestelijke be-weging moet bestaan. Niet in het elkander napraten, maar in het zelfstandig onderzoeken ligt de opbouv/ende kracht. En als dan, gelijk hier, blijkt, dat waar na~ëen slaap van meer dan een volle eeuw, de Gereformeerde Dogmatiek weer opwaakt, en ze, van twee zijden zelfstandig toegelicht, nochtans tot zulk een verrassende eenheid van resultaat leidt, dan is er o. i. overvloedige stof tot dank en tot aanbidding, en vindt de ons gemeenschappelijke belijdenis in deze éénheid van resultaat, bij zoo geheel verschillenden gang van het onderzoek, een niet genoeg te waardeeren bevestiging.
Indien zich in onze kerken, voor wat de hoofdlijnen der Dogmatiek aangaat, principieel verschil van gevoelen openbaarde, zou er vreeze kunnen ontstaan voor een gevaar dat onze eenheid bedreigen kon. Nu daarentegen ook uit dit werk op zoo afdoende wijze blijkt, dat dit niet het geval is, zou het een tekort ia ernst, in heilige bedoehng en karaktervastheid verraden, indien de hope voor de toekomst onzer kerken niet ongeschokt bleef.
Om het kleine en bijkomstige verdeelden de kerken zich alleen in tijden als de geest der kleinzieligheid macht over de voorgangers verkreeg; niet in dagen als de onze, nu de aanval op de Christelijke waarheid zoo vroeger ongekende evenredigheden aannam, en ons allen saam daardoor tot heiligen ernst ook in den boezem onzer kerk maant.
We eindigen daarom met Dr. Bavinck geluk te wenschen, dat het hem gegeven werd dit werk te voltooien, en danken hem met warmen handdruk voor de kostelijke bijdrage, die hij bood voor het intelligente leven op het Gereformeerde erf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1901
De Heraut | 4 Pagina's