EEN-EN-TWINTIGSTE JAARLIJKSCHE SAMENKOMST VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, gehouden te Arnhem op 3 en 4 Juli 1901.
Naar Arnhem.
Nog ruischt het krijgsrumoer uit den pas gevoerden politieken strijd ons in de ooren, en leven we eigenlijk met heel ons hart in de dingen, die dezer dagen gebeurden in ons land. De stemming van allen zonder onderscheid, die naar de hoofdstad van Gelderland trekken, is niet zóó rustig, als zij andere jaren pleegt te zijn, er is te véél gebeurd, dat niet aller hoofd en hart er van zou zijn vervuld.
Zeker, het is meer voorgekomen, dat we ten Jaardag optrokken, onmiddellijk na een politieke worsteling. Het is meer voorgekomen, dat op den dag onzer Jaarvergadering, het hart der antirevolutionairen tintelde van vreugd over zegeningen, op het erf der staatkunde ons geworden van den Heere onzen God; maar zoo als nu, zijn we nog nimmer ter Jaarvergadering opgetrokken.
Nog geen week geleden in tal van plaatsen van ons vaderland, een inspanning zonder verpoozen; een worstelen en strijden zonder ophouden; en nu hebben we met ootmoedigen dank op de vrucht van die worsteling te zien, die zoo al ons denken en streven in beslag nam.
Het klinkt schier als een noodiging tot rusten, naar Arnhem te gaan, en daar eens stil samen te zijn met de broeders en zusters uit het land, die allen meê hebben gebeden en gestreden, en die nu meê danken voor de overwinning, aan de belijders van des Heeren Naam geschonken.
Reeds Arnhem zelf, de schoone stad aan den Rijn, in het heerlijke Gelderland, met zijn prachtige natuur, schijnt tot die rust u vriendelijk te nooden.
Maar toch, van rust geen sprake.
De Calvinisten, die hier bijeenkomen, ze gaan niet naar hun Jaardag om over rust te spreken, maar over strijd; altoosdurenden strijd; niet hier een strijd op het gebied der staatkunde, maar op het erf der wetenschappen; een strijd die evenzeer alle denken en arbeiden in beslag neemt; waar heel het leven mee gemoeid is.
Niet hier het rumoer van den politieken veldslag; niet hier het krijgsgeschrei van allerlei partijen; maar hier toch niet minder ernstig, niet minder zwaar de worsteling.
Het is nu eenmaal niet anders; de mensch heeft een strijd op aarde, en de Calvinist, hij is wel allermeest een man, die het oorlogspad heeft te betreden, en rusteloos, heel zijn leven door, de wapenrusting te dragen heeft.
Strijdensmoe wordt hij niet.
Zijn God geeft hem te volharden tot het einde; de kroon wacht wie wettig gestreden heeft, en blijmoedig gaat hij voorwaarts, dankend voor iedere verkwikking, iedere bemoediging, hem op zijn levenspad geschonken.
Zulk een verkwikking is de Jaarvergadering van onze Vereeniging.
Men heeft het der schare, die optrekt, maar aan te zien: ze is niet afgetobt, ze is niet gelijk aan de „overwinnende" Engelschen in Zuid-Afrika, die niet meer voort kunnen; maar ze is goedsmoeds; haar kracht is niet verminderd, haar overtuiging niet geschokt, haar geloof niet verzwakt.
Zoo komt ze ter Jaarvergadering.
Vooraf echter vereenigen ze zich om des Heeren aangezicht te zoeken in ootmoedig gebed; daarin zoeken ze sterkte, daarin nieuwe kracht, en zij hebben, óók in hun schoon verleden, de zekerheid, dat de Heere hun gebed hoorde.
Zoo ook nu gingen Woensdagavond zeer velen op naar de
URE DES GEBED .
Het vriendelijke kerkgebouw, in de Rietgrachtstraat, biedt plaats aan velen, en uit alle oorden van het land zijn dan ook de broeders en zusters reeds aangekomen.
Als voorganger treedt op Ds. C. W. J. van Lummel van Delft.
Nadat gezongen is Psalm 8 ; i en 4, en voorgelezen was Pred. 3, ging Ds. Van Lummel de schare voor in den gebede, om daarna in een boeiend en bezielend woord, voor te bereiden tot het gebed.
Toen God de wereld geschapen had, zoo begon Ds. v. L., zag Hij al wat Hij gemaakt en ziet het was zeer goed. De gansche schepping stond daar als de belichaming der ééne gedachte van den Schepper. Maar dat is voorbij. Niet voor eeuwig, want straks keert dat heerlijker nog terug. Nu echter leven wij in een wereld, waarin wij de zonde hebben gebracht en die zonde heeft die heerlijke overeenstemming verstoord. Veeleer schijnt de wereld nu een groote chaos te zijn, waarin geen orde of regel is te vinden. De Prediker, als hij het oog laat gaan over het beloop der wereldsche dingen, ziet allerlei onopgeloste tegenstellingen naast elkander staan. Een tijd van komen en gaan, van geboren worden en sterven, van lachen en weenen. En toch, bij al die tegenstelling is er eene eenheid in het werk Gods. Waar wij in Christus mogen gelooven en in Hem den Vader mogen kennen, komt op ons ook weer de roeping om dien éénen God in alle Zijne werken te verheerlijken. Nu na den val gaat dat slechts zooals de Prediker zegt in eene moeilijke bezigheid, die God der kinderen der menschen gegeven heeft om zich daarin te bekommeren.
Dat is nu juist de schoone taak der wetenschap om die eenheid in al het geschapene weer op te sporen.
De ongeloovige wetenschap kan dat niet-
Zij heeft slechts oog voor de verschijnselen; TA] blijft in het waarneembare hangen. De ge loovige wetenschap echter ziet ook de zienlijke dingen maar grijpt daarbij naar het onzienlijke; dat zij kent, omdat God het in zijn Woord heeft geopenbaard.
De taak der geloovige wetenschap is nu juist ons nader te brengen aan het verstaan van die ééne gedachte Gods, die aati al het geschapene ten grondslag ligt. Daarin nu heeft onze Vrije Universiteit ons volk twintig jaar mogen dienen en mogen dienen niet zonder vrucht. Wel in een moeilijken strijd; maar toch ook weer zoo, dat wij goeden moed kunnen houden. Immers naar Gods Woord is er voor de geloovige wetenschap a. een vast punt, waarvan zij kan uitgaan; b. eene kracht, waardoor zij kan voortgaan en c, een grens, dien zij niet mag overschrijden. Deze drie punten ontwikkelt spreker nu kortelijk naar Pred. 3:11.
God heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd, d w. z. zoo, dat alles te samen éene verheerlijking was van den Schepper. Wij erkennen, dat wij door de zonde dat hebben verdorven, maar houden hier aan vast, dat ons doen Gods gedachte in de schepping niet kan te niet doen. Daar is eene eenheid in de gedachte en werken Gods, hoe verborgen ons die soms schijnen.
Die overtuiging geeft der geloovige wetenschap een vast uitgangspunt. De loop der wereld beziet zij niet als het product van allerlei tegenstellingen; maar als het resultaat van den raad des Heeren.
Opdat nu de mogelijkheid zou bestaan, die gedachte Gods weer op te sporen, heeft Hij de eeuw gelegd in het hart zijner kinderen. De eeuw, eigenlijk het omsluierde, het verborgene. Daar leeft in 's menschen hart een besef van die diepte Gods, waarin al dat schijnbaar tegenstrijdige zijne oplossing vindt.
In den staat der rechtheid klaarder en duidelijker dan nu. Maar de herscheppende genade komt ook dat herstellen.
En wil nu de ongeloovige wetenschap als God zijn en hare gedachte stellen in de plaats van de gedachte Gods — de geloovige wetenschap zoekt slechts Hem te kennen in alle Zijne werken. Dat begeert ook Gods kind Daaruit is te verklaren het in het oog der ongeloovigen zoo wonderlijke verschijnsel, dat vele eenvoudigen naar de wereld hunne liefde geven aan deze hoogeschool. Die gave deelt de Heilige Geest uit aan een iegelijk, gelijkerwijs Hij wil. In het hart van al Gods kinderen ligt iets van die eeuw. Maar inzonderheid klaar en duidelijk is zij bij de mannen, aan wie de Heere wetenschappelijke gaven heeft gegeven. En zulke mannen gaf ors de Heere en Hij bewaarde ze ons. Klein is wel hun aantal, maar groot zijn hunne gaven en veel mochten zij doen. En zij konden volhouden juist omdat God de eeuw in hun hart heeft gelegd.
Ten slotte heeft de geloovige wetenschap een grens. Van het begin tot het einde toe kan de mensch Gods werk niet uitvinden. De ongeloovige wetenschap belooft ons te onderzoeken, zoolang, totdat het laatste raadsel is opgelost. Zij zal niet rusten voor zij den ]oercel gevonden heeft, waaruit alles is ontstaan. Zij zal niet rusten tot zij heeft vastgesteld uit de verschijnselen wat het einde wezen zal. De geloovige wetenschap ziet haar voorwerp met eerbied aan als een werk Gods. Zij erkent het: den Almachtige kunnen wij niet uitvinden. God zelf, de oorzaak, de oorsprong en het begin aller dingen, kan geen voorwerp van wetenschappelijk onderzoek zijn. Die verborgen raad Gods, waaruit alles voortkwam, behoort tot de verborgene dingen. Maar ook niet tot het einde toe. Wel weten wij, dat alle de bewege lijke dingen zullen voorbijgaan; dat er een nieuwe hemel en eene nieuwe aarde zal komen maar hoe dat wezen zal, is ons nog niet geopenbaard en dat het zoo zal wezen deelt ons Gods Woord mede en is geen resultaat van wetenschappelijk onderzoek.
Zoo wil dan de geloovige wetenschap al wat daar geschiedt onder de zon beschouwen in het licht van de zonne der gerechtigheid. De zegen, dien de Heere over dien arbeid onzer school reeds gaf moet ons stemmen tot dankbaarheid; maar ook opv/ekken tot vertrouwend gebed.
Nadat Ps. 123 : i gezongen was, droeg de spreker de Hoogeschool en de Vereeniging aan den Heere op. Daarna verliet de schare het kerkgebouw.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1901
De Heraut | 4 Pagina's