Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Eeredienst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eeredienst.

12 minuten leestijd

LXXIV.

Uit de aangewezen verhouding, die bij de Predicatie tusschen de dienaren der gemeente bestaat, volgt van zelf, dat de predicatie in den regel toespraak moet zijn, en dat het hoofdkarakter niet in een eigenlijke rede moet worden gezocht. De rede is voor hoorders, de toespraak heeft haar plaats in vertrouwden kring. Hiermede is niet gezegd, dat de predicatie niet in enkele omstandigheden meer het karakter van een rede kan aannemen; maar doorgaande moet het toch zijn en. blijven een spreken in en tot de gemeente omtrent hetgeen zij belijdt, en alzoo omtrent iets, dat niet nieuw tot haar komt, maar reeds op den inventaris van haar heihg bezit voorkwam. Een goed prediker zweeft niet met oog en woord over de gemeente heen, maar ziet haar aan, is met haar bezig, en spreekt haar toe. Hij is niet als een arts, die een demonstratie in de 1 ijkkamer geeft, maar als een arts die aan het ziekbed staat, en de kranke ontdekkend onderzoekt en hem dient van raad, vermaan en voorHchting.

Lange expositie van feiten of stellingen, met kort aangehechte toepassing, is daarom met het wezen der predicatie in strijd. De toepassing mag niet de sloep achter het schip zijn. Veeleer ligt in de toepassing het eigenlijk doel der predicatie. Geheel de dienst des Woords grijpt plaats, met het doel om de gemeente te stichten en op te bouwen. Ze is niet als een steenbakkerij, waar de steenen gebakken worden en op hoopen gestapeld liggen, en waar wie koopen wil, ze kan komen weghalen; maar ze is het aanwenden van den gereeden steen voor den bouw zelf Het is de gemeente Gods, die niet kan blijven staan waar ze staat, maar die verder moet worden gebracht. Die moet worden gesticht en gebouwd, zóó dat de muren des heils en des geestelijken levens in haar midden hooger rijzen. Wat de worsteling van het leven of allerlei zonde afbrak, moet weer worden recht gezet en opnieuw gebouwd.

Dat stichten, bouwen en verder brengen van de gemeente, moet op elk terrein door gaan. Ze moet ia kennisse van de waarheid verder komen. Ze moet in het recht verstand van die kennisse worden ingeleid. Ze moet worden gewaarschuwd tegen de geesten der dwaling die rondsluipen. Ze moet worden gewapend tegen de gevaren, die uit den tijdgeest dreigen Ze moet meer worden geoefend in haar eigen geestelijk bestaan, om haar aan zich zelf te ontdekken, of haar geestelijk bestaan wel conform den wil des Geestes is. Ze moet uit den schijn gedurig naar het tvezen worden teruggeroepen, van het werktuigelij ke naar de volle realiteit van het koninkrijk Gods. Ze moet worden gesterkt tegen de inwonende zonde in het eigen hart, en tegen de verleidende zonde, die van buiten in haar poogt te dringen. Ze moet in haar geloof gedurig aan den tand worden gevoeld, of dit geloof wel innig en rein blijft. Ze moet tot belijdenis worden geprikkeld en bekwaamd. Ze moet gewezen worden op haar roeping, om die belijdenis op elk terrein des levens in het leven zelf te doen plaats hebben. Kortom, zoo als de belijder van den Christus in zijn positie tegenover de wereld staat, en geroepen is, om met heel zijn ziel, heel zijn hart en al zijn kracht, zijn liefde voor zijn God te betoonen, aldus moet de predicatie eiken Zondag de moegestreden gemeente opvangen, om haar opnieuw den pijlkoker te vullen voor den strijd, die haar in de week, die inging, in hart en huis, in levenskring en wereld wacht.

Dit alles nu is zonder indringen in de persoonlijk zeer onderscheiden behoeften der gemeente niet denkbaar. Ook de krankheden in de gemeente zijn niet altoos dezelfde. Ze verschillen in de eene gemeente van die in de andere gemeente. Ze verschillen in den éénen tijd van die in den anderen tijd. Ze verschillen bij verschillende maatschappelijke standen. Ze verschillen voor de verschillende leeftijden. Ze verschillen naar de vorderingen die in godzaligheid zijn gemaakt. Ze verschillen ook naar de omstandigheden, waarin de gemeente verkeert. En niet minder naar den stand van algemeene menschelijke ontwikkeling.

Gelijk in een hospitaal op de bedden allerlei soort kranken liggen, zoo zijn er ook in de saamgekomen gemeente velerlei ziektegevallen te onderscheiden. Bij velen is nog geen bepaalde ziekte te constateeren, maar staat men voor een algemeene verzwakking, voor een geestelijke anemie, of voor een geestelijk nerveus lijden, zoodat meer prophylactisch en hygiënisch dan medisch moet worden te werk gegaan. En waar ziekte, waar bepaald rehgieuse of ethische krankheid te constateeren viel, zal die óf een deel der gemeente meer epidemisch hebben aangegrepen, of, ter oorzake van bepaalde toestanden, een meer persoonlijk karakter hebben aangenomen. Maar in elk geval niet heel de bevolking van het hospitaal is met een panacee te redden. Geen dokter die aan de deur van het hospitaal één recept voor allen zal afgeven.

Alles komt dus op de diagnose aan.

De predikant moet zijn gemeente kennen, hij moet in de pathologie van het gemeenteleven thuis zijn. Het verloop van elke geestelijke krankheid moet hij hebben bestudeerd. Dit moet hem in staat stellen, de kenteekenen der onderscheiden krankhede.i te onderkennen. En naar gelang hij deze kenteekenen der onderscheiden geestelijke krankheden in zijn gemeente heeft leeren onderscheiden, moet de predikant haar de daarbij passende medicijn toedienen.

Altoos moet het Evangelie gepredikt worden, zeer zeker. Maar liet Evangelie prediken is geen eentonige repetitie geven van altoos hetzelfde, maar als door een prisma al de rijke tinten van de lichtstralen des Evangelies schitteren laten.

Wie ter kerk komt, denkende dat hem niets scheelt, moet onder de prediking zelf gaan ontwaren, dat het niet in eik opzicht wel met hem is. Wie tvisi, dat het niet goed met hem was, en daarom op eigen hand was gaan medicineeren, moet onder de prediking er achter komen of zijn medicatie de juiste was, of wel, dat hij het anders moet aanleggen. Wie hulpeloos nederzit, moet op hetzelfde oogenblik door de predicatie het medicijn ontvangen. Een levensregel moet naar den verschillenden aard van aller behoeften voorgeteekend worden. De kranke moet gevoelen, dat de prediker werkelijk keimer van het menschelijk hart, kenner van de nooden des geestelijken levens, kenner van de krankheden der ziele is, en kenner tevens van het medicijn en van den levensregel, die tot genezing van deze krankheid leiden kunnen.

Een onder.scheidenlijk spreken tot bekeerden en onbekeerden, is evenzoo eisch, maar dit put het „onderscheidenlijke" nog volstrekt uit. De verschillen gaan veel verder en zijn veel fijner, liggen veel dieper. En als de prediker hier niet op ingaat, moge hij de huid was.schcn, maar hij dringt niet in de verborgen organen van het leven in, en kan daarom niet besturend en richtend op het leven inwerken.

En toch, juist de ontwaring, dat de prediker u'cu soort leven kent, 2nv geestelijken toestand doorziet, uw worstelingen verstaat, mv zwakheden doorgrondt, de klippen kent, waarop gij' gedurig stoot, en de kunst u aanwijst, om er aan te ontkomen, boezemt dat vertrouwen, die intimiteit in, die elke predicatie boeiend en interessant maakt, en dwingt tot luisteren en tot het in practijk brengen van wat vernomen werd.

Gelijk van zelf spreekt, mag dit in de prediking niet persoonlijk in engeren zin toegaan. Daarvoor is het huisbezoek. Een prediker, die eenig persoon in de gemeente als met den vinger aanwijst, verhardt in plaats van te winnen; althans zoo de zonden van dien bepaalden zondaar openbaar zijn. Wel behoeft hij zijn vermaan tegen eenige zonde, niet te sparen, omdat er in de gemeente iemand is, die algemeen bekend staat er in vervallen te zijn. Maar toch, de opzettelijke bedoeling, om dezen of dien zondaar van den kansel af, voor het oog der gemeente af te straffen, doet altoos kwaad, nooit goed.

Hij moet niet personen, maar typen bespreken; typen, waarin de personen zich zelve herkennen, zonder dat iemand bepaaldelijk in het oog loopt. Nu is dat in een groote gemeente zeker gemakkelijker, dan in een kleine gemeente, en vooral in een zeer kleine gemeente moet men zeer voorzichtig zijn. Maar evenmin mag de zucht om personen te sparen, er toe verleiden, om Gods gebod te verzwijgen of de wonden toegedekt te laten.

Doch hoe dit ook zij, uit wat we aanvoerden blijkt in ieder geval, dat de toon der prediking steeds een vertrouwelijk, een intiem, een innig karakter moet dragen, en bovendien niet dan bij hooge uitzondering redevoering in hoogeren zin mag zijn. Een deel der predicatie, b.v. als een stuk der waarheid wordt aangeprezen, de tijdgeest geteekend, of de hope der gemeente beleden wordt, mag en moet zeer zeker in hooger stijl geian, maar voor de eigenlijke stichting der gemeente moet toch doorgaande in den tweeden persoon worden gesproken, zoodat de gemeente voelt, dat er over Iiaar zaak, over haar toestand, over haar krankheid, over haar nooden gehandeld wordt.

Als een lid der gemeenteeen gevoel krijgt alsof ds Prediker bezig is zijn bepaalden zielstoestand te ontleden, zijn zielsworstelingen uiteen te zetten, en voor zijn zielsnood het medicijn te bereiden, dan gevoelt hij zich zoo intiem aangedaan, dat de hoogdravende stiji den indruk bederven zou. Platheid blijft daarom op den kansel een gruwel. Het heilige wil altoos met gewijde hand zijn aangevat. Zelfs wat zweemt naar familiariteit dient geweerd te worden. Taal en stijl moeten altoos gekuischt en edel blijven. Alleen maar, ze moeten afdalen tot de gemeente, om de gemes-nte te kunnen opheffen. De gemeente moet het kunnen verstaan, moet het kunnen volgen, moet ket in zich kunnen opnemen. En daarom mag de gewijde gemeenzaamheid niet ontbreken, die van zei f maakt dat het gesprokene er in gaat. In groote gebouwen, waar men optreedt voor een kleine 2000 personen, moge dit moeilijk zijn, reeds omdat veler stemgeluid geen genoegzame modulatie toelaat, zoodra de stem zich uitzet, doch ook dan zelfs komt men verder door zijn stem in te binden, en door intiemer toon volstrekte stilheid van het luisterend gehoor af te dwingen, dan dat men door holheid van stem en toon de massa overschreeuwen wil.

En is hiermede voor zoover de liturgische zijde der predicatie aangaat, doel en strekking genoegzaam toegelicht, dan zij hieraan alleen nog een kort woord toegevoegd ov'er de vraag, of het goed is de predicatie liturgisch in het midden af ie breken door gezang.

Als regel zouden we dit niet durven aanbevelen, tenzij het eerste deel der predicatie daartoe zelf aanleiding geeft. Eindigt dit eerste deel zóó, dat er een beweging van aanbidding, van schuldbelijdenis of van wat ook in de gemeente opgev.'ekt is, zoodat in de gemeente de drang gevoeld wordt om de beweging van het gemoed zelve tot rust te brengen, dan zeer zeker is zulk een tus-

schenzang op zija plaats. Dan toch breekt zulk een gezang niet af, maar vangt de predicatie op, en is tusschenschake!, leidende tot haar voortzetting,

Is daarentegen de tusschenzang niets dan een pauze. V.in middel om den prediker een oogenblik rust te geven, om het gehoor rust te geven, en dan weer de taak, die pas halverwege volbracht was, op te nemen, dan is ze den prediker en de gemeente onwaardig, tenzij lichamelijke zwakheid den prediker het op eens doorgaan onmogelijk maakt. Dan schuift zulk een tusschenzang zich geheel ongemotiveerd midden tusschen de predicatie in, leidt af, stoort, en maakt dat men weer opnieuw beginnen moet, om de gemeente te v.'ijden in haar heilige aandacht. Die behoefte aan een tusschenzang, zonder verband of samenhang, toont dat de predicatie niet is wat ze zijn moet, en dat de gemeente meer plichtshalve aanhoorde wat er gezegd werd, dan dat ze er door geboeid werd. Als het, o, zoolang duurde, zonder dat men aangegrepen of geboeid werd, zoodat men er zijn aandacht niet meer bij houden kon, dan komt die tus chenzang als een verlossing uit de benauwdheid, maar spreekt juist daardoor een scherp oordeel over de predicatie uit. Een predicatie behoeft zoo lang niet te zijn. Pat rekken dient tot niets, 's Avondb predikt men weer. En - over zes dagen begint men opnieuw. Men m-'Ct niet a/^es op eens willen zeggen, maar ook den tijd niet zoek maken met allerlei dingen te zeggen waar niemand iets aan heeft. Wie een predicatie van over het uur thuis voor zich neemt, en er met de pen uitschrapt elk woord, eiken volzin waar niemand iets door krijgt, wat hij niet reeds had, zal eens zien, hoe de preek opkort. En toch, dat moet het wezen, van stuk tot stuk, van zin tot zin, moet de inhoud der predicatie iets geven. Niet brood en steenen om en om, maar enkel brood, en alle steen er uit. Kort men zoodoende de predicatie op drie kwartier in, wat lang genoeg is, dan zal de behoefte om noodeloos de predicatie door een tusschenzang in twee deelen te knippen, vanzelf vervallen. Iets wat te meer is aan te bevelen, omdat deze tusschenzang helaas vaak vtrleidt tot een indeeling, die met de indeeling en den inhoud der predicatie in het minst niet strookt.

Uitstekead daarentegen is de inlassching van zulk een gezang in de predicatie, zoo door het gepredikte woord de gemeente tot zang en lof gestemd is. Dan toch zal vanzelf zang en melodie zich harmonisch aansluiten aan het gepredikte. Het gesproken woord zal vanzelf op zang voorbereiden, en vooral door de woorden van het te zingen lied reeds in te vlechten in wat gesproken werd, zal dan het gezang spontaan zijn, en niet de predicatie splitsen, maar in de predicatie zelve een gezongen deel zijn. Slechts ontraden we elk organist, om bij zulk een tusschenzang met praeludiën stoornis aan te brengen. Soms zijn die voorspelen uitstekend ter plaatse. Maar bij den tusschenzang zijn ze altoos contrabande, zoo die tusschenzang metterdaad is, wat we aangaven dat hij zijn moet. Bij een tusschenzang die slechts diende om de aandacht te verfrisschen, moge een voorspel op zijn plaats zijn, om als onder trompetgeschal de half ingedommelde gemeente wakker te roepen. Maar het hoort niet bij een zang die de gemeente als van de lippen van den prediker overneemt. Dan moet de gemeente onmiddellijk invallen, en na het gemeentelied de prediker onmiddellijk vervolgen evenzoo zonder naspel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 juni 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 juni 1901

De Heraut | 4 Pagina's